Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2005:AR4766

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
17-06-2005
Datum publicatie
17-06-2005
Zaaknummer
442
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2005:AR4766
In cassatie op: ECLI:NL:CRVB:2002:AF2036
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Te weinig premie WAO ingehouden. Correctie met directe brutering.

Wetsverwijzingen
Coördinatiewet Sociale Verzekering 4
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BNB 2005/270 met annotatie van P. KAVELAARS
Belastingadvies 2005/14.11
V-N 2005/32.24 met annotatie van Redactie
FutD 2005-1182 met annotatie van Fiscaal up to Date
NTFR 2005/806 met annotatie van MR. J. VAN DE MERWE
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Nr. 442

17 juni 2005

AB

gewezen op het beroep in cassatie van X B.V. te Z (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 19 september 2002, nr. 99/5316 ALGEM, betreffende na te melden besluiten van de Bedrijfsvereniging voor detailhandel, ambachten en huisvrouwen (hierna: Detam) te R.

1. Besluiten, bezwaren en gedingen voor de Arrondissementsrechtbank

Bij besluiten van 27 december 1995 heeft Detam aan belanghebbende aanvullende premienota's ingevolge onder meer de Wet op de Arbeidsongeschiktheidsverzekering opgelegd over de jaren 1990 tot en met 1994.

Het bezwaar van belanghebbende is door het Landelijk instituut sociale verzekeringen (hierna: Lisv), rechtsopvolger van Detam, bij beslissing van 24 september 1997 ongegrond verklaard.

Tegen de beslissing op bezwaar heeft belanghebbende beroep ingesteld bij de Arrondissementsrechtbank te Haarlem.

De Rechtbank heeft bij uitspraak van 4 augustus 1999 het beroep tegen die beslissing ongegrond verklaard.

2. Geding voor de Centrale Raad

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij de Centrale Raad.

De Centrale Raad heeft de aangevallen uitspraak bevestigd. De uitspraak van de Centrale Raad is aan dit arrest gehecht.

3. Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Centrale Raad beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: UWV), rechtsopvolger van het Lisv, heeft een verweerschrift ingediend.

De Advocaat-Generaal C.W.M. van Ballegooijen heeft op 31 augustus 2004 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep.

Belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.

4. Beoordeling van het middel

4.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. Bij een in 1995 bij belanghebbende gehouden looncontrole is gebleken dat het loon waarover belanghebbende in de jaren 1990 tot en met 1994 premies ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (hierna: de WAO) diende in te houden en af te dragen, op een onjuiste wijze werd berekend. In haar loonadministratie maakte belanghebbende namelijk geen onderscheid tussen het aantal zogenoemde SV-dagen van enerzijds parttime werknemers en anderzijds fulltime werknemers. Ten gevolge daarvan werd over het premieloon van de parttime werknemers een te hoge WAO-franchise berekend en is op hun loon dus te weinig WAO-premie ingehouden en afgedragen. In verband daarmede zijn de onderwerpelijke aanvullende premienota's opgelegd. Daarbij zijn de WAO-premies niet alleen berekend over het ten onrechte verleende gedeelte van de franchise, maar ook over het voordeel dat de parttime werknemers in de betrokken jaren hebben genoten doordat de door hen verschuldigde premie voor de WAO niet of niet volledig werd ingehouden op hun loon.

4.2. De Centrale Raad heeft, onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 1 december 1999, nr. 311, BNB 2000/36, geoordeeld dat laatstbedoeld voordeel uit de dienstbetrekking is genoten en loon vormt in de zin van artikel 4, lid 1, van de Coördinatiewet Sociale Verzekeringen.

4.3. De Centrale Raad is bij dat rechtsoordeel kennelijk uitgegaan van een feitencomplex als weergegeven in het in zijn uitspraak geciteerde controlerapport van 19 december 1995, waarin onder meer is vastgesteld dat in de administratie van belanghebbende bij parttime medewerkers consequent het maximaal mogelijke aantal SV-dagen is opgegeven en dat in de betrokken jaren een dagenadministratie ontbreekt, en heeft daaruit kennelijk de conclusie getrokken dat te dezen sprake is van een geval waarin te hoge loonbetalingen zijn gedaan doordat inhouding van door de werknemers verschuldigde premie ten onrechte achterwege is gebleven onder omstandigheden die verhaal achteraf op de werknemers bij voorbaat uitsloten. Daarvan uitgaande is het oordeel van de Centrale Raad juist.

Het beroep in de toelichting op het middel op een overweging uit onderdeel 4.6 van het arrest van de Hoge Raad van 4 mei 1994, nr. 247, BNB 1994/234, miskent dat het te dezen niet gaat om een geval als in dat arrest onder 4.5, 4.6 of 4.7 bedoeld, maar om een geval als daarin in onderdeel 4.4 behandeld, namelijk dat waarin de werkgever de loonbetalingen heeft gedaan onder omstandigheden die verhaal op de werknemers van de ten onrechte achterwege gebleven inhoudingen bij voorbaat uitsluiten; in zo'n geval moet het er voor worden gehouden dat de werkgever, toen hij de loonbetalingen deed, de wettelijk voorgeschreven inhoudingen op het loon - een persoonlijke schuld van de werknemers - voor zijn rekening wilde nemen, waardoor de werknemers direct een voordeel uit dienstbetrekking genoten. Uit dat arrest dient, anders dan belanghebbende doet, niet de conclusie te worden getrokken dat in een situatie als de onderhavige voor het aanmerken van het voordeel als loon uit dienstbetrekking vereist is dat de werkgever zich ten tijde van de loonbetaling van de bevoordeling bewust moet zijn geweest. Evenmin is bewustheid daarvan bij de werknemer vereist.

Het middel faalt derhalve.

5. Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

6. Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep ongegrond.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.G. Pos als voorzitter, en de raadsheren L. Monné, P.J. van Amersfoort, A.R. Leemreis en C.J.J. van Maanen in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 17 juni 2005.