Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2005:AR4837

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
28-01-2005
Datum publicatie
28-01-2005
Zaaknummer
C03/290HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2005:AR4837
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

28 januari 2005 Eerste Kamer Nr. C03/290HR JMH/AS Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van: de vennootschap naar Belgisch recht B.V.B.A. VERGO KWEKERIJEN, gevestigd te Meer, gemeente Hoogstraten, België, EISERES tot cassatie, advocaat: mr. E. van Staden ten Brink, t e g e n [Verweerster], gevestigd te [vestigingsplaats], VERWEERSTER in cassatie, advocaat: mr. P.J.M. von Schmidt auf Altenstadt. 1. Het geding in feitelijke instanties...

Wetsverwijzingen
Verdrag der Verenigde Naties inzake internationale koopovereenkomsten betreffende roerende zaken 7, geldigheid: 2005-01-28
Verdrag inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst, Rome, 19-06-1980 8, geldigheid: 2005-01-28
Wet op de rechterlijke organisatie 81, geldigheid: 2005-01-28
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2005, 55
NJ 2006, 517
RvdW 2005, 22
JWB 2005/36

Uitspraak

28 januari 2005

Eerste Kamer

Nr. C03/290HR

JMH/AS

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

de vennootschap naar Belgisch recht B.V.B.A. VERGO KWEKERIJEN,

gevestigd te Meer, gemeente Hoogstraten, België,

EISERES tot cassatie,

advocaat: mr. E. van Staden ten Brink,

t e g e n

[Verweerster],

gevestigd te [vestigingsplaats],

VERWEERSTER in cassatie,

advocaat: mr. P.J.M. von Schmidt auf Altenstadt.

1. Het geding in feitelijke instanties

Verweerster in cassatie - verder te noemen: [verweerster] - heeft bij exploot van 2 december 1996 eiseres tot cassatie - verder te noemen: Vergo - gedagvaard voor de rechtbank te Rotterdam en, voor zover in cassatie nog van belang en kort gezegd, gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, voor recht te verklaren, dat:

- op de ten processe bedoelde koopovereenkomst de Algemene Voorwaarden van de Nederlandse Vereniging van Plantenkwekers van toepassing zijn;

- [verweerster] niet aansprakelijk is voor de schade als gevolg van bacteriebesmetting van de geleverde tomatenplanten, en

- (subsidiair) [verweerster] niet verder aansprakelijk is voor de schade dan tot de koopprijs.

Vergo heeft de vorderingen bestreden.

De rechtbank heeft na een tussenvonnis van 3 september 1998 bij tussenvonnis van 18 maart 1999 een deskundigenonderzoek bevolen, een deskundige benoemd en een aantal vragen geformuleerd. Na deskundigenbericht heeft de rechtbank bij tussenvonnis van 30 maart 2000 [verweerster] tot bewijslevering toegelaten en bij eindvonnis van 26 april 2001 de primaire vorderingen toegewezen.

Tegen de vonnissen van 30 maart 2000 en 26 april 2001 heeft Vergo hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te 's-Gravenhage.

Bij arrest van 24 juni 2003 heeft het hof de vonnissen waarvan beroep bekrachtigd.

Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof heeft Vergo beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

[Verweerster] heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.

De conclusie van de Advocaat-Generaal L. Strikwerda strekt tot verwerping van het beroep.

De advocaat van Vergo heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.

3. Beoordeling van het middel

3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) [Verweerster] is een in Nederland gevestigde plantenkweker. Vergo is een in België gevestigde exploitant van een tuinbouwbedrijf.

(ii) In oktober 1995 is tussen partijen een koopovereenkomst gesloten, in welk kader door [verweerster] aan Vergo zijn verkocht en geleverd 78.700 tomatenplanten van het ras Durinta, geënt op wilde onderstam. Op de overeenkomst is het Weens Koopverdrag (Verdrag van 11 april 1980, Trb. 1986, 61) van toepassing.

(iii) Met betrekking tot die transactie heeft Vergo op 14 oktober 1995 een bestelbon getekend, waarop aan de voorzijde, boven de handtekeningen van partijen, onder meer staat vermeld:

"Alle verkopen en leveringen geschieden uitsluitend volgens onze verkoop- en leveringsvoorwaarden. De koper verklaart kennis te hebben genomen van de algemene verkoop- en leveringsvoorwaarden op de achterzijde dezer bestelbon gedrukt en deze voorwaarden volledig te aanvaarden."

Aan de achterzijde van die bestelbon staan integraal vermeld de Algemene voorwaarden van de Nederlandse Vereniging van Plantenkwekers, hierna: de NVP-voorwaarden. Art. 9 van die voorwaarden luidt onder meer:

"Reclame en schadevergoeding

(...).

5. (...) uitsluitend indien de mislukking van de oogst te wijten is aan de kwaliteit van het door verkoper geleverde plantaardig materiaal en de verkoper ten aanzien van deze kwaliteit grove schuld verweten kan worden, kan koper aanspraak maken op een schadevergoeding.

6. De door de verkoper uit welke hoofde ook (waaronder niet-, niet tijdige of niet behoorlijke levering) verschuldigde vergoeding van door de koper geleden schade zal de koopprijs nimmer te boven gaan. (...)."

(iv) Naar aanleiding van voormelde bestelling heeft [verweerster] op 25 oktober 1995 aan Vergo een orderbevestiging toegezonden die onder meer vermeldt:

"Op al onze offertes, verkopen, leveringen en/of bewerkingen zijn van toepassing de ALGEMENE VOORWAARDEN VAN DE NEDERLANDSE VERENIGING VAN PLANTENKWEKERS zoals vermeld op de ommezijde en gedeponeerd (...)."

Aan de achterzijde van die orderbevestiging staan eveneens de NVP-voorwaarden integraal vermeld.

(v) Op basis van voormelde bestelling en orderbevestiging is de koopovereenkomst door partijen uitgevoerd. [verweerster] heeft de geleverde planten aan Vergo in rekening gebracht bij factuur van 19 december 1995 ten bedrage van Bfrs. 3.120.806,40, welke factuur onder verrekening van een creditering wegens korting door Vergo is voldaan.

(vi) [Verweerster] heeft de aan Vergo geleverde tomatenplanten gekweekt door het uitzaaien van zaad voor de onderstam, door het uitzaaien van zaad van het ras Durinta voor de bovenstam, en door het vervolgens enten van de bovenstam op de onderstam. Het zaad van het ras Durinta voor de bovenstam heeft [verweerster] betrokken bij Western Seeds Holland, die dat zaad op haar beurt had betrokken bij de zaadproducent Western Seeds Espana, gevestigd op de Canarische Eilanden (Spanje). Dat zaad is gekweekt op de Canarische Eilanden.

(vii) Een in 1996 in België uitgevoerd deskundigenonderzoek heeft uitgewezen dat een gedeelte van de door [verweerster] aan Vergo geleverde tomatenplanten aangetast was door de 'Corynabacteriumverwelkingsziekte', veroorzaakt door de bacterie 'Clavibacter michiganensis spp michiganensis', welke besmetting alleen optrad bij het ras Durinta gekweekt uit door Western Seeds Espana geproduceerd en door [verweerster] voor de opkweek van de aan Vergo geleverde tomatenplanten gebruikt zaad.

(viii) [Verweerster] heeft in het kader van de inkoop van het zaad van het ras Durinta aan de betrokken leverancier en/of producent geen garantie gevraagd tegen eventuele besmetting met 'Clavibacter michiganensis spp michiganensis' noch heeft [verweerster] dat zaad voorafgaande aan de opkweek op zodanige besmetting doen onderzoeken en/of doen ontsmetten.

(ix) Vergo heeft ten gevolge van vorenbedoelde aantasting van de door [verweerster] aan haar geleverde tomatenplanten oogstschade geleden, voor welke schade Vergo [verweerster] aansprakelijk heeft gesteld.

3.2 De rechtbank heeft op vordering van [verweerster] in haar eindvonnis van 26 april 2001 voor recht verklaard dat op de tussen partijen gesloten koopovereenkomst de NVP-voorwaarden toepasselijk zijn, alsmede dat [verweerster] niet aansprakelijk is voor de schade die is ontstaan doordat door [verweerster] ingevolge de koopovereenkomst geleverde planten achteraf besmet bleken te zijn met genoemde bacterie. Het hof heeft met verbetering van gronden het eindvonnis en enkele daaraan voorafgaande tussenvonnissen bekrachtigd.

3.3.1 Onderdeel I keert zich tegen rov. 5, waarin het hof in aansluiting op rov. 4 het verweer van Vergo dat haar toestemming ten aanzien van de toepasselijkheid van de NVP-voorwaarden niet gericht is geweest op de in deze voorwaarden vermelde exoneratieclausules, als volgt heeft verworpen:

"Vergo heeft zich in verband met de in de NVP-voorwaarden voorkomende exoneratieclausules tevens nog beroepen op artikel 8 lid 2 van het EVO-Verdrag [Verdrag van 19 juni 1980, Trb. 1980, 156], stellende dat het niet redelijk zou zijn om ten aanzien van de exoneratieclausules de gevolgen van haar gedrag te bepalen overeenkomstig het Nederlandse recht. Het hof overweegt hierover als volgt. Krachtens artikel 8 lid 2 van het EVO-verdrag kan een partij zich er in bepaalde gevallen op beroepen dat zijn stilzwijgen bij de totstandkoming van de overeenkomst dan wel bepaalde clausules of algemene voorwaarden naar de maatstaven in zijn woonland geen toestemming impliceert. De situatie waarop dit artikellid ziet doet zich in het onderhavige geval naar het oordeel van het hof echter niet voor. Nu van een stilzwijgende aanvaarding geen sprake is, komt aan Vergo reeds om die reden een beroep op artikel 8 lid 2 van het EVO-verdrag naar het oordeel van het hof niet toe."

3.3.2 Nu - naar het hof, in cassatie onbestreden, heeft aangenomen - op de overeenkomst van partijen het Weens Koopverdrag van toepassing is, moeten op grond van art. 7 lid 2 van dit verdrag vragen betreffende de door het verdrag geregelde onderwerpen, die hierin niet uitdrukkelijk zijn beslist, worden opgelost aan de hand van de algemene beginselen waarop het verdrag berust, of bij ontstentenis van zodanige beginselen, in overeenstemming met het krachtens de regels van internationaal privaatrecht toepasselijke recht. Tot de door het Weens Koopverdrag geregelde onderwerpen behoort de vraag of een partij haar toestemming heeft verleend tot de totstandkoming van een koopovereenkomst en daarvan deel uitmakende algemene voorwaarden. De vraag of Vergo toestemming heeft verleend tot de toepasselijkheid van de door [verweerster] gebruikte algemene voorwaarden en de daarin opgenomen exoneratie-clausules, wordt derhalve ingevolge art. 7 lid 2 van het Weens Koopverdrag beheerst door de daarop betrekking hebbende regeling van dit verdrag en niet door het rechtsstelsel dat door enige regel van internationaal privaatrecht wordt aangewezen. Nu het in het onderdeel herhaalde beroep op de toepasselijkheid van Belgisch recht niet steunt op het Weens Koopverdrag, maar op de in art. 8 lid 2 van het EVO-verdrag vervatte regel van internationaal privaatrecht, heeft het hof met juistheid geoordeeld dat Vergo op die bepaling geen beroep kan doen, wat er zij van de daartoe door het hof gebezigde gronden en de daartegen gerichte klachten. Het onderdeel kan derhalve bij gebrek aan belang niet tot cassatie leiden.

3.4 Onderdeel II keert zich tegen het oordeel van het hof in rov. 14-17 dat [verweerster] in beginsel ervan mocht uitgaan dat het desbetreffende zaad voldeed aan de in de EG van kracht zijnde fytosanitaire eisen en derhalve vrij was van de Corynebacteriumverwelkingsziekte en dat omstandigheden dat zulks in concreto anders zou zijn niet aannemelijk zijn geworden en in ieder geval geen grove schuld van [verweerster] opleveren. De in het onderdeel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3.5.1 Onderdeel III klaagt dat het hof niet is ingegaan op de door Vergo in haar memorie van grieven onder 21 - 24 en 45 ontwikkelde betoog dat het hier niet alleen gaat om de controle op het zaad, maar ook om de positie van [verweerster] als plantenkweker, nu [verweerster] in de zin van het Besluit van 26 mei 1993, houdende Regeling invoer, uitvoer en verkeer van planten, Stcrt. 1993, 98, heeft te gelden als producent van de geleverde tomatenplanten en als zodanig zich niet alleen ervan had dienen te vergewissen dat het zaad aan alle eisen voldeed, maar ook, alvorens de planten in het verkeer te brengen, actief had dienen op te treden om te voorkomen dat de door haar geproduceerde planten besmet zijn met een schadelijk organisme. Door op dit betoog niet in te gaan heeft het hof zijn motiveringsplicht geschonden. Voorzover het hof mocht hebben geoordeeld dat zijn overwegingen met betrekking tot de zaden ook toepasselijk zijn op het produceren onderscheidenlijk het in het verkeer brengen van de planten, heeft het blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, omdat de bedoelde voorschriften zelfstandige verplichtingen voor de producenten van planten daarstellen, aldus het onderdeel, dat voorts klaagt dat indien blijkt dat [verweerster] basale wettelijke verplichtingen niet heeft nageleefd en zich heeft onttrokken aan met de naleving van de wettelijke voorschriften gepaard gaand grondig onderzoek, zij zich naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet op de exoneratieclausules kan beroepen.

3.5.2 Het hof heeft in rov. 17 overwogen dat het met de rechtbank van oordeel is dat geen feiten of omstandigheden zijn gesteld waaraan kan worden ontleend dat [verweerster], voorafgaande aan de levering van de tomatenstekken aan Vergo, van de besmetting op de hoogte moet zijn geweest, zodat ook op dit punt [verweerster] geen grove schuld te verwijten valt. Volgens het hof doet hieraan niet af het enkele feit dat de besmetting, indien de planten op deze ziekte zouden zijn onderzocht, had kunnen worden geconstateerd.

3.5.3 De klacht dat het hof niet is ingegaan op het door Vergo in haar memorie van grieven onder 21 - 24 en 45 ontwikkelde betoog dat het hier niet alleen gaat om de controle op het zaad, maar ook om de positie van [verweerster] als plantenkweker, mist feitelijke grondslag voorzover dat betoog inhoudt dat [verweerster] als plantenkweker grove schuld kan worden verweten ter zake van de aflevering van de tomatenplanten. Dat betoog heeft het hof immers behandeld en verworpen.

3.5.4 Ook de klacht dat het hof heeft miskend dat [verweerster] zich in haar hoedanigheid van plantenkweker aan de uit het hiervoor genoemde Besluit voortvloeiende verplichtingen moest houden, wordt tevergeefs voorgesteld. Het hof heeft immers kennelijk en niet onbegrijpelijk geoordeeld dat het door Vergo in verband met deze verplichtingen gestelde onvoldoende was om het verwijt van grove schuld in de zin van art. 9 lid 5 van de NVP-voorwaarden te kunnen dragen. Dat oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en behoefde, in het licht van de gedingstukken, geen nadere motivering dan door het hof is gegeven. Daarbij is in aanmerking te nemen dat Vergo aan hetgeen zij met betrekking tot het bedoelde Besluit in de memorie van grieven onder 21 - 23 heeft aangevoerd, onder 24 slechts, zonder verdere toelichting, de conclusie verbond dat [verweerster] zich niet alleen ervan diende te vergewissen dat het zaad aan alle vereisten voldeed, maar ook zelf actief diende op te treden alvorens de door haar geproduceerde planten in het verkeer te brengen, hetgeen zij eveneens heeft verzuimd. Het hof heeft hierin, na hetgeen het met betrekking tot de overige aan [verweerster] gemaakte verwijten had overwogen, geen aanleiding behoeven te vinden voor een nadere motivering.

3.5.5 Voorzover het onderdeel in verband met de positie van [verweerster] als plantenkweker nog betoogt dat het beroep op de exoneratieclausule onder enkele in het onderdeel genoemde omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, slaagt het evenmin. Nadat de rechtbank dit beroep had verworpen, heeft het hof in rov. 19 de daartegen gerichte appelgrief van Vergo verworpen. De thans in het onderdeel nog aangevoerde omstandigheden behoefden het hof daarvan niet te weerhouden, omdat deze, al aangenomen dat het hof had moeten begrijpen dat deze door Vergo mede ten grondslag werden gelegd aan dat beroep, in feite kennelijk slechts strekten ter adstructie van de stelling dat [verweerster] grove schuld kan worden verweten, welke stelling het hof, naar uit het voorgaande volgt, genoegzaam gemotiveerd heeft verworpen.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

verwerpt het beroep;

veroordeelt Vergo in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerster] begroot op € 316,34 aan verschotten en € 1.365,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J.B. Fleers als voorzitter en de raadsheren H.A.M. Aaftink, D.H. Beukenhorst, O. de Savornin Lohman en A.M.J. van Buchem-Spapens, en in het openbaar uitgesproken door de vice-president P. Neleman op 28 januari 2005.