Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2005:AR3406

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
21-01-2005
Datum publicatie
21-01-2005
Zaaknummer
C04/105HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2005:AR3406
In cassatie op : ECLI:NL:GHAMS:2004:AO4433
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

21 januari 2005 Eerste Kamer Nr. C04/105HR RM/AT Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van: 1. de rechtspersoon naar het recht van de staat Delaware, Verenigde Staten van Amerika HFTP INVESTMENT LLC, gevestigd te New York, Verenigde Staten van Amerika, 2. de rechtspersoon naar het recht van de Kaaiman Eilanden, GAIA OFFSHORE MASTER FUND LIMITED, gevestigd op de Kaaiman Eilanden, 3. de rechtspersoon naar het recht van de Kaaiman Eilanden, CAERUS FUND LIMITED, gevestigd op de Kaaiman Eilanden, EISERESSEN tot cassatie, verweersters in het incidenteel cassatieberoep, advocaat: mr. G. Snijders, t e g e n 1. MR. R.J. GRAAF SCHIMMELPENNINCK, 2. MR. M.Ph. VAN SINT TRUIDEN, beiden in hun hoedanigheid van curatoren in het faillissement van Jomed N.V., kantoorhoudende te Amsterdam, VERWEERDERS in cassatie, eisers in het incidenteel cassatieberoep, advocaat: mr. P.J.M. von Schmidt auf Altenstadt. 1. Het geding in feitelijke instanties...

Wetsverwijzingen
Faillissementswet 76, geldigheid: 2005-01-21
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOR 2005/105 met annotatie van mr. R.J. Abendroth, tevens behorend bij «JOR» 2005/104
RV 2014/147 met annotatie van Redactie van Rechtspraak Vermogensrecht
Ars Aequi AA20050254 met annotatie van R.D. Vriesendorp
JOL 2005, 36
NJ 2005, 250
RvdW 2005, 14
JWB 2005/24

Uitspraak

21 januari 2005

Eerste Kamer

Nr. C04/105HR

RM/AT

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

1. de rechtspersoon naar het recht van de staat Delaware, Verenigde Staten van Amerika HFTP INVESTMENT LLC,

gevestigd te New York, Verenigde Staten van Amerika,

2. de rechtspersoon naar het recht van de Kaaiman Eilanden, GAIA OFFSHORE MASTER FUND LIMITED,

gevestigd op de Kaaiman Eilanden,

3. de rechtspersoon naar het recht van de Kaaiman Eilanden, CAERUS FUND LIMITED,

gevestigd op de Kaaiman Eilanden,

EISERESSEN tot cassatie, verweersters in het incidenteel cassatieberoep,

advocaat: mr. G. Snijders,

t e g e n

1. MR. R.J. GRAAF SCHIMMELPENNINCK,

2. MR. M.Ph. VAN SINT TRUIDEN, beiden in hun hoedanigheid van curatoren in het faillissement van Jomed N.V.,

kantoorhoudende te Amsterdam,

VERWEERDERS in cassatie, eisers in het incidenteel cassatieberoep,

advocaat: mr. P.J.M. von Schmidt auf Altenstadt.

1. Het geding in feitelijke instanties

Eiseressen tot cassatie - verder te noemen: de Funds - hebben verweerders in cassatie - verder te noemen: de curatoren - in kort geding gedagvaard voor de voorzieningenrechter in de rechtbank te Amsterdam en gevorderd de curatoren te bevelen de Funds de volgende informatie met betrekking tot Jomed N.V. te verschaffen:

a. alle documenten die betrekking hebben op de activa die uit hoofde van de Abbott transactie en de Volcano transactie worden verkocht of die een licht kunnen doen schijnen op de juiste verdeling van de koopprijzen die in het kader van deze transacties dienen te worden betaald, inclusief alle documenten die betrekking hebben op de overdrachten van intellectuele eigendomsrechten die uit hoofde van de Abbott transactie zijn verkocht;

b. de First Amendment gedateerd 30 juni 2003 op de Abbott Asset Purchase Agreement en/of andere "amendments";

c. de "Wind Down Agreement";

d. het rapport van KPMG forensic accountants;

e. kopieën van alle kredietovereenkomsten;

f. kopieën van alle "standstill agreements" anders dan de overeenkomst gedateerd 27 mei 2003;

g. alle documenten betrekking hebbende op intercompany leningen;

h. kopieën van alle documenten die relevant zijn voor de waardering van Jomed N.V. opgemaakt door Credit Suisse First Boston;

i. kopieën van alle taxaties van aan Jomed N.V. toebehorende zaken opgesteld door externe consultants/experts, ander dan die van [betrokkene 1];

j. alle overeenkomsten en andere documenten die betrekking hebben op verzekeringen, daaronder begrepen de verzekeringen ter dekking van de aansprakelijkheid van bestuurders en de commissarissen;

k. een beschrijving van alle activa van Jomed N.V. per 2 mei 2003;

l. zulks op straffe van een dwangsom van telkens € 10.000,-- per keer dat de curatoren nalaten geheel of gedeeltelijk te voldoen aan één of meer van de hiervoor geformuleerde bevelen en per dag of gedeelte daarvan dat die niet (volledige) naleving voortduurt, waarbij geldt dat de dwangsom evenzovele malen verschuldigd zal zijn als onderdelen van de hiervoor geformuleerde bevelen niet (volledig) nageleefd worden.

De curatoren hebben de vordering bestreden.

De voorzieningenrechter heeft bij vonnis van 7 augustus 2003 de gevraagde voorzieningen geweigerd.

Tegen dit vonnis hebben de Funds hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam.

Bij arrest van 15 januari 2004 heeft het hof het vonnis van de voorzieningenrechter bekrachtigd en het in hoger beroep meer of anders gevorderde afgewezen.

Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof hebben de Funds beroep in cassatie ingesteld. De curatoren hebben (deels voorwaardelijk) incidenteel cassatieberoep ingesteld. De cassatiedagvaarding en de conclusie van antwoord tevens houdende het incidenteel cassatieberoep zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.

Partijen hebben over en weer geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.

De conclusie van de Advocaat-Generaal J.L.R.A. Huydecoper strekt in het principale beroep tot vernietiging en in het incidentele beroep tot verwerping.

De advocaat van de Funds en de advocaat van de curatoren hebben bij brief van 15 oktober 2004 onderscheidenlijk bij brief van 14 oktober 2004 op deze conclusie gereageerd.

3. Uitgangspunten in cassatie

3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) Jomed N.V. is een houdstermaatschappij met dochtermaatschappijen die actief zijn op het gebied van het ontwikkelen en produceren van medische apparatuur. Jomed is een mondiaal concern met vestigingen in meer dan vijftien landen en begin 2003 in totaal ongeveer 1500 werknemers. Het hoofdkantoor is gevestigd in Helsingborg, Zweden. Tot 1 oktober 2003 waren de aandelen Jomed N.V. genoteerd aan de beurs van Zürich, SWX Exchange.

(ii) De Funds zijn uit hoofde van een investering in c.q. een lening aan Jomed N.V. van € 12.500.000,-- houders van zg. convertible debentures, door Jomed aan de Funds uitgegeven effecten die onder bepaalde voorwaarden in aandelen Jomed N.V. kunnen worden geconverteerd. De Funds zijn uitsluitend crediteuren van Jomed N.V., terwijl een aantal andere crediteuren in het faillissement van Jomed N.V. crediteur is van zowel Jomed N.V. als van een of meer dochtermaatschappijen van Jomed N.V.

(iii) In verband met mededelingen van Jomed N.V. begin januari 2003 dat in haar jaarrekeningen onjuiste informatie is opgenomen, hebben de Funds terugbetaling geëist van de verstrekte leningen.

(iv) Op 22 januari 2003 heeft een der Funds een verzoek tot faillietverklaring van Jomed N.V. bij de rechtbank te Amsterdam ingediend. Op 23 januari 2003 is aan Jomed N.V. voorlopig surseance van betaling verleend, met benoeming van thans curatoren tot bewindvoerders. Op 2 mei 2003 is Jomed N.V. failliet verklaard met aanstelling van de curatoren als zodanig.

(v) Op 27 augustus 2003 hebben de Funds een verzoek ingediend als bedoeld in art. 69 F., onder meer ertoe strekkende dat de rechter-commissaris de curatoren zou bevelen het openbaar verslag van 1 juni 2003 aan te vullen. Tegen de afwijzende beschikking van de rechter-commissaris op dit verzoek zijn de Funds bij de rechtbank in hoger beroep gekomen.

(vi) In de op 2 oktober 2003 gehouden verificatie-vergadering gehouden is een crediteurencommissie benoemd waarin een der Funds zitting heeft.

(vii) Tijdens de verificatievergadering is door de Funds mondeling een verzoek als bedoeld in art. 69 F. aan de rechter-commissaris gedaan met betrekking tot de verstrekking van informatie door de curatoren. De curatoren hebben op de op schrift gestelde vragen die de Funds beantwoord wilden zien, op verzoek van de rechter-commissaris, bij brief van 20 oktober 2003 gereageerd. De rechter-commissaris heeft geoordeeld dat de reactie van de curatoren aan de daartoe gestelde eisen voldoet en het verzoek afgewezen voor zover niet anders bleek. Hiertegen zijn de Funds in hoger beroep gekomen bij de rechtbank.

(viii) Tegen de beschikking van de rechtbank van 7 april 2004, waarbij de rechtbank op beide hoger beroepen heeft beslist, hebben de Funds beroep in cassatie ingesteld. De Hoge Raad heeft bij beschikking van heden (nr. R04/053) het beroep verworpen.

3.2 In het onderhavige kort geding hebben de Funds gevorderd dat de curatoren wordt bevolen op straffe van een dwangsom bepaalde, nader gespecificeerde informatie aan hen te verstrekken. Daartoe hebben de Funds zich beroepen op art. 3:15j, aanhef en onder d, BW. De voorzieningenrechter heeft de vordering afgewezen op de grond dat de Funds geen rechtstreeks en voldoende belang hebben als bedoeld in de aanhef van dat artikel. Het hof heeft het vonnis van de voorzieningenrechter bekrachtigd.

4. Beoordeling van het middel in het principale beroep

4.1 Onderdeel 1 klaagt dat het hof de grondslag van de vordering van de Funds heeft vernauwd tot het beroep op art. 3:15j BW, ofschoon de Funds zich voor hun vorderingen ook uitdrukkelijk hebben beroepen op een naar ongeschreven recht bestaande verplichting van curatoren tot het verstrekken van de nodige informatie en het afleggen van verantwoording. De klacht faalt, aangezien het hof de laatstbedoelde grondslag niet onbesproken heeft gelaten maar deze in rov. 4.9 (slot) van zijn arrest ontoereikend heeft geacht. Voor zover het onderdeel strekt ten betoge dat dit oordeel onjuist is, is het eveneens ongegrond. Gelet op het stelsel van de Faillissementswet en in het bijzonder in verband met het beginsel van gelijkheid van schuldeisers moet worden aangenomen dat, naast de specifieke bepalingen van die wet met betrekking tot het verschaffen van inlichtingen en de mogelijkheid op de voet van art. 69 F. de curator te nopen tot het verstrekken van inlichtingen omtrent het beheer en de vereffening van de boedel, in beginsel geen plaats is voor een uit het ongeschreven recht voortvloeiende verplichting van de curator aan een individuele schuldeiser de door deze gewenste inlichtingen te verstrekken en verantwoording af te leggen.

4.2 Uit hetgeen hiervoor in 4.1 is overwogen, vloeit ook voort dat met betrekking tot de door de curator gevoerde boekhouding van het beheer en de vereffening van de failliete boedel, naast de in art. 76 F. aan de commissie uit de schuldeisers gegeven bevoegdheid te allen tijde raadpleging van de boeken, bescheiden en andere gegevensdragers, op het faillissement betrekking hebbende, te vorderen en de bevoegdheid van een individuele schuldeiser op de voet van art. 69 F. en binnen de grenzen van die bepaling een bevel aan de curator uit te lokken die boekhouding open te leggen of daarin inzage te verlenen, geen plaats is voor een daartoe strekkende vordering op grond van art. 3:15j BW. Aangenomen moet dan ook worden dat, zoals het hof met juistheid in zijn rov. 4.9 heeft overwogen, een schuldeiser daarbij niet een "rechtstreeks en voldoende belang" heeft als in deze bepaling bedoeld, en dat het toepassingsgebied van art. 3:15j, aanhef en onder d, BW beperkt is tot de boekhouding van de failliet, voor zover deze betrekking heeft op het tijdperk tot aan diens faillietverklaring. Met betrekking tot dit laatste heeft het hof terecht nog gewezen op de verschillende formulering van art. 3:15j, onder d, en art. 76 F.: enerzijds boekhouding "van de failliet" en anderzijds boeken, bescheiden en andere gegevensdragers "op het faillissement betrekking hebbende".

Op dit een en ander stuiten de klachten van de onderdelen 2, 3, 4, 5 en 6 alle af.

4.3 Onderdeel 7 bouwt voort op de hiervoor behandelde onderdelen en moet het lot daarvan delen.

5. Beoordeling van het middel in het incidentele beroep

5.1 Onderdeel 1, dat zich richt tegen rov. 4.7, 4.9 en 4.11, gaat uit van de veronderstelling dat het hof daarin tot uitdrukking heeft willen brengen dat een individuele schuldeiser op grond van art. 69 F. een onbeperkt recht heeft op het verkrijgen van inlichtingen. Het onderdeel kan bij gebrek aan feitelijke grondslag niet tot cassatie leiden. Uit niets blijkt dat het hof zou hebben miskend dat het voorschrift van art. 69 F. een beperkte strekking heeft en in beginsel slechts is gegeven om de daarin genoemden invloed toe te kennen op het beheer over de failliete boedel en om, zo zij menen dat bij dit beheer fouten worden gemaakt, deze te doen herstellen of voorkomen, en niet om hen in de gelegenheid te stellen op deze eenvoudige wijze aan hen persoonlijk toekomende rechten tegenover de boedel geldend te maken (HR 10 mei 1985, nr. 6771, NJ 1985, 792, rov. 3.2), en dat de mogelijkheid voor een individuele schuldeiser op de voet van deze bepaling inlichtingen - daaronder begrepen de openlegging van de op het faillissement betrekking hebbende boekhouding, waarom het in dit geding gaat - te verkrijgen, dienovereenkomstig is beperkt.

5.2 Gelet op hetgeen hiervoor in 4.2 en 4.3 is overwogen, behoeft onderdeel 2, dat is voorgesteld onder de voorwaarde dat de onderdelen 5, 6 en 7 van het principale beroep tot vernietiging van het arrest van het hof zouden leiden, geen behandeling.

6. Beslissing

De Hoge Raad:

In het principale beroep:

verwerpt het beroep;

veroordeelt de Funds in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de curatoren begroot op € 359,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris;

In het incidentele beroep:

verwerpt het beroep;

veroordeelt de curatoren in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de Funds begroot op € 68,07 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president P. Neleman als voorzitter en de raadsheren J.B. Fleers, D.H. Beukenhorst, O. de Savornin Lohman en J.C. van Oven, en in het openbaar uitgesproken door de vice-president P. Neleman op 21 januari 2005.