Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2005:AR4778

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
17-06-2005
Datum publicatie
17-06-2005
Zaaknummer
477
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2005:AR4778
In cassatie op: ECLI:NL:CRVB:2003:AN8946
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Premies werknemersverzekeringen. Directe brutering.

Wetsverwijzingen
Coördinatiewet Sociale Verzekering 1
Coördinatiewet Sociale Verzekering 4
Coördinatiewet Sociale Verzekering 5
Coördinatiewet Sociale Verzekering 6
Coördinatiewet Sociale Verzekering 7
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2005, 218
BNB 2005/271 met annotatie van P. Kavelaars
V-N 2005/32.23
FutD 2005-1182 met annotatie van Fiscaal up to Date
NTFR 2005/805 met annotatie van mr. M.J. Hamer
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Nr. 477

17 juni 2005

AB

gewezen op het beroep in cassatie van X B.V. te Z (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 6 november 2003, nr. 01/2407 CSV en 01/2422 CSV, betreffende na te melden besluiten van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (hierna: het Lisv).

1. Besluiten, bezwaren en geding voor de Arrondissementsrechtbank

Bij besluiten van 21 december 1998 heeft het Lisv aan belanghebbende correctienota's ingevolge de Coördinatiewet Sociale Verzekering (hierna: de CSV) opgelegd over de jaren 1993 tot en met 1997.

Bij besluiten van 15 maart 1999 heeft het Lisv aan belanghebbende boetenota's ingevolge de CSV en de Regeling Administratieve boeten Coördinatiewet opgelegd over de jaren 1994 tot en met 1997.

Het Lisv heeft de tegen deze besluiten gemaakte bezwaren bij beslissing van 29 juli 1999 ongegrond verklaard.

Tegen de beslissing op bezwaar heeft belanghebbende beroep ingesteld bij de Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage.

De Rechtbank heeft bij uitspraak van 7 maart 2001 het beroep tegen de beslissing gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd voorzover dit betrekking heeft op de vaststelling van het bedrag aan nog verschuldigde sociale premies (over de jaren 1993 tot en met 1997) en de aan de hand daarvan berekende boeten (over de jaren 1994 tot en met 1997) en het Lisv opgedragen in zoverre een nieuw besluit te nemen, met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen.

2. Geding voor de Centrale Raad

Belanghebbende en het Lisv hebben tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij de Centrale Raad.

De Centrale Raad heeft de aangevallen uitspraak vernietigd voorzover daarbij het bestreden besluit is vernietigd alsmede voorzover betrekking hebbend op proceskosten en griffierecht, het inleidend beroep ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak voor het overige bevestigd. De uitspraak van de Centrale Raad is aan dit arrest gehecht.

3. Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Centrale Raad beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen heeft, als rechtsopvolger van het Lisv, een verweerschrift ingediend.

De Advocaat-Generaal C.W.M. van Ballegooijen heeft op 31 augustus 2004 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep.

4. Beoordeling van de middelen

4.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. Belanghebbende verhuurt touringcars met chauffeur. Haar chauffeurs verkopen aan de reizigers tijdens de busreizen drank en andere consumpties, die zij zelf inkopen. De door hen behaalde winst heeft belanghebbende niet aangemerkt als loon. Naar aanleiding van een looncontrole zijn de onderwerpelijke correctienota's opgelegd. Voor de Centrale Raad was onder meer in geschil of bij de berekening daarvan terecht zogenoemde directe brutering is toegepast.

4.2.1. De Centrale Raad heeft geoordeeld dat belanghebbende een bewuste keuze heeft gemaakt geen administratie te voeren van de door de chauffeurs met verkoop van dranken tijdens busreizen behaalde baropbrengsten, hoewel zij, voor het eerst door een brief van 19 juni 1990 van de toenmalige Bedrijfsvereniging voor het Vervoer, ervan op de hoogte was gebracht dan wel ervan op de hoogte kon zijn dat de baropbrengsten geadministreerd dienden te worden, en voorts dat uit de opstelling van belanghebbende ter zake van het niet-administreren van de opbrengsten volgt dat belanghebbende ten tijde van het doen van de betalingen de voorgeschreven inhoudingen voor haar rekening heeft willen nemen.

4.2.2. In dit oordeel ligt de vaststelling besloten dat belanghebbende, hoewel bekend met het standpunt van de bedrijfsvereniging omtrent verschuldigdheid van premies, heeft gekozen voor een werkwijze die bij voorbaat uitsloot dat, zo zou komen vast te staan dat inderdaad inhouding had moeten plaatsvinden, verhaal op de werknemers zou kunnen plaatsvinden.

4.2.3. Dit oordeel geeft geen blijk van schending of verkeerde toepassing van artikel 1, vierde tot en met achtste lid, noch van de artikelen 4 tot en met 8 van de CSV, noch van de op die artikelen berustende bepalingen, en de toetsing in cassatie dient in het onderhavige geval op grond van artikel 18c, lid 1, van de CSV daartoe beperkt te blijven. Voorzover het middel dit oordeel bestrijdt - onder meer met klachten over verzuim van vormen en onbegrijpelijkheid - kan het derhalve niet tot cassatie leiden.

4.3. Uitgaande van zijn voormeld oordeel heeft de Centrale Raad met juistheid beslist dat in het onderhavige geval bij de berekening van de correctienota's terecht de zogenoemde directe brutering is toegepast. Indien loon is betaald waarop ten onrechte geen inhoudingen zijn verricht en vaststaat dat de werkgever, toen hij de loonbetaling deed, de wettelijk voorgeschreven inhoudingen op het loon voor zijn rekening wilde nemen, is er plaats voor directe brutering (zie HR 4 mei 1994, nr. 247, BNB 1994/234, onder 4.4). Daarmee is gelijk te stellen een situatie als de onderhavige, hiervoor in 4.2.2 omschreven.

De opvatting van het middel dat vereist is dat de werkgever zich ten tijde van de loonbetaling ervan bewust was dat een loonvoordeel werd genoten/verstrekt, is - voor een situatie als hiervoor in 4.2.2 omschreven - onjuist; evenmin is bewustheid daarvan bij de werknemer vereist. Ook doet niet ter zake of de werkgever meende of mocht menen dat zijn tegenovergestelde standpunt pleitbaar was.

Het middel faalt derhalve.

5. Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

6. Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep ongegrond.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.G. Pos als voorzitter, en de raadsheren L. Monné, P.J. van Amersfoort, A.R. Leemreis en C.J.J. van Maanen in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 17 juni 2005.