Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2005:AR1497

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
13-05-2005
Datum publicatie
13-05-2005
Zaaknummer
39144
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2005:AR1497
In cassatie op : ECLI:NL:GHARN:2002:AF2043
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Emigratieheffing, verplaatsing feitelijke leiding pensioen-B.V. gelijktijdig met emigratie pensioengenieter, artikel 18 van het Belastingverdrag Nederland-België.

Wetsverwijzingen
Wet op de loonbelasting 1964 11c
Wet op de loonbelasting 1964 11b
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2005, 725 met annotatie van Lucas Luijckx
FutD 2005-0951 met annotatie van Fiscaal up to Date
BNB 2005/232 met annotatie van P. Kavelaars
Belastingadvies 2005/11.1
V-N 2005/27.9 met annotatie van Redactie
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Nr. 39.144

13 mei 2005

EC

gewezen op het beroep in cassatie van X te Z (België) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem van 1 november 2002, nr. 00/01713, betreffende na te melden aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.

1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof

Aan belanghebbende is voor het jaar 1996 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 401.253, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.

Het Hof heeft het beroep ongegrond verklaard. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.

De Advocaat-Generaal P.J. Wattel heeft op 14 juli 2004 geconcludeerd tot gegrondverklaring van het beroep.

Beide partijen hebben schriftelijk op de conclusie gereageerd.

3. Beoordeling van de middelen

3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

Belanghebbende is directeur en enig aandeelhouder van A BV. A BV heeft belanghebbende een pensioenrecht toegekend dat voorziet in een ouderdomspensioen en een weduwen- en wezenpensioen. Op 18 september 1996 is belanghebbende met zijn gezin geëmigreerd naar België. Gelijktijdig daarmee is de zetel van A BV naar België verplaatst. Als gevolg hiervan is de onderhavige heffing toegepast, naar een tijdstip onmiddellijk voorafgaande aan de emigratie van belanghebbende.

3.2. Voor het Hof was onder meer in geschil of door de verplaatsing van de zetel van A BV naar België de waarde van de pensioenaanspraak ingevolge artikel 49, lid 1, letter b, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (tekst 1996) in verbinding met artikel 11b, lid 1, letter d, en artikel 11c, lid 1, letter a, van de Wet op de loonbelasting 1964 (tekst 1996; hierna: de Wet LB), tot het belastbare inkomen van belanghebbende over 1996 behoort en of het Belastingverdrag Nederland-België van 19 oktober 1970 (hierna: het Verdrag) aan heffing te dier zake in de weg staat.

3.3. Het Hof heeft geoordeeld dat, omdat A BV op het moment van emigratie van belanghebbende niet (meer) voldeed aan de eisen die op grond van artikel 11b van de Wet LB worden gesteld aan een verzekeraar van een pensioen als het onderhavige, de aanspraak op pensioen niet meer als een aanspraak ingevolge een pensioenregeling in de zin van de Wet LB was aan te merken waardoor op een aan de zetelverplaatsing voorafgaand tijdstip, op welk tijdstip belanghebbende nog binnenlands belastingplichtige was, de waarde van de aanspraak moet worden aangemerkt als loon uit een vroegere dienstbetrekking. Voorts heeft het Hof geoordeeld dat met betrekking tot dat loon van een grensoverschrijdende situatie geen sprake was en dat daarom het Verdrag daarop niet van toepassing is. Tegen deze oordelen richt zich het tweede middel.

3.4. In het heden gewezen arrest van de Hoge Raad in de zaak met nummer 39610, waarvan een afschrift in geanonimiseerde vorm aan dit arrest is gehecht, is beslist dat de toepassing van artikel 11c, lid 1, letter a, van de Wet LB, ten aanzien van de gerechtigde tot een pensioenaanspraak die inwoner is van België, in strijd is met artikel 18 van het Verdrag.

Er is geen reden in het onderhavige geval, waarin belanghebbende op hetzelfde tijdstip als waarop de zetel van A BV naar België is verplaatst inwoner van België is geworden, anders te oordelen. Immers niet kan worden gezegd dat hij op het moment van de zetelverplaatsing van A BV nog in Nederland en niet reeds in België woonde. Blootstelling van belanghebbende aan de toepassing van vermelde bepaling van de Wet LB komt onder deze omstandigheid dan ook in strijd met de goede trouw die in acht genomen moet worden bij de uitleg en toepassing van artikel 18 van het Verdrag. Immers, dat artikel wijst, voorzover hier van belang, het recht tot belastingheffing over pensioenen en andere soortgelijke beloningen ter zake van een vroegere dienstbetrekking die worden betaald aan een inwoner van België, bij uitsluiting toe aan België.

3.5. Middel II slaagt derhalve. De overige middelen behoeven geen behandeling. 's Hofs uitspraak kan niet in stand blijven. De Hoge Raad kan de zaak afdoen.

4. Proceskosten

De Staatssecretaris van Financiën zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

verklaart het beroep gegrond,

vernietigt de uitspraak van het Hof, alsmede de uitspraak van de Inspecteur,

vermindert de aanslag tot een aanslag naar een belastbaar inkomen van ƒ 35.252,

gelast dat de Staat aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie verschuldigd geworden griffierecht ten bedrage van € 82, alsmede het bij het Hof betaalde griffierecht ter zake van de behandeling van de zaak voor het Hof ten bedrage van ƒ 60 (€ 27,23), derhalve in totaal € 109,23,

veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 2173,50 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand,

veroordeelt de Inspecteur in de kosten van het geding voor het Hof aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op ƒ 2662,50 (€ 1207,19) voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en

wijst de Staat aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.E.M. van der Putt-Lauwers als voorzitter, en de raadsheren F.W.G.M. van Brunschot, P. Lourens, C.B. Bavinck en J.W. van den Berge, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 13 mei 2005.