Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2005:AR3174

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
21-01-2005
Datum publicatie
21-01-2005
Zaaknummer
C03/260HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2005:AR3174
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

21 januari 2005 Eerste Kamer Nr. C03/260HR JMH/AT Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van: de coöperatie DE ZEVEN PROVINCIËN U.A., gevestigd te Meppel, EISERES tot cassatie, advocaat: mr. R.A.A. Duk, t e g e n 1. [Verweerder 1], 2. [Verweerster 2], beiden wonende te [woonplaats], VERWEERDERS in cassatie, advocaten: mrs. G. Snijders en D. Stoutjesdijk. 1. Het geding in feitelijke instanties...

Wetsverwijzingen
Mededingingswet 6, geldigheid: 2005-01-21
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2005, 30
NJ 2005, 258
RvdW 2005, 16
JWB 2005/20

Uitspraak

21 januari 2005

Eerste Kamer

Nr. C03/260HR

JMH/AT

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

de coöperatie DE ZEVEN PROVINCIËN U.A.,

gevestigd te Meppel,

EISERES tot cassatie,

advocaat: mr. R.A.A. Duk,

t e g e n

1. [Verweerder 1],

2. [Verweerster 2],

beiden wonende te [woonplaats],

VERWEERDERS in cassatie,

advocaten: mrs. G. Snijders en D. Stoutjesdijk.

1. Het geding in feitelijke instanties

Verweerders in cassatie - verder te noemen: [verweerder] c.s. - hebben bij exploot van 19 augustus 2002 eiseres tot cassatie - verder te noemen: De Zeven Provinciën - in kort geding gedagvaard voor de voorzieningenrechter van de rechtbank (sector civiel) te Assen en gevorderd bij vonnis voorzover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad en op de minuut op alle dagen en uren De Zeven Provinciën te gebieden om uiterlijk vanaf 24 uur na betekening van het in dezen te wijzen vonnis:

1. de op het bedrijf van [verweerder] c.s. geproduceerde en door deze daartoe aangeboden melk af te (doen) nemen en af te blijven (doen) nemen, zonder [verweerder] c.s. te verplichten te beschikken over een KKM-certificering, zoals bedoeld in het Erkenningsreglement Veehouderijbedrijven van de Stichting Keten Kwaliteit Melk, en zonder hen te verplichten te beschikken over een FCDF-erkenning overeenkomstig het Praktijkreglement, onder verbeurte van een aan [verweerder] c.s. ten laste van De Zeven Provinciën te betalen dwangsom van € 1.500,-- per dag met een maximum van € 50.000,-- per jaar;

2. aan [verweerder] c.s. - al dan niet bij wijze van vooruitbetaling - uit te betalen de prijs voor de door [verweerder] c.s. bij De Zeven Provinciën afgezette c.q. af te zetten melk, zonder dat op deze prijs een inhouding of korting in de ruimste zin des woords wordt toegepast dan wel zonder dat met deze prijs kosten worden verrekend welke direct of indirect verband houden met het ontbreken van een KKM-certificering, of daaraan gerelateerd FCDF-borgingssysteem, een en ander op verbeurte van een ten laste van De Zeven Provinciën aan [verweerder] c.s. te betalen dwangsom van € 1.500,-- voor iedere dag dat De Zeven Provinciën na betekening van het in deze te wijzen vonnis met nakoming hiervan in gebreke blijft;

3. De Zeven Provinciën te verbieden om het aan [verweerder] c.s. toekomende melkgeld te korten of kosten in rekening te brengen wegens KKM, een en ander op verbeurte van een ten laste van De Zeven Provinciën aan [verweerder] c.s. te betalen dwangsom van € 1.500,-- per dag;

4. (de reeds vanaf 1 april 2000 toegepaste inhouding op de melkprijs door De Zeven Provinciën aan [verweerder] c.s. in rekening gebrachte en te brengen kosten ongedaan te maken en) aan [verweerder] c.s. uit te betalen het bedrag dat gelijk is aan het totaal-bedrag dat tot de dag waarop het in dezen te wijzen vonnis wordt betekend in verband met het ontbreken van de KKM-certificering reeds op de uitbetaling van de melkprijs is ingehouden wegens KKM-korting, zulks te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 7 september 2000, althans vanaf 15 februari 2002, althans met ingang van de dag van de dagvaarding en met veroordeling van De Zeven Provinciën in de kosten van deze procedure.

De Zeven Provinciën heeft de vorderingen bestreden.

De voorzieningenrechter heeft bij vonnis van 17 september 2000 de gevraagde voorzieningen afgewezen.

Tegen dit vonnis hebben [verweerder] c.s. hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te Leeuwarden.

Bij arrest van 23 april 2003 heeft het hof het vonnis van de voorzieningenrechter vernietigd en, opnieuw rechtdoende, de vorderingen van [verweerder] c.s. grotendeels toegewezen.

Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof heeft De Zeven Provinciën beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

[Verweerder] c.s. hebben geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.

De conclusie van de Advocaat-Generaal L.A.D. Keus strekt tot vernietiging en verwijzing.

De advocaten van [verweerder] c.s. hebben bij brief van 15 oktober 2004 op die conclusie gereageerd.

3. Beoordeling van het middel

3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) [Verweerder 1] is melkveehouder. Hij is lid van de zuivelcoöperatie De Zeven Provinciën en is uit dien hoofde verplicht de door hem geproduceerde melk aan De Zeven Provinciën te leveren. De Zeven Provinciën is houder van alle aandelen in Friesland Coberco Dairy Foods Holding N.V. (hierna: Friesland Coberco). Een werkmaatschappij van deze vennootschap, Friesland Coberco Dairy Foods B.V., verwerkt de aan De Zeven Provinciën geleverde melk.

(ii) Door de Nederlandse Zuivelorganisatie NZO (zuivelindustrie) en de Land- en tuinbouworganisatie Nederland LTO (melkveehouders) is op 12 december 1997 de Stichting Keten Kwaliteit Melk (hierna: KKM) opgericht. Vrijwel alle melkverwerkende bedrijven, die een gezamenlijk aandeel van ruim 98% van de markt in boerderijmelk hebben, zijn bij KKM aangesloten. Ook Friesland Coberco is bij KKM aangesloten. KKM stelt zich blijkens haar statuten ten doel "het bevorderen van preventieve kwaliteits- en imagozorg bij de producenten van rauwe melk", alsmede "het beheren en uitvoeren van een onafhankelijke erkenningsregeling die maatregelen ten behoeve van preventieve kwaliteits- en imagozorg bij producenten van rauwe melk aantoonbaar en zichtbaar maakt". In dit kader heeft KKM een erkenningsregeling in het leven geroepen, het KKM-systeem, aan de (in een zestal modules geordende) voorschriften waarvan melkveehouders moeten voldoen. Dit systeem moet de kwaliteit van de geleverde melk waarborgen en wordt ook wel aangeduid als "borgingssysteem". Het KKM-systeem is neergelegd in het door KKM gehanteerde Reglement Aangeslotenen en het Erkenningsreglement veehouderij-bedrijven.

(iii) KKM heeft voor het KKM-systeem bij de Nederlandse mededingingsautoriteit (hierna: NMa) ontheffing gevraagd van het verbod van art. 6 lid 1 Mw. Bij besluit van de d-g NMa van 14 maart 2000 is de gevraagde ontheffing afgewezen, aangezien geen inbreuk wordt gemaakt op art. 6 Mw, nadat KKM had laten weten dat de art. 9-12 van het Reglement Aangeslotenen - waarin, kort samengevat, voor alle aangesloten melkverwerkende bedrijven de verplichting was neergelegd om boerderijmelk, bestemd voor menselijke consumptie, slechts af te nemen van melkveehouders die hetzij het KKM-certificaat hebben verkregen hetzij kunnen aantonen materieel aan de KKM-eisen te voldoen - in afwachting van een nadere publiekrechtelijke regeling omtrent de productie van melk buiten toepassing zullen worden gelaten.

(iv) Naar aanleiding van nader overleg tussen Friesland Coberco en de NMa heeft eerstgenoemde haar beleid aangepast, in die zin dat zij een eigen borgingssysteem, het Friesland Coberco Dairy Foods systeem (hierna: het FCDF-systeem), in het leven heeft geroepen. Zowel het KKM-systeem als het FCDF-systeem wordt door KKM uitgevoerd. Vanaf 1 april 2000 heeft De Zeven Provinciën haar leden verplicht te voldoen aan de eisen van het KKM-systeem dan wel, subsidiair, aan de eisen van het FCDF-systeem. Wanneer een melkveehouder niet aan de eisen van het FCDF-systeem voldoet, wordt de melk van zijn bedrijf gescheiden opgehaald en verwerkt. De kosten hiervan worden bij de melkveehouder in rekening gebracht.

(v) [Verweerder 1] weigert om principiële redenen aan het FCDF-systeem mee te werken. Om die reden heeft De Zeven Provinciën [verweerder 1] vanaf 1 april 2000 kortingen op het melkgeld opgelegd.

3.2 [Verweerder 1] heeft gevorderd, samengevat, dat De Zeven Provinciën wordt geboden de op het bedrijf van [verweerder 1] geproduceerde melk af te nemen, zonder [verweerder 1] te verplichten over een KKM-certificering en/of een FCDF-erkenning te beschikken, en voorts aan [verweerder 1] de prijs uit te betalen voor de door [verweerder 1] geleverde melk, zonder dat op deze prijs een korting wordt toegepast in verband met het ontbreken van zodanige certificering of erkenning. Daarnaast heeft [verweerder 1] betaling gevorderd van de reeds op de melkprijs ingehouden kortingen

De voorzieningenrechter heeft de gevraagde voorzieningen geweigerd.

Het hof heeft het vonnis van de voorzieningenrechter vernietigd en de gevraagde voorzieningen alsnog toegewezen.

3.3 In zijn arrest van 19 september 2003, C020/039, NJ 2004, 163, heeft de Hoge Raad geoordeeld over de vraag of het KKM-systeem, zoals gehanteerd door Zuivelcoöperatie Campina U.A. een onaanvaardbare mededingingsbeperking in de zin van art. 6 Mw opleverde. Daarbij heeft de Hoge Raad overwogen dat het oordeel van het hof, dat tussen Campina en de overige bij de KKM aangesloten zuivelverwerkende bedrijven sprake was van onderling afgestemde feitelijke gedragingen in de zin van genoemde wet, niet getuigde van een onjuiste rechtsopvatting. Naar aanleiding daarvan heeft De Zeven Provinciën de klachten van de onderdelen a, b, c, d en de eerste twee volzinnen van onderdeel e ingetrokken.

3.4 In rov. 6 heeft het hof geoordeeld dat De Zeven Provinciën handelt in strijd met het verbod van art. 6 lid 1 Mw. De Zeven Provinciën, aldus het hof, hanteert een borgingssysteem dat weliswaar een eigen naam heeft, doch wat betreft inhoud nagenoeg identiek is aan het door de andere melkverwerkende bedrijven gehanteerde KKM-systeem, en voor ongeveer 20% uit bovenwettelijke eisen bestaat; dit impliceert dat De Zeven Provinciën melkveehouders als [verweerder 1] bovenwettelijke eisen stelt, terwijl deze eisen feitelijk ook door vrijwel alle andere melkverwerkende bedrijven worden gesteld. Het hof vervolgt:

"Weliswaar wordt het [verweerder 1] juridisch gezien niet onmogelijk gemaakt om melk te leveren aan De Zeven Provinciën. Door het in rekening brengen van substantiële extra kosten voor gescheiden ophalen en verwerken van de melk, waardoor de opbrengstprijs van door hem geproduceerde melk beduidend lager is dan die van wel erkende bedrijven, wordt het melkveehouders als [verweerder 1] echter feitelijk onmogelijk gemaakt om melk af te leveren die voldoet aan de wettelijke eisen maar niet voldoet aan de eisen van het FCDF- dan wel KKM-borgingssysteem. Daarbij dient nog te worden opgemerkt dat van de zijde van De Zeven Provinciën niet betwist is dat er voor [verweerder 1] geen andere mogelijkheden zijn om zijn niet FCDF-gecertificeerde melk te laten afnemen."

3.5 Onderdeel e - voor zover niet ingetrokken - klaagt terecht dat het hof met zijn oordeel in rov. 6 heeft miskend dat het aan De Zeven Provinciën vrijstaat om ondernemingen die niet aan het FCDF-systeem willen deelnemen, de in dat geval optredende extra-kosten in rekening te brengen, ook indien deze zo substantieel zijn dat het hun feitelijk onmogelijk wordt gemaakt melk die aan de wettelijke eisen voldoet af te leveren of, anders gezegd, ook indien deze kosten de rentabiliteit van hun melkveehouderijen zouden aantasten.

De motiveringsklachten van onderdeel e behoeven daarom geen behandeling.

3.6 Onderdeel f is gericht tegen rov. 8 en strekt ten betoge dat het hof bij de beantwoording van de vraag of ingrijpen van de rechter in kort geding op zijn plaats is, niet buiten beschouwing had mogen laten dat de in rov. 8 gememoreerde verordening, de "Zuivelverordening 2002, Integrale borging kwaliteit boerderijmelk", binnenkort in werking zou treden (en inmiddels in werking getreden is). De stukken van het geding laten echter geen andere lezing toe dan dat De Zeven Provinciën in de feitelijke instanties niet heeft aangevoerd dat een spoedeisend belang aan de zijde van [verweerder 1] ontbrak. Anders dan het onderdeel wil, behoefde het (impliciete) oordeel van het hof dat van een voldoende spoedeisend belang sprake was dan ook geen nadere motivering.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt het arrest van het gerechtshof te Leeuwarden van 23 april 2003;

verwijst het geding naar het gerechtshof te Arnhem ter verdere behandeling en beslissing;

veroordeelt [verweerder 1] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van De Zeven Provinciën begroot op € 394,38 aan verschotten en € 1.590,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president P. Neleman als voorzitter en de raadsheren J.B. Fleers, D.H. Beukenhorst, P.C. Kop en F.B. Bakels, en in het openbaar uitgesproken door de vice-president P. Neleman op 21 januari 2005.