Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2005:AR2425

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
18-01-2005
Datum publicatie
18-01-2005
Zaaknummer
02973/03
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2005:AR2425
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Heling hawalagelden. In de bewezenverklaring wordt met "hawala" gedoeld op een constructie die inhield dat, nadat uit handel in verdovende middelen verkregen gelden door een mededader in Engeland waren ontvangen, bedragen van diezelfde grootte door een andere mededader aan verdachte in Nederland werden verstrekt, waarna tussen genoemde mededaders verrekening plaatsvond. Onjuist is de opvatting dat, nu het door verdachte verworven geld in fysieke zin niet het geld was dat door de mededader in Engeland was ontvangen, niet kan worden gezegd dat de door verdachte ontvangen geldbedragen door misdrijf waren verkregen.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht
Wetboek van Strafrecht 416
Wetboek van Strafvordering
Wetboek van Strafvordering 315
Wetboek van Strafvordering 328
Wetboek van Strafvordering 330
Wetboek van Strafvordering 415
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NS 2005, 61
NBSTRAF 2005/61
JOL 2005, 42
NJ 2005, 165
JOW 2006, 4

Uitspraak

18 januari 2005

Strafkamer

nr. 02973/03

LR/SM

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 24 juli 2001, nummer 23/001312-00, in de strafzaak tegen:

[verdachte], geboren te [geboorteplaats] (Pakistan) op [geboortedatum] 1966, wonende te [woonplaats].

1. De bestreden uitspraak

Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Arrondissementsrechtbank te Amsterdam van 13 april 2000, voorzover aan 's Hofs oordeel onderworpen, - a. de inleidende dagvaarding wat betreft feit 1 nietig verklaard, doch slechts voorzover daarin "of schuldheling" staat vermeld bij de misdrijven, op het plegen waarvan de hier bedoelde criminele organisatie het oogmerk zou hebben gehad; b. de inleidende dagvaarding wat betreft de feiten 2 primair en 3 primair nietig verklaard, doch slechts voorzover daarin staat vermeld: (wat betreft feit 2 primair) "en/of opzettelijk uit de opbrengst (gedeelten van) van na te noemen geldbedragen, welke door de handel in verdovende middelen, in elk geval door enig misdrijf waren verkregen, voordeel getrokken door het aannemen of verwerven van de tegenwaarde in andere valuta daarvan", en (wat betreft feit 3 primair) "en/of opzettelijk uit de opbrengst van (gedeelten van) na te noemen geldbedragen, welke door de handel in verdovende middelen, in elk geval door enig misdrijf waren verkregen, voordeel getrokken door het aannemen of verwerven van de tegenwaarde in andere valuta daarvan" en c. de inleidende dagvaarding wat betreft feit 2 subsidiair nietig verklaard, doch slechts voorzover daarin staat vermeld: "en/of uit de opbrengst van (gedeelten van) na te noemen door misdrijf verkregen geldbedrag(en) voordeel getrokken door het aannemen of verwerven van de tegenwaarde in andere valuta daarvan" en de verdachte vrijgesproken van het bij inleidende dagvaarding onder 2 primair, subsidiair en meer subsidiair tenlastegelegde en voorts ter zake van 1. "deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven" en 3. "medeplegen van opzetheling, meermalen gepleegd" veroordeeld tot drie jaren gevangenisstraf, waarvan één jaar voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren, met onttrekking aan het verkeer zoals in het arrest omschreven.

2. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. A.E.M. Röttgering, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld.

De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Wortel heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest, maar uitsluitend ten aanzien van de strafoplegging, tot vermindering van de opgelegde straf en tot verwerping van het beroep voor het overige.

3. Beoordeling van het derde middel

3.1. In het middel wordt onder meer geklaagd dat het Hof ten onrechte niet heeft beslist omtrent het verzoek van de verdediging tot het horen van een getuige.

3.2. De aan het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep gehechte pleitaantekeningen houden, voorzover hier van belang, het volgende in:

"Met name [betrokkene 1] en (...) hebben belastend over mijn cliënt verklaard.(...)

Conclusie

(...)

Opvallend in het vonnis is dat de rechtbank voorbij is gegaan aan vrijwel alle verklaringen zoals die zijn afgelegd bij de RC (...). Voor het overige heeft de rechtbank het bewijs en de overtuiging geput uit politieverklaringen. Zelfs in het geval van [betrokkene 1], die zijn verklaringen niet heeft getekend, zich bij de RC op zijn verschoningsrecht beroept op de vraag of hij toen de waarheid heeft gesproken en ter zitting heeft verklaard dat die verklaringen niet kloppen en dat hij daarom niet getekend heeft. (...)

Ik meen dat duidelijk is dat (...) en [betrokkene 1] onbetrouwbare getuigen zijn en hun verklaringen diezelfde kwalificatie verdienen. Mocht u desalniettemin overwegen (delen) van hun verklaringen tot het bewijs toe te laten, dan verzoek ik alsnog om beide heren als getuige ter zitting te horen."

3.3. Het Hof heeft in de "aanvulling verkort arrest" als bewijsmiddel 5a opgenomen een proces-verbaal van 31 mei 1999, opgemaakt door de opsporingsambtenaren Philippo en Van Rooij, inhoudende de tegenover genoemde verbalisanten afgelegde verklaring van [betrokkene 1]. Voorts houden de gebezigde bewijsmiddelen in dat [betrokkene 1] ook wel '[betrokkene 1]' wordt genoemd.

3.4. Uit het vorenstaande volgt dat een verzoek is gedaan als bedoeld in art. 315 in verbinding met art. 328 Sv en dat de aan het verzoek verbonden voorwaarde is vervuld, zodat een uitdrukkelijke beslissing op dit verzoek was vereist. Noch het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep, noch het bestreden arrest houdt een beslissing in op dat verzoek. Dat verzuim heeft ingevolge art. 330 in verbinding met art. 415 Sv nietigheid tot gevolg.

3.5. Het middel is dus in zoverre terecht voorgesteld.

4. Beoordeling van het eerste middel

4.1. In het middel wordt er in onderdeel C over geklaagd dat de bewezenverklaring onder 3 voor wat betreft de misdadige herkomst van de geldbedragen ontoereikend is gemotiveerd.

4.2. Het Hof heeft, voorzover voor de beoordeling van het middel van belang, onder 3 bewezenverklaard dat de verdachte:

"in de periode van 1 juli 1998 tot en met 31 mei 1999 te Amsterdam telkens tezamen en in vereniging met anderen of een ander zich meermalen schuldig heeft gemaakt aan opzetheling, immers hebben verdachte en zijn mededaders goederen, te weten na te noemen geldbedragen, verworven en voorhanden gehad en overgedragen, terwijl hij, verdachte, en zijn mededaders ten tijde van het verwerven en voorhanden krijgen van die geldbedragen wisten dat deze door de handel in verdovende middelen, in elk geval door enig misdrijf verkregen waren:

- in de periode van 9 oktober 1998 tot en met 12 oktober 1998: een groot geldbedrag (Hawala 1) en

- in de periode van 10 november 1998 tot en met 15 november 1998: een groot geldbedrag (Hawala 3) en

- in de periode van 16 november 1998 tot en met 19 november 1998: 656.500 Nederlandse guldens (Hawala 4) en

- in de periode van 16 januari 1999 tot en met 18 januari 1999: een groot geldbedrag (Hawala 6) en

in de periode van 20 januari 1999 tot en met 25 januari 1999: grote geldbedragen (Hawala 7 en 8)."

4.3. In cassatie moet ervan worden uitgegaan dat in de bewezenverklaring met "hawala" steeds wordt gedoeld op een constructie die inhield dat, nadat door misdrijf verkregen geldbedragen door een mededader in Engeland waren ontvangen, bedragen van diezelfde grootte door een andere mededader aan de verdachte in Nederland werden verstrekt, waarna tussen genoemde mededaders verrekening plaatsvond. Het middelonderdeel berust op de opvatting dat, nu dat door de verdachte aldus verworven geld in fysieke zin niet het geld was dat door de mededader in Engeland was ontvangen, niet kan worden gezegd dat de door de verdachte verworven geldbedragen, zoals is bewezenverklaard, door misdrijf waren verkregen. Die opvatting is onjuist, zodat dit onderdeel van het middel faalt.

5. Beoordeling van het vierde middel

5.1. Het middel behelst de klacht dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden.

5.2. De verdachte heeft op 7 augustus 2001 beroep in cassatie ingesteld. Blijkens een op de inventaris van de stukken geplaatst stempel zijn deze op 19 december 2003 ter griffie van de Hoge Raad binnengekomen.

Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Het middel is dus in zoverre terecht voorgesteld. De rechter naar wie de zaak zal worden verwezen zal ingeval van strafoplegging die overschrijding daarbij dienen te betrekken.

6. Beoordeling van de overige klachten

De klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

7. Slotsom

Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven en als volgt moet worden beslist.

8. Beslissing

De Hoge Raad:

Vernietigt de bestreden uitspraak;

Verwijst de zaak naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren G.J.M. Corstens, B.C. de Savornin Lohman, J.W. Ilsink en J. de Hullu, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 18 januari 2005.