Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2005:AR5742

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
15-02-2005
Datum publicatie
16-02-2005
Zaaknummer
00872/04
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2005:AR5742
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Het ontbreken bij de stukken van de volgens het pv van de terechtzitting in hoger beroep overgelegde pleitnotitie is een verzuim dat i.c. zozeer strijdt met een behoorlijke procesorde dat het nietigheid van het onderzoek en de naar aanleiding daarvan gedane uitspraak meebrengt.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering
Wetboek van Strafvordering 326
Wetboek van Strafvordering 434
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2005, 103
NJ 2005, 384
NBSTRAF 2005/89
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15 februari 2005

Strafkamer

nr. 00872/04

EC/SM

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 14 juli 2003, nummer 23/004062-01, in de strafzaak tegen:

[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1957, wonende te [woonplaats].

1. De bestreden uitspraak

Na verwijzing van de zaak door de Hoge Raad bij arrest van 30 oktober 2001, heeft het Hof in hoger beroep de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in zijn beroep ten aanzien van de onder 2. en 4. tenlastegelegde feiten - en voorts met vernietiging van een vonnis van de Politierechter in de Arrondissementsrechtbank te Dordrecht van 9 maart 1998, voorzover aan 's Hofs oordeel onderworpen - de verdachte vrijgesproken van het bij inleidende dagvaarding onder 1. primair en subsidiair tenlastegelegde en hem voorts ter zake van 1. meer subsidiair en 3. opleverende "diefstal, meermalen gepleegd" veroordeeld tot het verrichten van onbetaalde arbeid ten algemenen nutte voor de duur van dertig uren, in plaats van één maand gevangenisstraf. Voorts is de tenuitvoerlegging gelast van een voorwaardelijk opgelegde straf. Tevens heeft het Hof de benadeelde partij [benadeelde partij] niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering.

2. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben mr. A.M. Seebregts en mr. J.J.A.P. van Breukelen, beiden advocaat te Rotterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Vellinga heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot verwijzing van de zaak naar een aangrenzend Hof teneinde op het bestaande beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

3. Beoordeling van het eerste middel

3.1. Het middel behelst de klacht dat het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 30 juni 2003 nietig is aangezien een door de raadsman bij die gelegenheid aan het Hof overgelegde pleitnotitie zich niet bij de stukken van het geding bevindt.

3.2. Blijkens het proces-verbaal van voormelde terechtzitting heeft de raadsman van de verdachte, mr. A.M. Seebregts, het woord tot verdediging gevoerd.

Dit proces-verbaal houdt voorts in:

"De raadsman legt daartoe een pleitnotitie over. Dit stuk is bij de stukken in het dossier gevoegd en de inhoud ervan wordt geacht deel uit te maken van dit proces-verbaal."

3.3. De in dit proces-verbaal vermelde pleitnotitie ontbreekt bij de aan de Hoge Raad toegezonden stukken, zodat niet valt na te gaan of, en zo ja welke, verweren ter terechtzitting zijn gevoerd.

3.4. Dit verzuim strijdt zozeer met een behoorlijke procesorde dat het, nu het op grond van de door de Advocaat-Generaal ingewonnen informatie onherstelbaar is, nietigheid van het onderzoek en de naar aanleiding daarvan gedane uitspraak meebrengt.

3.5. Het middel slaagt.

4. Slotsom

Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven, de overige middelen geen bespreking behoeven en als volgt moet worden beslist.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

Vernietigt de bestreden uitspraak;

Wijst de zaak terug naar het Gerechtshof te Amsterdam, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren J.P. Balkema, B.C. de Savornin Lohman, W.A.M. van Schendel en J.W. Ilsink, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 15 februari 2005.