Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2005:AQ0284

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
11-02-2005
Datum publicatie
11-02-2005
Zaaknummer
38022
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2005:AQ0284
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

- Artikel 7 Wet omzetbelasting 1968

- Toegang landgoed

- Symbolische vergoeding

- Vrijgevigheid

Wetsverwijzingen
Wet op de omzetbelasting 1968 7
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BNB 2005/223 met annotatie van H.W.M. VAN KESTEREN
Belastingadvies 2005/4.11
WFR 2005/256
V-N 2005/11.16 met annotatie van Redactie
FutD 2005-0310
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Nr. 38.022

11 februari 2005

EC

gewezen op het beroep in cassatie van Stichting X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 22 oktober 2001, nr. 00/3306, betreffende na te melden naheffingsaanslagen in de omzetbelasting.

1. Aanslagen, bezwaar en geding voor het Hof

Aan belanghebbende zijn over de tijdvakken 1 januari 1995 tot en met 31 december 1999 en 1 januari 2000 tot en met 31 maart 2000 naheffingsaanslagen in de omzetbelasting opgelegd ten bedrage van ƒ 62.417 respectievelijk ƒ 5313, welke aanslagen, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraken van de Inspecteur zijn gehandhaafd.

Belanghebbende is tegen die uitspraken bij één geschrift in beroep gekomen bij het Hof.

Het Hof heeft het beroep ongegrond verklaard. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staatssecretaris van Financiën heeft bij vertoogschrift het cassatieberoep bestreden.

De Advocaat-Generaal W. de Wit heeft op 11 juni 2004 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep.

Belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.

3. Beoordeling van het middel

3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

3.1.1. Belanghebbende heeft als statutaire doelstelling het zijn van een instelling van algemeen maatschappelijk belang door met name het bewerkstelligen van diverse activiteiten in de sfeer van de ontspanning ten behoeve van de gehandicapte en/of zieke medemens. Belanghebbende tracht volgens haar statuten haar doel te bereiken door als eigenaar van en onder instandhouding van landgoed A te Q (hierna: het landgoed) het landgoed onder door haar te stellen voorwaarden om niet te doen gebruiken ten behoeve van de gehandicapte en/of zieke mens.

3.1.2. Het landgoed is circa 250 ha groot. Het overgrote deel van het landgoed bestaat uit bos, waar zich wild ophoudt. Het landgoed wordt niet gebruikt als productiebos; het in het kader van het onderhoud vrijkomende hout wordt verkocht. In het midden van het landgoed bevindt zich een kleine strook grond waarop graan wordt verbouwd.

Een afgescheiden gedeelte van het landgoed wordt verhuurd aan een golfclub. Op een ander afgescheiden gedeelte bevinden zich door belanghebbende verhuurde woningen. Voorts verhuurt belanghebbende stallingplaatsen voor caravans.

3.1.3. Belanghebbende is met de vereniging B (hierna: B) overeengekomen dat deze wekelijks op de dinsdag en de donderdag toegang heeft tot het landgoed, met inbegrip van het zich op het landgoed bevindende hoofdgebouw, teneinde daar gehandicapte en/of zieke mensen gelegenheid te geven te recreëren. Een klein, met rolstoelen vanuit het hoofdgebouw bereikbaar deel van het landgoed is voor dit doel ingericht. De hiervóór in 3.1.2 vermelde strook grond is bereikbaar per rolstoel, zodat de gasten daar in voorkomend geval het wild kunnen zien.

Belanghebbende ontvangt van B periodiek een opgave van het aantal personen, exclusief begeleiders en vrijwilligers, dat van het landgoed gebruik heeft gemaakt. Daarop verzendt belanghebbende aan B een factuur waarop ƒ 2,50 (inclusief omzetbelasting) per persoon in rekening wordt gebracht.

3.2. De Inspecteur heeft zich op het standpunt gesteld dat belanghebbende bij de aanwending van het landgoed ten behoeve van de recreatie van gehandicapte en/of zieke personen niet kan worden aangemerkt als ondernemer in de zin van artikel 7 van de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: de Wet), en dat belanghebbende op grond daarvan ten onrechte aan haar in rekening gebrachte omzetbelasting in aftrek heeft gebracht.

3.3. Het Hof heeft geoordeeld dat niet kan worden gesteld dat openstelling van het landgoed ten behoeve van B geschiedt ter wille van een daarmee gemoeid economisch belang, gelet op de van B ontvangen bedragen in relatie tot het gebruik van de faciliteiten door circa 2000 gehandicapte en/of zieke mensen per jaar en een - gelet op de handicap en/of ziekte - naar het Hof aanneemt vrijwel even groot aantal begeleiders en in relatie tot de omvang en de kosten van het onderhoud van het landgoed. Bijgevolg treedt belanghebbende bij de aanwending van het landgoed ten behoeve van de recreatie van gehandicapte en/of zieke personen naar 's Hofs oordeel niet op als ondernemer in de zin van artikel 7 van de Wet, doch handelt zij veeleer uit vrijgevigheid.

3.4.1. Het middel verzet zich in de eerste plaats tegen deze oordelen met het betoog dat het tegen een vergoeding (van ƒ 2,50 per persoon) verlenen van toegang tot een landgoed - ongeacht het oogmerk of resultaat ervan - heeft te gelden als een economische activiteit in de zin van artikel 4, lid 1, van de Zesde richtlijn en dat het Hof door belanghebbendes activiteiten af te zetten tegen de daarmee gemoeide kosten en dus feitelijk te toetsen aan het oogmerk of resultaat, vermeld artikel op onjuiste wijze heeft toegepast.

3.4.2. Het verrichten van prestaties tegen een vergoeding heeft in beginsel te gelden als het verrichten van economische activiteiten in de zin van artikel 4, lid 1, van de Zesde richtlijn, ongeacht het oogmerk of het resultaat van die prestaties. Dit lijdt uitzondering indien de vergoeding slechts symbolisch is, zodat in wezen sprake is van vrijgevigheid (vgl. de in de conclusie van de Advocaat-Generaal, onderdelen 5.6, 5.9 en 5.10 aangehaalde jurisprudentie). Om te bepalen of hiervan sprake is kan wel van belang zijn welke vergoeding voor soortgelijke in het maatschappelijke verkeer verrichte prestaties wordt bedongen, maar, anders dan het Hof heeft geoordeeld, niet de omstandigheid dat de vergoeding verre van kostendekkend is.

Zo in 's Hofs oordeel dat in dit geval, gelet op de verhouding tussen de ontvangen bedragen enerzijds en het gebruik van de faciliteiten van belanghebbende anderzijds, niet kan worden gesproken van economische activiteiten maar veeleer van handelingen uit vrijgevigheid, besloten ligt het oordeel dat een vergelijking met soortgelijke prestaties niet behoeft te worden gemaakt, gaat dat oordeel uit van een onjuiste maatstaf. Zo het Hof wel van dit laatste is uitgegaan, is dit oordeel zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet begrijpelijk.

3.4.3. Gelet op het vorenstaande slaagt het middel in zoverre. 's Hofs uitspraak kan niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen voor een nieuwe behandeling van de zaak, in volle omvang. Het middel behoeft voor het overige geen behandeling.

4. Proceskosten

De Staatssecretaris van Financiën zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie. Door het verwijzingshof zal worden beoordeeld of aan belanghebbende voor de kosten van het geding voor het Hof een vergoeding dient te worden toegekend.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

verklaart het beroep gegrond,

vernietigt de uitspraak van het Hof,

verwijst het geding naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest,

gelast dat de Staat aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie verschuldigd geworden griffierecht ten bedrage van € 142,06, en

veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 805 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en wijst de Staat aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.E.M. van der Putt-Lauwers als voorzitter en de raadsheren, F.W.G.M. van Brunschot, D.G. van Vliet, P. Lourens en J.W. van den Berge, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 11 februari 2005.