Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2005:AR4474

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
11-02-2005
Datum publicatie
11-02-2005
Zaaknummer
C03/283HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2005:AR4474
In cassatie op : ECLI:NL:GHSHE:2002:AF0965
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

11 februari 2005 Eerste Kamer Nr. C03/283HR RM/AT Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van: 1. DUIVENKWEEKCENTRUM LIMBURG B.V., gevestigd te Voerendaal, 2. [Eiser 2], wonende te [woonplaats], EISERS tot cassatie, advocaat: mr. M.C.J. Jehee, t e g e n 1. [Verweerder 1], 2. [Verweerster 2], beiden wonende te [woonplaats], VERWEERDERS in cassatie, niet verschenen. 1. Het geding in feitelijke instanties...

Wetsverwijzingen
Wet op de rechterlijke organisatie 81
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 455
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 712
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2005, 97
NJ 2006, 44
JWB 2005/56
JBPR 2005/33 met annotatie van mr. E. Loesberg
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11 februari 2005

Eerste Kamer

Nr. C03/283HR

RM/AT

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

1. DUIVENKWEEKCENTRUM LIMBURG B.V.,

gevestigd te Voerendaal,

2. [Eiser 2],

wonende te [woonplaats],

EISERS tot cassatie,

advocaat: mr. M.C.J. Jehee,

t e g e n

1. [Verweerder 1],

2. [Verweerster 2],

beiden wonende te [woonplaats],

VERWEERDERS in cassatie,

niet verschenen.

1. Het geding in feitelijke instanties

Verweerders in cassatie - verder te noemen: [verweerder] c.s. - hebben bij exploot van 12 juni 1998 eisers tot cassatie - verder in het enkelvoud aangeduid als: [eiser] - gedagvaard voor de rechtbank te Maastricht.

[Eiser] heeft de vorderingen van [verweerder] c.s. bestreden en een vordering in reconventie ingesteld.

[Verweerder] c.s. hebben de vordering in reconventie bestreden.

De rechtbank heeft bij vonnis van 31 augustus 2000 in conventie de vorderingen afgewezen en in reconventie uitsluitend de vordering tot opheffing van het beslag toegewezen.

[eiser] is van dit vonnis - voor zover in reconventie gewezen - in hoger beroep gekomen bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch.

Bij tussenarrest van 16 september 2002 heeft het hof een comparitie van partijen gelast en partijen tot bewijslevering toegelaten. Na getuigenverhoor heeft het hof bij eindarrest van 24 juni 2003 het bestreden vonnis vernietigd, en, opnieuw rechtdoende, [verweerder] c.s. veroordeeld aan [eiser] te betalen € 1.361,34 met wettelijke rente vanaf 28 mei 1998 tot aan de dag der algehele voldoening.

Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen beide arresten van het hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Tegen verweerders in cassatie is verstek verleend. Nadat tegen verweerders in cassatie verstek was verleend is [eiser] in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de ontvankelijkheid van het cassatieberoep.

De zaak is voor [eiser] toegelicht door zijn advocaat. Bij die gelegenheid heeft [eiser] tevens een akte inhoudende rectificatie cassatiedagvaarding genomen.

De conclusie van de Advocaat-Generaal E.M. Wesseling-van Gent strekt tot:

- niet-ontvankelijkverklaring van [eiser] in het cassatieberoep voor zover ingesteld tegen [verweerder 1] en [verweerster 2] in persoon, en voor zover beoogd in te stellen tegen de (mede)bewindvoerders over (het vermogen van) [betrokkene 1] dan wel haar gezamenlijke erfgenamen;

- verwerping van het beroep voor het overige.

3. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep

3.1 De procedures in eerste aanleg en hoger beroep zijn gevoerd tussen enerzijds [eiser] en anderzijds 1) [verweerder 1] in zijn hoedanigheid van executeur-testamentair over de nalatenschap van [betrokkene 2], alsmede in zijn hoedanigheid van medebewindvoerder over [betrokkene 1] en 2) [verweerster 2] in haar hoedanigheid van medebewindvoerder over [betrokkene 1]. De op 23 september 2003 aan [verweerder 1] en [verweerster 2] uitgebrachte cassatiedagvaarding vermeldt genoemde hoedanigheden niet.

3.2 [Betrokkene 1] is, zoals het hof in zijn arrest van 16 september 2002 heeft vastgesteld, op 13 november 1999 overleden. Ingevolge art. 1:449 lid 1 BW eindigde daardoor het door [verweerders] uitgeoefende bewind over haar goederen. Betekening van de cassatiedagvaarding had derhalve op straffe van niet-ontvankelijkheid dienen te geschieden ten aanzien van de gezamenlijke erfgenamen van Nederlands. Nu dat niet is gebeurd en geen omstandigheden zijn gebleken die een uitzondering op deze regel rechtvaardigen, zal [eiser] niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn cassatieberoep voor zover dit is gericht tegen [verweerder 1] en [verweerster 2] in hun voormelde hoedanigheid van medebewindvoerder.

3.3 Hoewel de cassatiedagvaarding niet vermeldt dat [verweerder 1] mede wordt gedagvaard in zijn hoedanigheid van uitvoerder van de uiterste wilsbeschikking van [betrokkene 2] kan, in het licht van hetgeen hiervoor in de eerste zin van 3.1 is vermeld, bij de gezamenlijke erfgenamen van [betrokkene 2] geen onduidelijkheid erover hebben bestaan dat [eiser] bedoelde [verweerder 1] in die hoedanigheid in rechte te betrekken. Voor zover het cassatieberoep gericht is tegen [verweerder 1] als uitvoerder van de uiterste wilsbeschikking van [betrokkene 2], kan [eiser] daarin derhalve worden ontvangen.

4. Beoordeling van het middel

4.1 In cassatie kan, voor zover thans nog van belang, van het volgende worden uitgegaan.

(i) Ter verzekering van een vordering tot schadevergoeding ter zake van de niet nakoming van een ruilovereenkomst die in 1996 zou zijn gesloten tussen [betrokkene 2] en [eiser] hebben [verweerder] c.s. op 28 mei 1998 onder [eiser] beslag doen leggen op 26 geringde duiven (een kweekduif, vijf jonge kweekduiven en twintig jonge duiven).

(ii) In de vervolgens door [verweerder] c.s. bij de rechtbank aanhangig gemaakte procedure heeft [eiser] in reconventie onder meer opheffing van het beslag gevorderd, alsmede een verklaring voor recht dat [verweerder] c.s. aansprakelijk zijn voor de schade die [eiser] lijdt ten gevolge van de beslaglegging.

(iii) Van het in reconventie gewezen vonnis, waarbij uitsluitend de vordering tot opheffing van het beslag werd toewezen, is [eiser] in hoger beroep gekomen. Daar vorderde hij, zoals door het hof in rov. 2.1 van het tussenarrest is vermeld, [verweerders] te veroordelen tot betaling van primair een bedrag van ƒ 114.908,24 ter zake van maximaal gederfde winst dan wel waardevermindering en subsidiair ƒ 89.256,87 ter zake van minimaal gederfde winst dan wel waardevermindering, primair en subsidiair ƒ 3.000,-- ter zake van overleden duiven en eveneens primair en subsidiair ƒ 28.600,-- ter zake van gederfde winst met betrekking tot de verkoop van eieren dan wel jongen. Meer subsidiair heeft hij ter zake van deze drie posten een door het hof vast te stellen bedrag gevorderd en uiterst subsidiair een verklaring voor recht dat [verweerder] c.s. aansprakelijk zijn voor alle door [eiser] als gevolg van het beslag geleden schade. Het hof heeft [verweerder] c.s. ter zake van deze schade veroordeeld tot betaling van € 1.361,34 (dat wil zeggen: het hiervoor genoemde bedrag van ƒ 3.000,--) aan [eiser].

4.2.1 Onderdeel 1 keert zich met een aantal klachten (1.1 - 1.5) tegen de navolgende overwegingen in het tussenarrest van 16 september 2002:

"5.4. In hoger beroep vordert [eiser] dus enerzijds (primair, subsidiair en meer subsidiair) de ten gevolge van het beslag gederfde winst bij gebruik van de 26 beslagen [verweerder]-duiven als duiven voor verkoop.

Tegelijkertijd vordert [eiser] echter (primair, subsidiair en meer subsidiair) de gederfde winst ten gevolge van het beslag bij gebruik van de 26 beslagen [verweerder]-duiven als kweekduiven. Onder nummer 38 van de Memorie van Grieven berekent [eiser] uitdrukkelijk hoeveel eieren de 26 beslagen [verweerder]-duiven duiven in de 2 jaar en 3 maanden van het beslag kunnen leggen, onder nummer 39 geeft hij aan dat hij dit optimale aantal ook zou hebben gefokt, wanneer het beslag hem niet verhinderd had de eieren te verkopen (nr. 35-37 MvG).

5.5.1 Nu [eiser] eigen stellingen ter zake van het beoogd gebruik van de duiven innerlijk tegenstrijdig zijn acht het hof de stelling van [verweerder] c.s. dat het beslag kweekduiven betrof onvoldoende gemotiveerd bestreden en acht het hof reeds op deze grond onvoldoende aannemelijk dat [eiser] schade heeft geleden als gevolg van gemiste verkopen van de 26 beslagen duiven."

4.2.2 Onderdeel 1.1 klaagt, onder verwijzing naar een reeks aan het procesdossier ontleende feiten en omstandigheden, over onbegrijpelijkheid van het oordeel van het hof dat [eiser]' stellingen inzake het beoogde gebruik van de beslagen duiven innerlijk tegenstrijdig zijn. Uit die feiten en omstandigheden kan, aldus het onderdeel, worden afgeleid dat [eiser] het oog heeft gehad op vergoeding van schade in verband met de gemiste verkoop van althans een groot aantal - eventueel alle - [verweerder]-duiven, terwijl - mede gelet op de formulering van de uiterst subsidiaire vordering - niet kon worden uitgesloten dat de schade zou bestaan deels in "kweekschade" en deels in "verkoopschade".

4.2.3 Het onderdeel faalt. Het oordeel dat [eiser] in elk der drie in rov. 5.4 vermelde varianten van zijn vordering uitsluitend vergoeding van zowel de volledige kweekschade als de volledige verkoopschade vorderde, berust op de aan het hof, als rechter die over de feiten oordeelt, voorbehouden uitleg van de gedingstukken. De in cassatie niet bestreden weergave van die vordering(en) in rov. 2.1 van het tussenarrest in aanmerking genomen, is die uitleg niet onbegrijpelijk. De in het onderdeel naar voren gehaalde feiten en omstandigheden noch de wijze waarop de uiterst subsidiaire vordering is geformuleerd, kunnen daaraan afdoen. Bij dat uitgangspunt is ook het oordeel van het hof dat de stellingen van [eiser] innerlijk tegenstrijdig zijn voor zover het gaat om het beoogde gebruik van de beslagen duiven geenszins onbegrijpelijk.

4.3 Onderdeel 2.1 keert zich tevergeefs tegen het oordeel van het hof dat art. 455 lid 1 Rv. niet van overeenkomstige toepassing is op een conservatoir beslag als destijds door [verweerder] c.s. ten laste van [eiser] gelegd. Dit oordeel, waarbij het hof terecht verwijst naar de in de conclusie van de Advocaat-Generaal genoemde passages uit de wetsgeschiedenis waaruit blijkt dat de wetgever ervan heeft afgezien art. 455 toe te voegen aan de opsomming van artikelen die in art. 712 Rv. van overeenkomstige toepassing worden verklaard op een conservatoir beslag als het onderhavige op de grond dat hij die toepasselijkheid voor de schuldenaar te belastend achtte, is immers juist.

4.4 De overige in het middel aangevoerde klachten kunnen evenmin tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

verklaart [eiser] niet-ontvankelijk in zijn beroep, behoudens voor zover dit is ingesteld tegen [verweerder 1] in zijn hoedanigheid van uitvoerder van de uiterste wilsbeschikking van [betrokkene 2];

verwerpt het beroep in zoverre;

veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerder] c.s. begroot op nihil.

Dit arrest is gewezen door de vice-president P. Neleman als voorzitter en de raadsheren J.B. Fleers, H.A.M. Aaftink, D.H. Beukenhorst en P.C. Kop, en in het openbaar uitgesproken door de vice-president P. Neleman op 11 februari 2005.