Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2005:AR3645

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
28-01-2005
Datum publicatie
02-02-2005
Zaaknummer
C03/253HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2005:AR3645
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

28 januari 2005 Eerste Kamer Nr. C03/253HR JMH Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van: de rechtspersoon naar Iraans publiek recht DEFENCE INDUSTRIES ORGANISATION OF THE MINISTRY OF DEFENCE AND SUPPORT FOR ARMED FORCES OF THE ISLAMIC REPUBLIC OF IRAN, gevestigd te Teheran, Iran, EISERES tot cassatie, advocaten: mrs. H.A. Groen en M.W. Scheltema, t e g e n de vennootschap naar Engels recht INTERNATIONAL MILITARY SERVICES LIMITED, gevestigd te Londen, Verenigd Koninkrijk, VERWEERSTER in cassatie, advocaat: mr. R.S. Meijer.1. Het geding in feitelijke instanties...

Wetsverwijzingen
Wet op de rechterlijke organisatie 79, geldigheid: 2005-01-28
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering 1065, geldigheid: 2005-01-28
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2005, 52
NJ 2006, 469
RvdW 2005, 20
JWB 2005/43

Uitspraak

28 januari 2005

Eerste Kamer

Nr. C03/253HR

JMH

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

de rechtspersoon naar Iraans publiek recht DEFENCE INDUSTRIES ORGANISATION OF THE MINISTRY OF DEFENCE AND SUPPORT FOR ARMED FORCES OF THE ISLAMIC REPUBLIC OF IRAN,

gevestigd te Teheran, Iran,

EISERES tot cassatie,

advocaten: mrs. H.A. Groen en M.W. Scheltema,

t e g e n

de vennootschap naar Engels recht INTERNATIONAL MILITARY SERVICES LIMITED,

gevestigd te Londen, Verenigd Koninkrijk,

VERWEERSTER in cassatie,

advocaat: mr. R.S. Meijer.

1. Het geding in feitelijke instanties

Eiseres tot cassatie - verder te noemen: DIO - heeft bij exploot van 18 juni 1997 verweerster in cassatie - verder te noemen: IMS - gedagvaard voor de rechtbank te 's-Gravenhage en gevorderd het Interim Award van 7 maart 1994 en het Final Award van 3 februari 1997, gewezen te 's-Gravenhage tussen DIO als verweerster (in conventie tevens eiseres in reconventie) en IMS als eiseres (in conventie tevens verweerster in reconventie) in de arbitrage overeenkomstig het ICC-Reglement onder nr. 7373 te vernietigen en IMS te veroordelen in de kosten van deze procedure.

IMS heeft de vordering bestreden.

De rechtbank heeft bij vonnis van 2 augustus 2000 beide arbitrale vonnissen vernietigd.

Tegen dit vonnis heeft IMS hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te 's-Gravenhage. DIO heeft voorwaardelijk incidenteel hoger beroep ingesteld.

Bij arrest van 27 maart 2003 heeft het hof het vonnis waarvan beroep vernietigd en, opnieuw rechtdoende, de vorderingen van DIO afgewezen.

Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof heeft DIO beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

IMS heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.

De conclusie van de Advocaat-Generaal L. Strikwerda strekt tot verwerping van het beroep.

De advocaten van DIO bij brief van 21 oktober 2004 op die conclusie gereageerd.

3. Beoordeling van het middel

3.1 Voor de feiten waarvan in cassatie kan worden uitgegaan, verwijst de Hoge Raad naar punt 2 van de conclusie van de Advocaat-Generaal. Het gaat in deze zaak, samengevat, om het volgende. Tussen partijen is te 's-Gravenhage een arbitrage volgens de regels van de ICC te Parijs gevoerd. In deze arbitrale procedure hebben arbiters op 7 maart 1994 een tussenvonnis (de "Interim Award") gewezen waarin de arbiters beslisten dat tussen partijen een geldige arbitrageovereenkomst was totstand-gekomen. Op 3 februari 1997 hebben arbiters eindvonnis (de "Final Award") gewezen waarin DIO werd veroordeeld aan IMS te betalen een bedrag van £ 4.562.052,--, vermeerderd met rente en kosten, en waarin de tegenvordering van DIO werd afgewezen.

3.2 DIO heeft gevorderd hetgeen hiervoor onder 1 is weergegeven, kort gezegd: vernietiging van zowel de Interim Award als de Final Award, op de voet van art. 1065 lid 1, aanhef en onder a, Rv.

De rechtbank heeft deze vordering toegewezen omdat zij heeft geoordeeld dat tussen IMS en DIO geen arbitrageovereenkomst was totstandgekomen.

Het hof heeft het vonnis van de rechtbank vernietigd en de vorderingen van DIO afgewezen.

3.3 Het hof heeft in rov. 3.6 geoordeeld dat de grief van IMS tegen de gronden waarop de rechtbank de vorderingen van DIO heeft toegewezen, gegrond was en heeft het - door de rechtbank niet behandelde - beroep van DIO op nietigheid van de arbitrageovereenkomst wegens strijd met art. 139 van de Iraanse grondwet verworpen. Daartoe heeft het hof onder meer in rov. 4.2 als volgt geoordeeld:

"Wat DIO's beroep op art. 139 Grondwet betreft gaat het hof er veronderstellenderwijs van uit dat, zoals DIO aanvoert, deze bepaling inhoudt hetgeen DIO dienaangaande heeft aangevoerd en dat deze volgens het recht van Iran tot gevolg heeft dat een zonder goedkeuring van het Iraans parlement gesloten arbitrageovereenkomst ongeldig is. DIO komt echter in dit geval geen beroep op die nietigheid toe. Het is een inmiddels internationaal breed gedragen beginsel dat een Staat of een van een Staat deel uitmakende organisatie, zoals DIO naar tussen partijen vaststaat is, geen beroep toekomt op haar eigen interne recht om te betogen dat een door hem/haar gesloten overeenkomst die voorziet in internationale arbitrage ongeldig is. Deze regel geldt ook in de situatie dat het internrechtelijke beletsel al van kracht was voordat de arbitrageovereenkomst werd gesloten. Anders dan DIO veronderstelt is de ratio van deze regel immers niet in de eerste plaats te verhinderen dat een Staat een eenmaal gesloten arbitrageovereenkomst kan aantasten door middel van nadien ingevoerde wetgeving, al zou dat ongetwijfeld ook onaanvaardbaar zijn. De ratio is veeleer dat het in strijd is met de goede trouw dat een Staat zich jegens een buitenlandse contracts-partij op eigen regelgeving beroept om zich aan een door hem gesloten arbitrageovereenkomst te ontrekken."

Het hof heeft eveneens het beroep van DIO op strijd met haar statuten verworpen. Daartoe heeft het hof in rov. 5.2 geoordeeld dat de in 4.2 geformuleerde regel, gelet op de omstandigheid dat DIO een staatsorganisatie is, ook van toepassing is op het beroep van DIO op strijd met haar statuten. In rov. 5.3 heeft het hof voorts geoordeeld dat zulk een beroep niet opgaat, omdat het aanbod tot het sluiten van een arbitrageovereenkomst nadien in elk geval impliciet door DIO is bekrachtigd.

3.4 Onderdeel 1.1 is gericht tegen 's hofs rov. 4.2 en klaagt dat deze overweging rechtens onjuist is althans zonder nadere motivering, die ontbreekt, onbegrijpelijk. Uit het oordeel is volgens het onderdeel niet kenbaar of het in die rechtsoverweging bedoelde beginsel (a) uitdrukking geeft aan een feitelijke eenstemmigheid van een aantal min of meer verwante rechtsordes over een rechtsregel van een zekere abstractie, zodat de zogenoemde anti-kiesregel ertoe leidt dat - naar Nederlands recht - geen beroep kan worden gedaan op art. 139 van de Iraanse grondwet, dan wel (b) een algemeen beginsel van (volken)recht is, waaraan staten zijn gebonden, of (c) een, ook in de Nederlandse rechtsorde te respecteren, algemeen beginsel van (Nederlands) internationaal privaatrecht is.

3.5.1 Duiding van het in rov. 4.2 door het hof genoemde beginsel - te weten: dat een Staat of een van een Staat deel uitmakende organisatie geen beroep toekomt op haar eigen interne recht om te betogen dat een door hem/haar gesloten overeenkomst, die voorziet in internationale arbitrage, ongeldig is - is, aldus onderdeel 1.1, van belang nu het hof, voorzover het heeft geoordeeld als bedoeld onder (a), ten onrechte heeft nagelaten te onderzoeken of het beginsel eveneens onderdeel uitmaakt van de Iraanse rechtsorde.

3.5.2 Indien de rechter de anti-kiesregel toepast in een geval waarin naast het Nederlandse rechtsstelsel een of meer buitenlandse rechtsstelsels voor toepassing in aanmerking (zouden) kunnen komen, kan gelet op art. 79 lid 1, aanhef en onder b, RO in cassatie alleen worden getoetst of zijn oordeel omtrent het bestaan van het beginsel naar Nederlands recht juist is (vgl. HR 4 april 1986, nr. 12637, NJ 1987, 678). De klacht kan derhalve bij gebrek aan belang buiten behandeling blijven.

3.6.1 Onderdeel 1.2 klaagt dat het oordeel van het hof rechtens onjuist althans zonder nadere motivering onbegrijpelijk is, voorzover het hof heeft geoordeeld dat het beginsel - als onderdeel van de lex fori of door middel van art. 3:12 BW - onderdeel uitmaakt van de Nederlandse rechtsorde.

3.6.2 Naar Nederlands internationaal privaatrecht is a) het incorporatierecht van toepassing op zowel de vraag naar de bevoegdheidsbeperkingen van een rechtspersoon als de vraag naar de externe werking van die bevoegdheids-beperkingen, en b) geen beroep op bevoegdheidsbeperkingen mogelijk ten aanzien van de wederpartij die deze beperkingen niet kende en redelijkerwijze niet behoefde te kennen: in beginsel wordt de partij die in het internationale rechtsverkeer te goeder trouw is afgegaan op de handelingsbevoegdheid van haar wederpartij, beschermd. De klacht faalt derhalve omdat de door het hof toegepaste regel onderdeel uitmaakt van het Nederlands internationaal privaatrecht. Het hof behoefde - voor het overige - niet te motiveren waarom deze zogeheten Lizardi-regel, die ook is neergelegd in art. 11 EEG-Verdrag inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst, van 19 juni 1980, Trb. 1980 nr. 156, onderdeel uitmaakt van de Nederlandse rechtsorde.

3.7.1 Onderdeel 1.2 klaagt voorts dat het hof heeft miskend dat een partij bij het sluiten van een (arbitrage)overeenkomst zich in beginsel dient te vergewissen van de bevoegdheid van haar wederpartij, althans in gevallen waarin het interne recht van die wederpartij van toepassing is op de internationale arbitrale procedure en op de overeenkomst waarop die arbitrage betrekking heeft en/of in gevallen waarin die wederpartij niet het vertrouwen heeft gewekt dat zij zonder meer bevoegd is tot het aangaan van een arbitrageovereenkomst, althans in een geval als het onderhavige, dat hierdoor wordt gekenmerkt dat (a) de bevoegdheidsbeperking van DIO gebruikelijk is, althans dat IMS daarmee rekening had moeten houden (b) de hoofdovereenkomst wordt beheerst door Iraans recht, (c) het hof in het midden heeft gelaten of de arbitrage-overeenkomst wordt beheerst door Iraans recht, en (d) DIO heeft gesteld dat van gerechtvaardigd vertrouwen bij IMS geen sprake kon zijn, welke stelling het hof niet heeft verworpen, zodat de juistheid daarvan in cassatie uitgangspunt is.

3.7.2 Een contractspartij kan zich niet op de bescherming van de door het hof geformuleerde regel beroepen, indien zij van de bevoegdheidsbeperkingen van haar wederpartij op de hoogte was of behoorde te zijn. Niet blijkt dat het hof zou hebben miskend dat van een partij die zich op deze bescherming beroept, mag worden gevergd dat zij zich, afhankelijk van de omstandigheden van het geval, heeft ingespannen om zich te vergewissen van de bevoegdheid van haar wederpartij. Het hof noemt immers als ratio van de door hem toegepaste regel de goede trouw. Daarin ligt besloten dat naar het oordeel van het hof een partij geen beroep op bescherming tegen onbevoegdheid van de wederpartij toekomt, indien zij van die onbevoegdheid op de hoogte was of behoorde te zijn. Het hof heeft kennelijk geoordeeld dat IMS niet op de hoogte was of behoorde te zijn van de door DIO ingeroepen beperkingen van haar bevoegdheid volgens Iraans recht. Dit oordeel is niet onbegrijpelijk en behoefde geen nadere motivering, nu de stukken van het geding geen andere conclusie toelaten dan dat DIO, toen zij IMS aanbood de tussen partijen gerezen geschillen door middel van arbitrage te beslechten, niet op enigerlei wijze kenbaar heeft gemaakt dat haar bevoegdheid tot het aangaan van arbitrageovereenkomsten aan een bijzondere, door de Iraanse grondwet voorgeschreven, beperking was onderworpen. 's Hofs oordeel dat DIO, al aangenomen dat IMS op de hoogte behoorde te zijn van die beperking, zich niet op die beperking kon beroepen, behoefde ook daarom geen nadere motivering, ook niet in het licht van de door het onderdeel genoemde omstandigheden, omdat DIO blijkens de gedingstukken niets heeft gesteld omtrent mogelijke omstandigheden die in de weg zouden kunnen staan aan het verlenen van toestemming door het Iraanse parlement. Tegen deze achtergrond hoefden de hiervoor in 3.7.1 onder (a) tot en met (d) gestelde omstandigheden het hof niet van zijn oordeel te weerhouden. Onderdeel 1.2 faalt derhalve ook voor het overige.

3.8.1 De onderdelen 1.3 en 1.4 klagen dat het hof, voorzover het van de hiervoor in 3.4 onder (b) bedoelde opvatting is uitgegaan, heeft miskend dat, ook indien de door het hof toegepaste regel kan worden aangemerkt als een ongeschreven algemeen beginsel van volkenrecht, dit beginsel geen afbreuk doet aan dwingende bepalingen van nationaal recht, ongeacht of het beginsel als zodanig onderdeel uitmaakt van de Nederlandse (of Iraanse) rechtsorde, althans dat het hof ten onrechte heeft nagelaten te motiveren waarom dat in het onderhavige geval anders is.

3.8.2 Deze klachten kunnen bij gebrek aan feitelijke grondslag niet tot cassatie leiden. Het hof heeft een regel toegepast die niet haar grondslag vindt in enig beginsel van volkenrecht doch berust op een, ook internationaal breed aanvaard, beginsel van Nederlands internationaal privaatrecht.

3.9.1Onderdeel 1.3 klaagt voorts dat, voorzover moet worden aangenomen dat de door het hof toegepaste rechtsregel berust op een beginsel van Nederlands internationaal privaatrecht, het hof heeft miskend dat een algemeen beginsel van internationaal privaatrecht - anders dan een zogenaamde voorrangsregel - geen afbreuk kan doen aan dwingende bepalingen van nationaal recht, althans dat het hof heeft nagelaten te motiveren waarom dat in dit geval anders is.

3.9.2 Het onderdeel wordt tevergeefs voorgesteld omdat het berust op de onjuiste rechtsopvatting dat de door het hof toegepaste Lizardi-regel voorschriften van een dwingend karakter niet opzij kan zetten. Het andersluidende oordeel van het hof is juist. De daartegen gerichte motiveringsklacht kan niet tot cassatie leiden, omdat een rechtsoordeel niet met een motiveringsklacht kan worden bestreden.

3.10.1 Onderdeel 1.5 klaagt dat, voorzover moet worden aangenomen dat het hof zijn beslissing heeft doen steunen op het oordeel dat een Staat of een van een Staat deel uitmakende organisatie geen beroep kan doen op immuniteit van jurisdictie wanneer deze een overeenkomst van arbitrage heeft gesloten, dit oordeel rechtens onjuist is, althans ontoereikend is gemotiveerd, omdat het hof niet heeft aangegeven waarom het feit dat DIO geen beroep kan doen op immuniteit van jurisdictie zonder meer meebrengt dat DIO geen beroep kan doen op de nietigheid van de arbitrageovereenkomst.

3.10.2 De klacht kan bij gebrek aan feitelijke grondslag niet tot cassatie leiden. Het hof heeft de door hem toegepaste regel niet ontleend aan het leerstuk van de beperkte immuniteit van jurisdictie.

Onderdeel 1 is derhalve in zijn geheel vergeefs voorgesteld.

3.11.1 Onderdeel 2 is gericht tegen rov. 5.2, waarin het hof het beroep van DIO op nietigheid van de arbitrage-overeenkomst wegens strijd met haar statuten verwerpt.

3.11.2 Nog afgezien ervan dat dit onderdeel voortbouwt op de in het vorige onderdeel ontwikkelde klachten tegen de in rov. 4.2 geformuleerde rechtsregel en derhalve het lot daarvan moet delen, kan dit onderdeel bij gebrek aan belang niet tot cassatie leiden: het hof heeft het beroep van DIO op nietigheid van de arbitrageovereenkomst wegens strijd met haar statuten immers ook verworpen op grond van het in rov. 5.3 neergelegde oordeel dat DIO het aanbod tot het sluiten van een arbitrageovereenkomst nadien impliciet heeft bekrachtigd; dit oordeel, dat in cassatie niet wordt bestreden, kan 's hofs oordeel zelfstandig dragen.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

verwerpt het beroep;

veroordeelt DIO in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van IMS begroot op € 316,34 aan verschotten en € 1.365,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president P. Neleman als voorzitter en de raadsheren H.A.M. Aaftink, O. de Savornin Lohman, P.C. Kop en E.J. Numann, en in het openbaar uitgesproken door de vice-president P. Neleman op 28 januari 2005.