Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2005:AQ7207

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
08-04-2005
Datum publicatie
08-04-2005
Zaaknummer
39822
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2005:AQ7207
In cassatie op : ECLI:NL:GHAMS:2003:AP1655
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Douaneregeling actieve verdeling. Controle na verificatie van de aangifte. Representativiteit van een monster. Indeling melkpoeder post 04022119 van de GN.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BNB 2005/245 met annotatie van B.A. van Brummelen
WFR 2005/561
WFR 2005/607
FutD 2005-0699
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Nr. 39.822

8 april 2005

EC

gewezen op het beroep in cassatie van X B.V. te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 30 mei 2003, nr. 00/90076 DK, betreffende na te melden uitnodiging tot betaling van douanerechten.

1. Uitnodiging tot betaling, bezwaar en geding voor het Hof

Belanghebbende is bij een nota van 7 april 2000 van het Productschap Zuivel uitgenodigd tot betaling van een bedrag van ƒ 61.443 aan douanerechten. Het tegen die uitnodiging door belanghebbende gemaakte bezwaar is bij uitspraak van de Voorzitter van het Productschap Zuivel (hierna: het Productschap) afgewezen.

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij de Tariefcommissie, voor welk orgaan met ingang van 1 januari 2002 het Hof in de plaats is getreden.

Het Hof heeft het beroep ongegrond verklaard. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Het Productschap heeft een verweerschrift ingediend.

Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend en het Productschap een conclusie van dupliek.

Partijen hebben de zaak doen toelichten, belanghebbende door mr. J.F. van Nouhuys, advocaat te 's-Gravenhage, en het Productschap door mr. R.L.H. IJzerman, advocaat te 's-Gravenhage.

De Advocaat-Generaal W. de Wit heeft op 6 juli 2004 geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot verwijzing van het geding.

Belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.

3. Beoordeling van de klachten

3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

3.1.1. Aan belanghebbende is op 2 februari 1999 door het Productschap vergunning voor actieve veredeling, in de in artikel 114, lid 1, letter a, van het Communautair Douanewetboek bedoelde vorm, verleend met betrekking tot onder meer de invoer van 240.000 kg vollemelkpoeder, GN-code 0404 21 19, en de bewerking/verwerking van deze en nader in de vergunning omschreven andere goederen tot Intralac A, GN-code 1901 90 99. De in de vergunning aangegeven samenstelling van de in te voeren vollemelkpoeder is: "ca. 26% vet (...)".

3.1.2. Op of omstreeks 18 februari 1999 heeft belanghebbende aangifte gedaan tot plaatsing van een partij "Melk in poedervorm (...), bevat 26% vet (...)", verpakt in 51 kisten en 20 zakken, met een totaalgewicht van 28.800 kg, onder de douaneregeling actieve veredeling met verwijzing naar de aan haar verleende vergunning.

3.1.3. Een ambtenaar van de Algemene Inspectiedienst van het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij (hierna: de AID) heeft op 24 februari 1999 in het kader van een onderzoek naar de naleving van de aan de vergunning verbonden voorwaarden een monster in drievoud genomen van het toen bij belanghebbende nog aanwezige restant van de hiervoor vermelde partij vollemelkpoeder. Het ambtsedig relaas van de bedrijfscontrole vermeldt onder meer:

"op deskundige wijze een monster genomen in 3 voud

van partij volle melkpoeder met 26% vet

verpakt in 51 kisten van 500 en 570 kg

merk, letter en/of nummer80633-11, 80679-03, 80679-

40, 80679-41

gewicht hele partij 28.800 kg

gewicht van het monster ruim 500 gram bemonsterde

hoeveelheid ca. 18.000 kg"

3.1.4. In een door de AID nadien opgemaakt bedrijfscontrolerapport wordt vermeld dat een monster voor onderzoek is ingezonden aan het Rijkskwaliteitsinstituut voor land en tuinbouwproducten (hierna: Rikilt) en dat het tweede en het derde exemplaar verzegeld bij belanghebbende zijn achtergelaten.

3.1.5. Het Rikilt heeft bij onderzoek van het hem toegezonden monster een vetgehalte van 27,2 gewichtspercenten bevonden.

3.1.6. Belanghebbende heeft vervolgens een van de door de AID bij haar achtergelaten monsters laten onderzoeken door het Rikilt. Bij dat onderzoek heeft het Rikilt een vetgehalte bevonden van 27,9 gewichtspercenten.

Belanghebbende heeft ook een aantal, door haarzelf genomen, monsters in haar eigen laboratorium doen onderzoeken. Bij dat onderzoek is steeds een vetgehalte van rond 26 gewichtspercenten bevonden.

3.1.7. Op grond van de bevindingen van het Rikilt heeft het Productschap aan belanghebbende de in het geding zijnde uitnodiging tot betaling gezonden.

3.2. Het Hof heeft geoordeeld dat belanghebbende tegenover de gemotiveerde betwisting door het Productschap niet aannemelijk heeft gemaakt dat bij de ambtelijke monsteropneming onjuistheden of onregelmatigheden zijn begaan, dat daarom het genomen monster representatief voor de ingevoerde goederen moet worden geacht en dat het Productschap terecht van het door Rikilt bevonden vetgehalte is uitgegaan. Tegen deze oordelen richt zich klacht A, uitgewerkt in de onderdelen a tot en met d.

3.2.1. Klacht A slaagt voorzover daarin het Hof wordt verweten slechts oog te hebben gehad voor de deugdelijkheid van de bemonstering van de op 24 februari 1999 bij belanghebbende aanwezige vollemelkpoeder. Door klaarblijkelijk niet van belang te achten wat het vetgehalte was van het deel van de op 18 februari 1999 aangegeven en onder de douaneregeling actieve veredeling geplaatste partij vollemelkpoeder dat ten tijde van de monsterneming reeds was verwerkt (10.800 van 28.800 kg) heeft het Hof miskend dat niet ieder deel van de hiervoor bedoelde partij een vetgehalte van circa 26% moest hebben, wilde de aangegeven partij kunnen worden geplaatst onder de douaneregeling actieve veredeling, doch dat de aangegeven partij als zodanig, derhalve in haar geheel dat vetgehalte moest hebben. Uit het onderzoek van het door de AID genomen monster uit een deel (groot 18.000 kg) van de partij had slechts dan kunnen blijken dat de onderhavige partij vollemelkpoeder een te hoog vetgehalte had om door de vergunning te kunnen worden gedekt, indien ervan mocht worden uitgegaan dat de samenstelling van die partij vollemelkpoeder homogeen was. Dit laatste is door het Hof niet vastgesteld.

3.2.2. Uit het hiervoor overwogene volgt dat 's Hofs uitspraak niet in stand kan blijven. De overige klachten behoeven geen behandeling. De Hoge Raad kan de zaak afdoen.

3.3. Belanghebbende heeft voor het Hof gesteld dat, naar ook kon blijken uit het aangifteformulier, de aangegeven partij bestond uit verschillende productiepartijen, afkomstig van verschillende producenten, dat het vetgehalte daarom van productiepartij tot productiepartij kon verschillen en dat ook per productiepartij de samenstelling van de vollemelkpoeder niet homogeen was. Nu deze stelling door de bevinding van de AID en het Rikilt onvoldoende is weersproken en - door een niet voor rekening van belanghebbende komende omstandigheid - ook niet meer kan worden weerlegd, moet het er voor worden gehouden dat de in het geding zijnde uitnodiging tot betaling feitelijke grondslag mist. Die uitnodiging moet daarom worden vernietigd.

4. Proceskosten

De voorzitter van het Productschap zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie en die van het geding voor het Hof.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

verklaart het beroep gegrond,

vernietigt de uitspraak van het Hof, alsmede de uitspraak van het Productschap en de uitnodiging tot betaling,

gelast dat het Productschap Zuivel aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie verschuldigd geworden griffierecht ten bedrage van € 348, alsmede het bij het Hof betaalde griffierecht ter zake van de behandeling van de zaak voor het Hof ten bedrage van ƒ 450 (€ 204,20), derhalve in totaal € 552,20,

veroordeelt de voorzitter van het Productschap in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 2093 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, alsmede in de kosten van het geding voor het Hof aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 805 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, derhalve in totaal € 2898, en wijst het Productschap Zuivel aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.E.M. van der Putt-Lauwers als voorzitter, en de raadsheren F.W.G.M. van Brunschot, D.G. van Vliet, P. Lourens en J.W. van den Berge, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 8 april 2005.