Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2005:AR3719

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
08-02-2005
Datum publicatie
10-02-2005
Zaaknummer
00619/04
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2005:AR3719
In cassatie op : ECLI:NL:GHAMS:2003:AN8965
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Fraude bij aangifte IB. 1. Het hof heeft het opzet van verdachte op het niet vermelden van inkomsten voortvloeiend uit privé-gebruik van de dienstauto afgeleid uit de omstandigheid dat verdachte op de hoogte was van de fiscale aspecten van het gebruik van de dienstauto en dat hij niettemin heeft nagelaten in zijn aangifte van dat gebruik melding te maken. Dat oordeel is onjuist noch onbegrijpelijk. 2. Onderlinge afspraken tussen verdachte en zijn werkgever, waarop verdachte zich beriep, over de fiscale consequenties van de afvloeiingsregeling doen niet af aan verdachtes eigen verplichting voor de inkomstenbelasting aangifte te doen van alle genoten inkomsten. 3. 's Hofs oordeel dat art. 42a Wet IB 1964 i.c. geen grondslag biedt voor toepassing van het huurwaardeforfait (verdachte ontving inkomsten in natura voor het stallen van maaimachines) is onjuist noch onbegrijpelijk, in aanmerking genomen dat het hof heeft vastgesteld dat de schuur door verdachte werd verhuurd, in welk oordeel besloten ligt dat de schuur niet aan verdachte ter beschikking stond en dus geen deel meer uitmaakte van diens eigen woning. 's Hofs overweging dat het betoog van de raadsman geen pleitbaar standpunt is moet, gelet op het gevoerde verweer, aldus worden verstaan dat het hof daarin tot uitdrukking heeft gebracht dat het beroep van verdachte op art. 42a Wet IB 1994 faalt.

Wetsverwijzingen
Algemene wet inzake rijksbelastingen
Algemene wet inzake rijksbelastingen 68
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2005, 88
FutD 2005-0363
NBSTRAF 2005/96
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

8 februari 2005

Strafkamer

nr. 00619/04

LR/SB

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 24 juni 2003, nummer 23/004346-02, in de strafzaak tegen:

[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1936, wonende te [woonplaats].

1. De bestreden uitspraak

1.1. Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Rechtbank te Amsterdam van 25 april 2002, voorzover aan 's Hofs oordeel onderworpen, - de verdachte vrijgesproken van het bij inleidende dagvaarding onder 2 tenlastegelegde en hem voorts ter zake van 1. (voor wat betreft de aangiften over de jaren 1995, 1996 en 1997) "opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist doen, terwijl daarvan het gevolg zou kunnen zijn dat te weinig belasting zou kunnen worden geheven, meermalen gepleegd" en 1. (voor wat betreft de aangifte over het jaar 1998) "opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven" veroordeeld tot een geldboete van twintigduizend euro, subsidiair 235 dagen hechtenis.

1.2. De aanvulling op het verkorte arrest als bedoeld in art. 365a, tweede lid, Sv is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2. Geding in cassatie

2.1. Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. M.J. Pelinck, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De middelen zijn schriftelijk toegelicht. De schriftuur is, tezamen met de schriftelijke toelichting, aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Vellinga heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest en verwijzing van de zaak naar een aangrenzend Hof teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

2.2. De Hoge Raad heeft kennisgenomen van het schriftelijk commentaar van de raadsman op de conclusie van de Advocaat-Generaal.

3. Beoordeling van de middelen

3.1. Het eerste en het tweede middel richten zich onder meer tegen het oordeel van het Hof dat de verdachte opzettelijk een onjuiste belastingaangifte heeft gedaan van het door hem genoten inkomen in het jaar 1996, voorzover daarin niet een bijtelling is vermeld ter zake van het privégebruik van de dienstauto (middel 1) en ter zake van het genoten voordeel voortvloeiend uit de aankoop van de dienstauto voor een lagere prijs dan de werkelijke waarde (middel 2). Het derde middel komt op tegen het oordeel van het Hof dat de verdachte heeft nagelaten voor de jaren 1995 tot en met 1998 aangifte te doen van inkomsten in natura voortvloeiend uit het doen verrichten van tuinonderhoud door een hovenier als tegenprestatie voor het ter beschikking stellen van een schuur aan die hovenier. De middelen lenen zich voor gezamenlijke bespreking.

3.2. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard - kort gezegd en voorzover voor de bespreking van de middelen van belang - dat hij voor de jaren 1995 tot en met 1998 opzettelijk een onjuiste aangifte inzake de inkomstenbelasting heeft gedaan door een lager dan het werkelijke belastbaar inkomen aan te geven.

3.3. Het Hof heeft - voorzover hier van belang - het volgende overwogen:

"1. Uit de inhoud van de bewijsmiddelen leidt het hof af dat verdachte zich ten tijde van het doen van de aangifte Inkomstenbelasting Premieheffing volksverzekering 1996 / Vermogensbelasting 1997 rekenschap heeft gegeven en op de hoogte was van de fiscale aspecten van zowel het gebruik van de Mercedes als dienstauto tot 1 oktober 1996 als van de aankoop van die auto per 1 oktober 1996 voor een prijs onder de marktwaarde. De auto is, blijkens de inhoud van de bewijsmiddelen, onderwerp van gesprek geweest tussen verdachte en diens belastingadviseur, [betrokkene 2]. Op grond van deze omstandigheden acht het hof bewezen dat verdachte de eerdergenoemde aangifte in zoverre opzettelijk onjuist heeft gedaan.

2. De raadsman heeft, kort en zakelijk weergegeven, aangevoerd dat verdachte niet gehouden was tot aangifte van het voordeel dat hij genoten had bij het overnemen van de auto, omdat [B] dit voordeel in de loonbelasting had moeten verantwoorden. Het hof verwerpt dit verweer, reeds omdat de stelling dat de ene verplichting de andere in dit verband tenietdoet geen grondslag in het recht vindt, terwijl het gevolg van het niet vermelden van het hier bedoelde bedrag in de aangifte Inkomstenbelasting - mede gezien de progressie in het tarief, waarvan overigens uiterst onaannemelijk is dat verdachte er niet van op de hoogte was - zou kunnen zijn dat te weinig belasting zou kunnen worden geheven. Dit klemt te meer omdat door een onjuiste aangifte de controle op heffing en afdracht wordt bemoeilijkt. De omstandigheid, zoals door de verdediging naar voren gebracht, dat verdachte geen enkel voordeel had bij het onvermeld laten van dit bedrag, waar immers was afgesproken dat [B] de fiscale consequenties rond de afvloeiing voor zijn rekening zou nemen, doet aan het voorgaande niet af.

3. Het hof leidt uit de inhoud van de bewijsmiddelen af dat de onderhoudswerkzaamheden aan verdachtes tuin, voor zover deze onbetaald zijn gebleven, moeten worden begrepen als tegenprestatie in natura voor het ter beschikking stellen van een (gedeelte van een) veldschuur op het terrein van verdachte aan het bedrijf van [betrokkene 1] als bergruimte voor machines. Verdachte heeft deze werkzaamheden, blijkens zijn verklaring ter terechtzitting in hoger beroep, gedurende een periode van bijna vier jaren ook telkens als zodanig aanvaard. In dat licht beschouwd moeten de hier bedoelde tuinwerkzaamheden worden aangemerkt als inkomen in de zin van de Wet op de Inkomstenbelasting 1964; anders dan de raadsman heeft betoogd, biedt artikel 42a van de Wet op de Inkomstenbelasting 1964 geen grond voor de opvatting dat ter zake van de aldus aan een derde verhuurde aanhorigheid (veldschuur) het huurwaardeforfait van toepassing is - een dergelijk standpunt kan naar het oordeel van het hof ook niet als 'pleitbaar' worden aangemerkt. Daarnaast acht het hof niet aannemelijk geworden dat het tuinonderhoud, waar - gelet op artikel 34, eerste lid, van de Wet op de Inkomstenbelasting 1964 - aanzienlijke bedragen mee gemoeid waren, als vriendendienst moet worden aangemerkt, reeds omdat verdachte heeft verklaard 'geen persoonlijke vriend van [betrokkene 1]' te zijn. Voor zover de raadsman voorts heeft betoogd dat [betrokkene 1] uit piëteit tegenover de vroegere echtgenote van verdachte heeft gehandeld, verwerpt het hof dit verweer nu deze toedracht niet aannemelijk is geworden, waar blijkens de zich in het dossier bevindende aangifte Inkomstenbelasting 1994 verdachte volgens diens eigen opgave in 1994 ongehuwd was, zodat in de hier bedoelde piëteit geen verklaring kan worden gevonden voor de omstandigheid dat de contractuele verhouding nadien is gewijzigd."

3.4. Blijkens deze overwegingen heeft het Hof het opzet van de verdachte op het niet vermelden van inkomsten voortvloeiend uit het privégebruik van de dienstauto afgeleid uit de omstandigheid dat de verdachte op de hoogte was van de fiscale aspecten van het gebruik van de dienstauto en dat hij niettemin heeft nagelaten in zijn aangifte van dat gebruik melding te maken. Dat oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is in het licht van de gebezigde bewijsmiddelen en van hetgeen het Hof voor het overige heeft vastgesteld niet onbegrijpelijk. Naar het Hof heeft vastgesteld had de verdachte immers over de auto overleg gehad met zijn belastingadviseur, terwijl voorts uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat de verdachte voor het doen van de aangifte wel gegevens had verstrekt aan zijn belastingadviseur betreffende de vermogenswaarde van de auto maar niet betreffende het privégebruik van de dienstauto.

3.5. Het Hof heeft voorts het verweer verworpen dat de verdachte geen opzet had op het buiten de belastingaangifte houden van het inkomensvoordeel, voortvloeiend uit de voordelige aankoop van de dienstauto, aangezien zijn werkgever zou instaan voor de fiscale consequenties van dat inkomensvoordeel en de verdachte dus geen enkel voordeel had bij het onvermeld laten daarvan. In die verwerping heeft het Hof tot uitdrukking gebracht dat de onderlinge afspraken tussen de verdachte en zijn werkgever over de fiscale consequenties van de afvloeiingsregeling niet afdoen aan de eigen verplichting van de verdachte voor de inkomstenbelasting aangifte te doen van alle in 1996 genoten inkomsten, waaronder ook die welke voortvloeien uit de voordelige aankoop van de auto.

Voorts heeft het Hof het opzet kunnen afleiden uit de omstandigheid dat de verdachte ten tijde van het doen van de aangifte op de hoogte was van de fiscale aspecten van de aankoop van de auto, niet alleen omdat de verdachte dienaangaande met zijn werkgever een nettoloonafspraak heeft gemaakt, maar ook omdat de auto onderwerp van gesprek is geweest tussen de verdachte en zijn belastingadviseur. Dit oordeel van het Hof geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk.

3.6.1. Met betrekking tot het strafrechtelijk verwijt dat de verdachte opzettelijk heeft nagelaten in zijn aangiften te vermelden dat hij - als tegenprestatie voor het stallen van maaimachines van een hovenier in een de verdachte toebehorende schuur nabij zijn woning - inkomsten in natura heeft ontvangen in de vorm van tuinonderhoud verricht door die hovenier, stelt de verdachte dat die inkomsten in het zogenoemde huurwaardeforfait van art. 42a Wet IB 1964 vallen en dus niet behoefden te worden aangegeven.

3.6.2. Ter omschrijving van wat onder een eigen woning moet worden verstaan, houdt art. 42a Wet IB 1964 het volgende in, voorzover thans van belang:

"2. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder eigen woning verstaan een gebouw of een gedeelte van een gebouw, met de aanhorigheden daarvan, voor zover dat, anders dan ten behoeve van een onderneming, de belastingplichtige of personen die behoren tot zijn huishouden, ter beschikking staat."

3.6.3. 's Hofs oordeel dat art. 42a Wet IB 1964 in het onderhavige geval geen grondslag biedt voor toepassing van het huurwaardeforfait, getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is evenmin onbegrijpelijk, in aanmerking genomen dat het Hof heeft vastgesteld dat de schuur door de verdachte werd verhuurd, in welk oordeel besloten ligt dat de schuur niet aan de verdachte ter beschikking stond en dus geen deel meer uitmaakte van diens eigen woning als bedoeld in evengenoemde bepaling.

3.6.4. Het derde middel keert zich voorts tegen de overweging van het Hof dat het betoog van de raadsman, zoals in het verkorte arrest weergegeven, geen pleitbaar standpunt is. Die overweging moet, in het licht van de gebezigde bewijsmiddelen en van hetgeen het Hof voorts heeft overwogen, aldus worden verstaan dat naar het oordeel van het Hof de verdachte redelijkerwijze niet kon en mocht menen dat de desbetreffende inkomsten niet behoefden te worden opgegeven. Dat oordeel geeft tegen de achtergrond van het gevoerde verweer geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk.

3.7. Ook voor het overige kunnen de middelen geen doel treffen. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de middelen in zoverre niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Slotsom

Nu geen van de middelen tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.

5. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president C.J.G. Bleichrodt als voorzitter, en de raadsheren G.J.M. Corstens, A.J.A. van Dorst, B.C. de Savornin Lohman en J.W. Ilsink, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 8 februari 2005.