Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2005:AP8469

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
01-02-2005
Datum publicatie
01-02-2005
Zaaknummer
00046/04 E
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2005:AP8469
In cassatie op : ECLI:NL:GHARN:2002:AF0072
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Vuurwerkramp Enschede. 1. HR leest de bewezenverklaring en kwalificatie van feit 4 (toegesneden op art. 158.3 (oud) Sr) aldus verbeterd dat deze uitsluitend ziet op feitelijke leiding geven, nu de bewijsmiddelen niets inhouden omtrent het opdracht geven aan de bedoelde feiten. Een keuze tussen 'opdracht geven' en 'feitelijke leiding geven' is van geen belang voor de strafrechtelijke betekenis van het bewezenverklaarde. 2. Het hof heeft zonder miskenning van het begrip 'schuld' in de zin van art. 158 (oud) Sr uit de bewijsmiddelen kunnen afleiden dat het geheel van handelen en nalaten van beide verdachten getuigde van de bewezenverklaarde aanmerkelijke onvoorzichtigheid en nalatigheid en dus van schuld in de bedoelde zin van het bedrijf van verdachten. 3. 's Hofs afwijzing van het verzoek om een tegenonderzoek (betreffende vuurwerkclassificatietesten) is onjuist noch onbegrijpelijk. De opvatting dat een verzoek tot tegenonderzoek altijd moet worden toegewezen indien het tijdig en uitdrukkelijk is gedaan en zulk onderzoek nog mogelijk is, is in haar algemeenheid onjuist. 4. 's Hofs oordeel dat de brief van het OM, welke brief ten doel had het verstrekken van voorlichting aan alle betrokkenen bij de vuurwerkramp en o.m. inhield dat verdachte terecht zou staan i.v.m. de verdenking van het (opzettelijk) overtreden van milieuvoorschriften, geen toezegging aan verdachte bevat dat hij door het OM niet zou worden vervolgd t.z.v. art. 158 Sr en dat de inhoud van die brief niet van dien aard is dat verdachte daaraan het gerechtvaardigd vertrouwen heeft kunnen ontlenen dat hij t.z.v art. 158 Sr niet zou worden vervolgd, is onjuist noch onbegrijpelijk.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering
Wetboek van Strafvordering 315
Wetboek van Strafvordering 328
Wetboek van Strafvordering 330
Wetboek van Strafvordering 331
Wetboek van Strafvordering 348
Wetboek van Strafvordering 415
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2005, 82
NJ 2006, 422
NBSTRAF 2005/102
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

1 februari 2005

Strafkamer

nr. 00046/04 E

AGJ/SM

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Arnhem, Economische Kamer, van 12 mei 2003, nummer 21/001571-02, in de strafzaak tegen:

[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1962, wonende te [woonplaats].

1. De bestreden uitspraak

Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Rechtbank te Almelo van 2 april 2002 - de verdachte ter zake van 1. (onder gedachtestreepje 1, 2, 3, 4, 5 en 6) "opzettelijke overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 18.18 van de Wet milieubeheer, begaan door een rechtspersoon, terwijl verdachte, als medepleger, opdracht tot het feit heeft gegeven en feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd", 1. (onder gedachtestreepje 7) "overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 18.18 van de Wet milieubeheer, begaan door een rechtspersoon, terwijl verdachte, als medepleger, opdracht tot het feit heeft gegeven en feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd", 2. "opzettelijke overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 8.1, eerste lid van de Wet milieubeheer, begaan door een rechtspersoon, terwijl verdachte, als medepleger, opdracht tot het feit heeft gegeven en feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging", 3. (onder gedachtestreepje 1, 2 en 3) "opzettelijke overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 2 Wet milieugevaarlijke stoffen, begaan door een rechtspersoon, terwijl verdachte, als medepleger, opdracht tot het feit heeft gegeven en feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd", 4. "aan de schuld van de rechtspersoon te wijten zijn van brand en ontploffing, terwijl het feit iemands dood tengevolge heeft, begaan door een rechtspersoon, terwijl verdachte, als medepleger, opdracht tot het feit heeft gegeven en feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd" en 5., 6. en 7. "telkens medeplegen van opzettelijke overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 24 van de Wet milieugevaarlijke stoffen, meermalen gepleegd" veroordeeld ten aanzien van 1. (onder gedachtestreepje 1, 2, 3, 4, 5, en 6), 2., 3., 4., 5.,6. en 7. tot een gevangenisstraf van één jaar en bepaald dat ten aanzien van 1. (onder gedachtestreepje 7) geen straf of maatregel zal worden opgelegd, met onttrekking aan het verkeer zoals in het arrest omschreven. Voorts heeft het Hof de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering.

2. Geding in cassatie

2.1. Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben mr. J. Kuijper en mr. J.P. Plasman, beiden advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De middelen zijn bij pleidooi toegelicht.

De Advocaat-Generaal Jörg heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. De conclusie en de aanvullende conclusie zijn - voorzover van belang - aan dit arrest gehecht.

2.2. De Hoge Raad heeft kennisgenomen van het schriftelijk commentaar van mr. J. Kuijper op de conclusie van de Advocaat-Generaal en dat van de raadslieden op de aanvullende conclusie van de Advocaat-Generaal.

3. Beoordeling van het eerste middel

3.1. Het middel komt met rechts- en motiveringsklachten op tegen de bewezenverklaring van het onder 4 bewezenverklaarde feit.

3.2. Ten laste van de verdachte is onder 4 bewezenverklaard:

"dat de vennootschap onder firma SE Fireworks op 13 mei 2000 in de gemeente Enschede, aanmerkelijk onvoorzichtig en onachtzaam en nalatig in haar vuurwerkbedrijf, dat was gelegen aan de [a-straat] in de onmiddellijke nabijheid van een woonwijk,

(1) - vuurwerk aanwezig heeft gehad in de als "C2" aangemerkte werk-, ompak- en montageruimte en in de als "H" aangemerkte ruimte, zijnde elders dan in voor de opslag van vuurwerk bestemde en geschikte bewaarplaatsen; en

(2) - onverpakt vuurwerk al dan niet in combinatie met verpakt vuurwerk heeft aanwezig gehouden; en

(3) - dat bedrijf gevoerd terwijl onvoldoende maatregelen waren genomen ter voorkoming van brand en/of ontploffingen en/of het kunnen uitbreiden van brand, immers:

º waren deuren van vuurwerkopslagplaatsen de zogenoemde Mavo-boxen en (zee)containers niet zelfsluitend; en waren deze deuren onvoldoende brandwerend en

º werd vuurwerk opgeslagen gehouden in zeecontainers, welke onvoldoende brandwerend waren, en;

º was in verschillende ruimtes waar vuurwerk lag opgeslagen geen, goed functionerende sprinkler-, althans brandblusinstallatie aanwezig, en

(4) - vuurwerk opgeslagen en/of opgeslagen gehouden dat massa-explosief was, tengevolge waarvan het aan de schuld van voornoemde vennootschap onder firma te wijten is geweest dat, toen op 13 mei 2000 op enige wijze brand was ontstaan op het bedrijfsterrein van voornoemde vennootschap onder firma deze brand zich zodanig kon ontwikkelen en/of uitbreiden dat ontploffingen en branden ontstonden, welke feiten de dood van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] en [slachtoffer 6] en [slachtoffer 7] en [slachtoffer 8] en [slachtoffer 9] en [slachtoffer 10] en [slachtoffer 11] en [slachtoffer 12] en [slachtoffer 13] en [slachtoffer 14] en [slachtoffer 15] en [slachtoffer 16] en [slachtoffer 17] en [slachtoffer 18] en [slachtoffer 19] en [slachtoffer 20] ten gevolge hebben gehad, zulks terwijl hij, verdachte, tezamen en in vereniging met een ander tot de vorenomschreven strafbare feiten opdracht heeft gegeven en feitelijke leiding heeft gegeven aan de vorenomschreven verboden gedragingen."

3.3.1. Het middel behelst blijkens de toelichting onder meer de klacht dat het bewezenverklaarde "opdracht geven" tot de bedoelde feiten niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid. De door het Hof gebezigde bewijsmiddelen houden daaromtrent inderdaad niets in en houden - integendeel - in dat de gedragingen van de verdachte waaruit die opdracht zou moeten volgen (in overwegende mate) hebben bestaan uit het nalaten de vereiste maatregelen te treffen. Het middel is dus gegrond; in de bewezenverklaring zijn de woorden "tot de vorenomschreven strafbare feiten opdracht heeft gegeven en" ten onrechte opgenomen. De gegrondheid van het middel in dit opzicht behoeft evenwel niet tot cassatie te leiden, nu de Hoge Raad deze fout kan herstellen. Door deze verbetering wordt de verdachte niet in enig in rechte te respecteren belang geschaad, nu een keuze tussen 'opdracht geven' en 'feitelijke leiding geven' van geen belang is voor de strafrechtelijke betekenis van het bewezenverklaarde. De Hoge Raad leest de bestreden uitspraak dienovereenkomstig verbeterd.

3.3.2. Gelet op het voorgaande leest de Hoge Raad de kwalificatie van feit 4, zoals hiervoor onder 1 vermeld, aldus verbeterd dat deze uitsluitend inhoudt dat de verdachte feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging.

3.4. De tenlastelegging onder 4 is toegesneden op art. 158, aanhef en onder 3°(oud), Sr, welke bepaling luidt:

"Hij aan wiens schuld brand, ontploffing of overstroming te wijten is, wordt gestraft:

(...)

3° met gevangenisstraf of hechtenis van ten hoogste een jaar of geldboete van de vierde categorie, indien het feit iemands dood ten gevolge heeft."

3.5. Het in de bewezenverklaring, overeenkomstig de tenlastelegging, voorkomende begrip 'schuld' is daarin klaarblijkelijk gebezigd in de in art. 158 (oud) Sr bedoelde zin.

3.6.1. De bestreden uitspraak houdt onder het kopje

"Bewijsoverweging betreffende feit 4" het volgende in:

"Van de onder punt 4. aan de vennootschap verweten gedragingen is het hof door de inhoud van de bewijsmiddelen voldoende overtuigd. Het hof is van oordeel dat die gedragingen hebben veroorzaakt dat, toen een brand op het bedrijfsterrein was ontstaan, deze zich zodanig kon ontwikkelen en uitbreiden dat ontploffingen en branden ontstonden met de dood van de in de telastelegging genoemde personen als gevolg. Over het verloop van de brand is veel onzekerheid blijven bestaan en er kan dan ook niet gezegd worden dat alle in de telastelegging genoemde gedragingen elk voor zich de ramp veroorzaakt hebben. Voor in elk geval de laatste van de genoemde gedragingen geldt dat echter wel: dat de aanwezigheid van massa-explosief vuurwerk tot de omvang van de ramp geleid heeft, beschouwt het hof als vaststaand. Grond daarvoor is dat, zoals hiervoor ook al is overwogen, dat de aanwezigheid van te zwaar en deels naar zijn aard massa-explosief vuurwerk de ramp in redelijkheid verklaren kan en dat er geen redelijke grond is om rekening te houden met andere factoren die tot de ramp kunnen hebben bijgedragen in zodanige mate dat deze aan de aanwezigheid van te zwaar vuurwerk niet meer toegerekend zou kunnen worden.

De vraag of SE Fireworks en haar vennoten, waaronder verdachte, daaraan schuld dragen in een voor de veroordeling wegens misdrijf vereiste mate, beantwoordt het hof bevestigend. Het moge waar zijn dat juist de overtreding die bij uitstek tot de omvang van de ramp heeft bijgedragen, niet opzettelijk begaan is, de vennootschap en verdachte droegen daaraan wel schuld. Het hof is van oordeel dat het verdachte uit dien hoofde te maken verwijt zwaar moet wegen. Dat er te zwaar en massa-explosief vuurwerk opgeslagen was, wist verdachte weliswaar niet, maar slechts omdat hij er niet bij heeft stilgestaan en dat had hij uiteraard wel moeten doen. Hij was dagelijks professioneel met vuurwerk bezig en hij beschikte over de deskundigheid om de daaraan verbonden gevaren adequaat in te schatten. Hij had als ondernemer ook de verantwoordelijkheid en de verplichting over die deskundigheid te beschikken en die aan te wenden, niet slechts voor de voortgang van zijn bedrijf, maar ook voor de bescherming van allen die daardoor bedreigd konden worden.

Van de zijde van de verdediging is aangevoerd dat voor 13 mei 2000 niemand in Nederland zich bewust is geweest van de gevaren en dat is, op zijn minst in hoofdlijnen, juist. Maar de onachtzaamheid en onzorgvuldigheid van anderen pleiten verdachte niet vrij. Dat geldt bijvoorbeeld voor andere ondernemers die mogelijk soortgelijke fouten hebben gemaakt maar in wier bedrijven, in zekere zin toevallig, geen ongelukken zijn gebeurd. Het geldt ook, maar niet in dezelfde mate, voor overheden en overheidsdienaren die weliswaar in voldoende mate, maar niet op voldoende zorgvuldige wijze toezicht op de naleving van de vergunningsvoorschriften hebben gehouden. Niet in dezelfde mate omdat de wetenschap dat er controle op hun onderneming werd uitgeoefend, maar waarschuwingen, althans ernstige waarschuwingen uitbleven, bij SE Fireworks en haar vennoten de gedachte kon doen postvatten dat het met de veiligheid in de onderneming goed gesteld was. Zij hadden zich niet in slaap mogen laten sussen, maar dat zij dat toch deden is niet oninvoelbaar. Het hof is echter van oordeel dat dit weliswaar in de straftoemeting in aanmerking genomen moet worden, maar dat niettemin van aanmerkelijke schuld bij SE Fireworks en haar vennoten sprake is. Dat vloeit voort uit hun eigen en zelfstandige verantwoordelijkheid voor de onderneming die zij dreven en waarvan zij beter dan wie ook de bijzondere en gevaarlijke aard hadden moeten onderkennen."

3.6.2. De bestreden uitspraak houdt onder het kopje

'Verweren ten aanzien van de hoeveelheid en classificatie van het vuurwerk', voorzover hier van belang, het volgende in:

"Door en namens verdachte [is] er een aantal verweren gevoerd tegen de vaststelling van de hoeveelheid vuurwerk die op 13 mei 2000 bij SE Fireworks aanwezig was, en de classificatie van dit vuurwerk.

(...)

Door de verdediging is de vraag opgeworpen, wat de betekenis is van de gevarenklasse waarvan in de aan SE Fireworks verleende vergunning sprake is.

De raadsman heeft betoogd, dat in Nederland geïmporteerd vuurwerk vóór het transport wordt geclassificeerd "door een daartoe in het land van herkomst bevoegde autoriteit of afzender conform de in het Manual of Tests and Criteria beschreven beproevingsmethode". Het hof tekent aan, dat inderdaad wellicht een dergelijke handelwijze voorgeschreven is, maar dat gerede twijfel bestaat, of serieuze en betrouwbare classificatie wel steeds geschiedde door de aan SE Fireworks leverende exporterende bedrijven, dan wel door aangewezen overheidsinstanties.

De raadsman heeft in dit verband betoogd, dat als in de milieuvergunning slechts wordt toegestaan opslag van vuurwerk van de gevarenklasse 1.4G en 1.4S, daarmee niets anders bedoeld wordt dan vuurwerk dat door de daartoe bevoegde producent of de classificatie-instantie als 1.4G, dan wel 1.4S is "gelabeld".

Het hof verenigt zich niet met die visie. Het hof is van oordeel, dat, waar aan SE Fireworks was toegestaan de opslag van een bepaalde hoeveelheid vuurwerk van de klasse 1.4, eventueel te combineren met een beperkte hoeveelheid van de klasse 1.3, daarmee voor SE Fireworks een verbod gold voor het opslaan van vuurwerk, waarvan de feitelijke gevaarlijkheid groter was dan die van de klasse 1.4, respectievelijk 1.3 mocht zijn. Anders gezegd: als behorend tot de gevarenklasse 1.1 wordt in de classificatieregels aangemerkt materiaal dat massa-explosief reageert. Als aan SE Fireworks niet werd toegestaan vuurwerk van de klasse 1.1 op te slaan - en dat was niet toegestaan -, dan vloeit daaruit voort, dat het SE Fireworks niet was toegestaan massa-explosief vuurwerk (zoals in elk geval de grotere titanium shells) in voorraad te hebben; ook niet, als daarop etiketten met de vermelding 1.4G of 1.4S waren aangebracht. Een andere lezing van de milieuvergunning, die mede strekt ter afwering van gevaren voor omwonenden van bedrijven met potentieel gevaarlijke activiteiten acht het hof in strijd met de strekking van de vergunning.

Wel kan de raadsman worden toegegeven, dat onaanvaardbaar zou zijn, indien de houder van een milieuvergunning strafbaar zou zijn als hij schuldeloos vuurwerk, geëtiketteerd als 1.4G of 1.4S, maar feitelijk behorend tot een hogere gevarenklasse zou opslaan. Het hof zal dan ook onderzoeken, of, indien is komen vast te staan, dat bij SE Fireworks feitelijk te zwaar vuurwerk heeft gelegen, daarvan aan de verdachte een verwijt kan worden gemaakt.

In het classificatieonderzoek, gerelateerd in het ambtsedig proces-verbaal van de buitengewoon opsporingsambtenaar (boa) Sijmen Klaas Roosma d.d. 13 maart 2001 wordt een resultaat bereikt op basis van de voorlopige voorraadberekening. Slechts op grond van dergelijke berekeningen, uitgevoerd op basis van belangrijke delen van de administratie van SE Fireworks, aangevuld met andere methodieken, kon de hoeveelheid vuurwerk die op 13 mei 2000 was opgeslagen op het terrein van SE Fireworks worden vastgesteld, waarbij van belang is, dat het gewicht van de verschillende producten zoveel mogelijk is bepaald door weging van producten van dezelfde soort, en dat bij verschillen of afrondingen altijd is gekozen voor de uitkomst die het meest gunstig was voor verdachte. Het hof acht deugdelijk de werkwijze waarbij mede in ogenschouw is genomen de inhoud van containers die vanuit China op transport waren gezet, maar nog niet bij SE Fireworks waren aangekomen, alsmede het onderzoek naar vuurwerk dat door SE Fireworks aan derden was geleverd, en naar vuurwerk waarvan kon worden aangenomen, dat het soortgelijk was aan het door SE Fireworks opgeslagen materiaal. Bij verschil in de classificatie door TNO-PML en BAM is er gekozen voor de voor verdachte meest gunstige uitkomst.

Het hof neemt op grond van de hieronder weergegeven bevindingen, en na correctie wegens het meetellen van niet explosief hulpmateriaal, als vaststaand aan, dat zich op 12 mei 2000 op het terrein van SE Fireworks heeft bevonden ca 160 ton vuurwerk. Hiervan was ca 94 ton vuurwerk van de klasse 1.3G, ruim 5 ton van de klasse 1.2 of 1.3G, 10 ton van de klasse 1.1 of 1.3G, en ruim 800 kg titaniumshells van de klasse 1.1G.

Op grond van de vergunning was slechts toegestaan de opslag van 158,5 ton van de minder brand- en explosiegevaarlijke klasse 1.4, dan wel, indien ook vuurwerk van de klasse 1.3 was opgeslagen, van die klasse ten hoogste 2 ton, te combineren met ten hoogste 136,5 ton van de klasse 1.4, zulks terwijl de opslag van de zwaarste gevarenklasse 1.1, zijnde

massa-explosief materiaal, en van de gevarenklasse 1.2 in het geheel niet was toegestaan.

Zijdens de verdediging is op grond van een aantal naar haar oordeel noodzakelijke correctiefactoren bepleit, dat op 13 mei 2000 niet (zoals door het Tolteam berekend) ruim 170 ton vuurwerk was opgeslagen, maar slechts 118.882 kilogram. Hierbij zou in totaal 14.665 kilo moeten worden afgetrokken omdat bij de berekening was uitgegaan van verkeerde gewichten van producten. Verder zou in verband met een foutmarge van 10% 15.533 kilo moeten worden afgetrokken en 20.970 kilo omdat volgens de verdediging ten onrechte de verpakking van het vuurwerk is meegeteld in het totale gewicht.

Het hof is van oordeel dat, gelet op de inhoud van de vergunningsvoorschriften 13.2.10, 2.1.1 en 3.2.9 niet de totale hoeveelheid vuurwerk bepalend is voor de vraag of deze voorschriften zijn overschreden, maar de hoeveelheid die er per klasse aanwezig was en mocht zijn. Zelfs indien er, zoals de verdediging stelt van de medeverdachte, slechts 118.882 kilo vuurwerk aanwezig zou zijn geweest dan nog staat vast dat er op 13 mei 2000 bij SE Fireworks meer en/of zwaarder vuurwerk dan vergund was opgeslagen. Immers leiden de door de verdediging voorgestelde correcties niet tot een zodanige vermindering van het vuurwerk van de klasse 1.3 dat er niet meer dan de maximaal vergunde hoeveelheid van 2000 kilo aanwezig zou zijn geweest en wordt ook de aanwezigheid van vuurwerk van de klasse 1.1. hierdoor niet weggenomen.

Deze vèrgaande afwijking van de voorschriften verbonden aan de verleende vergunningen is naar het oordeel van het hof er oorzaak van geweest, dat de op 13 mei 2000 ontstane brand zo catastrofale gevolgen heeft gehad voor de stad Enschede en zijn bewoners. SE Fireworks heeft zeer grote hoeveelheden vuurwerk van niet of slechts zeer beperkt toegestane gevarenklasse in voorraad gehad, waarbij in het bijzonder de aanwezigheid van de hoog-explosieve titaniumshells een belangrijke rol moet hebben gespeeld bij de zware explosies die hebben plaatsgevonden. Dat grondt het hof daarop dat de aanwezigheid van te zwaar vuurwerk de ramp in redelijkheid verklaren kan en dat er geen redelijke grond is om rekening te houden met andere factoren die tot de ramp kunnen hebben bijgedragen in zodanige mate dat deze aan de aanwezigheid van te zwaar vuurwerk niet meer toegerekend zou kunnen worden.

Het hof is van oordeel, dat de vennoten van SE Fireworks niet alleen uit hoofde van hun functie verantwoordelijkheid dragen voor het ontstaan van deze zeer gevaarlijke situatie, maar dat zij ook feitelijk schuld dragen aan de opslag van deze grote hoeveelheid gevaarlijk materiaal. Weliswaar hebben zij aangevoerd, dat zij afgingen en mochten afgaan op de etikettering die door de Chinese producenten werd aangebracht, maar het hof verenigt zich daarmee niet. Gebleken is, dat op de bij SE Fireworks opgeslagen soorten vuurwerk vrijwel zonder uitzondering een etiket van de gevarenklasse 1.4 was aangebracht. Het hof is tot de overtuiging gekomen, dat die etikettering in het geheel geen verband had met de werkelijke gevaarlijkheid van het vuurwerk. Het valt te vrezen, en ook verdachte had daarmee rekening moeten houden, dat de etikettering in belangrijke mate mede werd bepaald door overwegingen van commerciële aard, in die zin, dat transport van als minder gevaarlijk geëtiketteerde soorten veel goedkoper zou zijn, zodat voor een belangrijk lagere prijs kon worden geleverd aan de importeurs dan wanneer op de verpakking kenbaar was, dat de vervoerder te maken had met vuurwerk van de klasse 1.3, 1.2 of 1.1. Verdachte moet hebben begrepen, of in elk geval hebben kunnen begrijpen, dat sommige soorten vuurwerk dan ook van een zwaardere klasse waren dan 1.4. In het bijzonder geldt dat voor de titaniumshells, waarvan bij de classificatietests zeer zware explosieve eigenschappen werden vastgesteld.

Dat geldt temeer voor verdachte, nu hij naar eigen zeggen de beschikking had over de MSDS-lijsten, bevattende de gegevens inzake de samenstelling van vuurwerk (soort en hoeveelheid) aan de hand waarvan hij zich een beeld kon vormen van de aard van het ingekochte vuurwerk. Het hof acht het uitgesloten, dat verdachte bij serieuze kennisname van deze gegevens geen twijfels heeft gehad aangaande de juistheid van de indeling in gevarenklasse, temeer, nu de etikettering naar gevarenklasse niet (zoals de verdediging stelde) hoefde te geschieden door een Chinese overheidsinstantie, maar kon plaatsvinden door de producent zelf. Het hof acht voorts een sterke aanwijzing voor verdachtes schuld in deze gelegen in het feit, dat verdachte tenminste één maal is geconfronteerd met een afwijking in indeling in gevarenklasse tussen de invoice (vermeldend 1.4) en de packing list (vermeldend 1.3); verdachte heeft daarover verklaard, dat dit probleem wel vaker voorkwam. Voor zover al niet aan verdachte duidelijk was, dat de etikettering niet geschiedde op basis van een werkelijke vaststelling van explosie- en brandgevaar maar op basis van commerciële afwegingen, moet dit hem toch aan het denken hebben gezet.

Daar komt bij, dat verdachte heeft deelgenomen aan de PTO-cursus, waarover de getuige Kodde, als docent verbonden aan deze opleiding, verklaart, dat na afloop de cursist bij het bezigen van vuurwerk het verschil kan zien tussen vuurwerk van de klasse 1.4 G/S en zwaarder vuurwerk."

3.7. Het Hof heeft bevonden dat SE Fireworks "aanmerkelijk onvoorzichtig en onachtzaam en nalatig" de in de bewezenverklaring vermelde handelingen en gedragingen heeft verricht en dus 'schuld' als bedoeld in art. 158 (oud) Sr eraan heeft dat, toen op 13 mei 2000 op enige wijze brand was ontstaan op haar bedrijfsterrein, de brand zich zodanig kon ontwikkelen en/of uitbreiden dat ontploffingen en branden ontstonden, tengevolge waarvan de genoemde personen zijn overleden, aan welke verboden gedragingen - zijnde die aan de schuld van SE Fireworks te wijten branden en ontploffingen - de verdachte feitelijke leiding heeft gegeven.

3.8.1. Vooropgesteld moet worden dat het gevolg van de bedoelde ontploffingen en branden, te weten dat de in de bewezenverklaring genoemde personen zijn overleden, aan het in art. 158, aanhef en onder 3°(oud), Sr bedoelde schuldverband is onttrokken. In cassatie moet dus worden beoordeeld of uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat SE Fireworks 'schuld' in de in art. 158 (oud) Sr bedoelde zin heeft aan een dusdanige ontwikkeling en/of uitbreiding van de aanwezige brand dat ontploffingen en branden ontstonden. Waar het Hof in de bestreden uitspraak overwegingen wijdt aan de ontwikkeling van de brand tot 'de ramp' heeft het in verband met de hier aan de orde zijnde schuldvraag alleen die ontploffingen en branden op het oog.

3.8.2. Aantekening verdient voorts dat de hier bedoelde, aan de vennootschap onder firma SE Fireworks toe te rekenen, schuld moet kunnen worden afgeleid uit het handelen en nalaten van de verdachte en zijn medeverdachte, beiden directeur en (al dan niet middellijk) vennoot van die vennootschap, dat heeft geleid tot de bewezenverklaarde ontwikkeling en uitbreiding van de brand tot de branden en ontploffingen.

3.9. Blijkens de toelichting op het middel spitsen de klachten zich erop toe dat de verdachte niet heeft kunnen voorzien dat er te zwaar en massa-explosief vuurwerk was opgeslagen en dat daaraan de gevaren waren verbonden zoals deze zich op 13 mei 2000 hebben gemanifesteerd.

3.10. Blijkens de bewijsmiddelen en de in verband daarmee gegeven nadere overwegingen heeft het Hof, kort samengevat, onder meer de volgende feiten en omstandigheden vastgesteld.

(i) De verdachte was sinds 1987 in vaste dienst werkzaam bij het in een woonwijk gelegen vuurwerkbedrijf SE Fireworks. Hij hield zich bezig met groot vuurwerk. Hij heeft in 1995 de cursus "veilig werken met groot vuurwerk" aan het Post Tertiair Onderwijs te Utrecht gevolgd. Sinds 1998 was hij mededirecteur en (middellijk) medevennoot van SE Fireworks. Hij had de leiding over de binnenwerkzaamheden, deed alle voorkomende werkzaamheden, regelde de voorbereiding van alle vuurwerkshows, bepaalde welk soort vuurwerk er werd gebruikt, vertelde wat voor soort vuurwerk klaargezet moest worden en stak shows af. Bij buitenwerkzaamheden gaf zijn medevennoot en mede-directeur advies; bij lossing van containers controleerde deze aan de hand van inventarislijsten of alles klopte.

(ii) De hier van belang zijnde voorschriften verbonden aan de aan SE Fireworks krachtens de Wet milieubeheer verleende vergunningen betreffen de opslag van vuurwerk en zijn specifiek gegeven met het oog op de brandpreventie en de brandbestrijding. De milieuvergunningen strekken mede ter afwering van gevaren voor omwonenden van potentieel gevaarlijke bedrijven als het onderhavige vuurwerkbedrijf.

SE Fireworks heeft opzettelijk in strijd met die voorschriften vuurwerk aanwezig gehad in de als "H" en als "C2" aangemerkte ruimten, die niet voor opslag van vuurwerk bestemde bewaarplaatsen waren, opzettelijk in strijd met de voorschriften vuurwerkbewaarplaatsen, waaronder de zogenoemde MAVO-boxen en een of meer zeecontainer(s), niet voorzien en voorzien gehouden van zelfsluitende toegangsdeuren en van deuren met een brandwerendheid van tenminste 30 minuten, opzettelijk in strijd met de voorschriften niet telkens zodra de werkzaamheden in de als "C2" aangemerkte werk-, ompak- en montageruimte waren beëindigd het vuurwerk weer naar een bewaarplaats doen terugbrengen, maar dit vuurwerk, onverpakt, daar achtergelaten en voorts in strijd met de voorschriften in bewaarplaatsen meer vuurwerk en/of vuurwerk van een zwaardere klasse opgeslagen. Aan die verboden gedragingen heeft de verdachte, tezamen en in vereniging met zijn medevennoot feitelijke leiding gegeven.

(iii) De verdachte wist ten tijde van de overname van het bedrijf in 1998 van het bestaan van een milieuvergunning, waarvan hij nadien ook een aantal pagina's gelezen heeft. De vergunning uit 1999 heeft de verdachte zelf aangevraagd en ondertekend. De verdachte wist dat er in de als "H" aangemerkte ruimte geen vuurwerk mocht worden opgeslagen maar dat dit ten tijde van de brand toch het geval was, dat er twee zeecontainers meer op het bedrijf geplaatst waren dan toegestaan en dat ook daarin vuurwerk was opgeslagen en dat in de als "C2" aangeduide ruimte steeds vuurwerk lag opgeslagen, waaronder ten tijde van de brand ook cakeboxen waarvan de bovenkant op geen enkele wijze was afgedekt. De verdachte was ervan op de hoogte dat er in de MAVO-boxen, de zeecontainers en in de werkbunker "C2" geen sprinklerinstallatie aanwezig was. De sprinklerinstallaties in de bunkers "C3" tot en met "C15" zijn nooit getest en op de sproeikoppen stond geen waterdruk. Ook de brandwerendheid van de deuren is nooit getest.

(iv) Op 12 mei 2000 heeft zich op het terrein van SE Fireworks ca 160 ton vuurwerk bevonden. Hiervan was ca 94 ton vuurwerk van de klasse 1.3G, ruim vijf ton van de klasse 1.2 of 1.3G, 10 ton van de klasse 1.1 of 1.3G, en ruim 800 kg titaniumshells van de klasse 1.1G. Op grond van de vergunning was slechts toegestaan de opslag van 158,5 ton van de minder brand- en explosiegevaarlijke klasse 1.4, dan wel, indien ook vuurwerk van de klasse 1.3 was opgeslagen, van die klasse ten hoogste twee ton, te combineren met ten hoogste 136,5 ton van de klasse 1.4, zulks terwijl de opslag van de zwaarste gevarenklasse 1.1, zijnde massa-explosief materiaal, en van de gevarenklasse 1.2 in het geheel niet was toegestaan. Het gaat daarbij om vergund vuurwerk waarvan de feitelijke gevaarlijkheid niet groter mocht zijn dan die van de klasse 1.4 respectievelijk 1.3. Op de bij SE Fireworks opgeslagen soorten vuurwerk was vrijwel zonder uitzondering een etiket van de gevarenklasse 1.4 aangebracht, terwijl die etikettering in het geheel geen verband hield met de werkelijke gevaarlijkheid van het vuurwerk; dat geldt in het bijzonder ook voor de bedoelde titaniumshells, ten aanzien waarvan in classificatietests zeer zware explosieve eigenschappen zijn vastgesteld.

(v) De brand die het vuurwerk in zeecontainer E2 heeft ontstoken is waarschijnlijk ontstaan door brandend of smeulend vuurwerk uitgeworpen uit de - brandende - montageruimte "C2", in welke ruimte geen vuurwerk aanwezig mocht zijn. Het massa-explosieve karakter van het aanwezige vuurwerk heeft het verdere verloop van de branden en ontploffingen bepaald. Als de situatie bij SE Fireworks geheel in overeenstemming met de vergunningsvoorschriften was geweest, had de brand in de montageruimte "C2" niet kunnen escaleren tot de heftige explosies die op 13 mei 2000 hebben plaatsgevonden. Dat de brand in "C2" toch heeft kunnen leiden tot de twee zware explosies is waarschijnlijk veroorzaakt door de aanwezigheid van vuurwerk in de montageruimte van "C2", het massa-explosief gedrag van het vuurwerk opgeslagen in MAVO-box "M7", welk gedrag geleid heeft tot een vrijwel gelijktijdige explosie van de inhoud van de MAVO-boxen "M1" tot en met "M6", en het massa-explosief gedrag van het vuurwerk opgeslagen in "C11", waarbij vrijwel tegelijkertijd de inhoud van de overige opslagruimten van de bewaarplaats en van een aantal zeecontainers is geëxplodeerd.

3.11.1. Uit de bewijsmiddelen en de daaruit blijkende vaststellingen, zoals hiervoor samengevat, heeft het Hof kennelijk - hetgeen niet onbegrijpelijk is - het volgende afgeleid.

Op de verdachte en zijn mededirecteur als professionele ondernemers van het in een woonwijk gelegen vuurwerkbedrijf, die op grond van opleiding, ervaring en dagelijkse omgang met vuurwerk moeten hebben beschikt over de deskundigheid om de aan opslag en verwerking van professioneel vuurwerk verbonden gevaren voor het leven en de gezondheid van personen, alsmede voor goederen adequaat af te wegen, rustte de plicht al die maatregelen met betrekking tot de opslag van vuurwerk te treffen die uit een oogpunt van het waarborgen van de veiligheid van personen en goederen van hen konden worden gevergd. Daartoe behoorde in het bijzonder de plicht om de bij uitstek met het oog op de brandpreventie en brandveiligheid

gegeven vergunningsvoorschriften nauwgezet na te leven.

In de vervulling van die plicht zijn zij ernstig tekortgeschoten.

Wat betreft de verboden aanwezigheid van vuurwerk in daarvoor niet bestemde ruimten, de geboden afwezigheid van onverpakt vuurwerk en de voorgeschreven zelfsluitendheid en brandwerendheid van de bedoelde deuren hebben zij de desbetreffende vergunningsvoorschriften opzettelijk niet nageleefd.

Wat betreft de in de vergunningsvoorschriften verboden opslag van te zwaar en deels naar zijn aard massa-explosief vuurwerk, waaronder de titaniumshells, hadden de verdachte en zijn medeverdachte met het oog op de bijzondere gevaarlijkheid daarvan voor het ontstaan van branden en ontploffingen en de daarvan te verwachten gevolgen - van welk bijzonder gevaar zij op grond van hun deskundigheid op de hoogte moeten zijn geweest - ter voorkoming of beperking van dit gevaar tenminste uiterst zorgvuldig behoren na te gaan of zodanig vuurwerk was opgeslagen of opgeslagen werd gehouden. Dat hebben zij nagelaten.

Het verzaken van die plicht tot controle kan - aldus nog steeds het kennelijke en niet onbegrijpelijke oordeel van het Hof - niet worden verontschuldigd met een beroep op de stelling dat de verdachte niet wist of kon voorzien dat massa-explosief vuurwerk was opgeslagen, in het bijzonder omdat zulks niet kon worden onderkend aan de hand van de desbetreffende etikettering met de classificatie 1.4 op verpakt vuurwerk. Het Hof heeft immers, niet onbegrijpelijk, vastgesteld dat de etikettering - die overigens wat betreft de feitelijke gevaarlijkheid niet meer rechtstreeks van belang is als het vuurwerk onverpakt of in een geopende verpakking is opgeslagen - in het geheel geen verband had met de werkelijke gevaarlijkheid van het vuurwerk, dat de verdachte ermee rekening had moeten houden dat deze etikettering slechts was ingegeven door commerciële overwegingen, dat de verdachte, gelet op zijn opleiding en ervaring, moet hebben begrepen dat in ieder geval sommige soorten vuurwerk, zoals de titaniumshells, van een zwaardere klasse waren dan 1.4 en dat het uitgesloten is dat de verdachte geen twijfels heeft gehad aan de juistheid van de indeling in de gevarenklasse op de etiketten van het verpakte vuurwerk. In deze vaststellingen ligt besloten dat de verdachte ook heeft kunnen weten dat er op het terrein massa-explosief vuurwerk, waaronder de titaniumshells, lag opgeslagen, maar daarvan slechts door nalatigheid geen kennis heeft gedragen.

3.11.2. Aldus heeft het Hof zonder miskenning van het begrip 'schuld' in de zin van art. 158 (oud) Sr uit de bewijsmiddelen kunnen afleiden dat het geheel van handelen en nalaten van de beide verdachten getuigde van de bewezenverklaarde aanmerkelijke onvoorzichtigheid, onachtzaamheid en nalatigheid en dus van schuld in de bedoelde zin van SE Fireworks.

3.12. De overige klachten die het middel bevat kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO geen nadere motivering nu deze klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3.13. Het middel faalt.

4. Beoordeling van het tweede middel

4.1. Het middel betreft de afwijzing van het verzoek tot het doen verrichten van een contra-expertise tegen de uitgevoerde classificatieonderzoeken en de verwerping van het verweer strekkende tot uitsluiting van het bewijs van de resultaten van die onderzoeken.

4.2.1. Het Hof heeft in zijn tussenarrest van 7 februari 2003 het verzoek om een contra-expertise afgewezen en dit als volgt gemotiveerd:

"Contra-expertise classificatie vuurwerk

De verdediging heeft verzocht om een contra-expertise ten aanzien van de classificatie van het vuurwerk. Daartoe is aangevoerd, kort weergeven, dat:

• het onderzoek niet zorgvuldig zou zijn geweest daar:

- de selectie van het vuurwerk niet zorgvuldig zou zijn geweest;

- de tests zouden zijn gericht op onderzoek naar de normering en de veiligheid van het vuurwerk waarbij bij gebrek aan informatie vuurwerk in de hoogste gevarenklasse is ingedeeld en daarmee in strafvorderlijk opzicht ongeschikt zouden zijn;

• er grote verschillen zouden zijn tussen de waarneming van effecten van vuurwerk door TNO Prins Maurits Laboratorium (TNO-PML) en Bundesanstalt für Materialforschung und -prüfung (BAM);

• de verdediging niet in de gelegenheid is gesteld de testen bij te wonen.

In het kader van deze strafzaak zijn classificatietests verricht door TNO-PML te Oldebroek en door TNO-PML en het BAM in Horstwalde (Duitsland). Deze tests zijn zo veel mogelijk uitgevoerd volgens de Recommendations on the Transport of Dangerous Goods; Manual of Tests and Criteria. Indien van deze door de Verenigde Naties aanbevolen testmethode is afgeweken, is dit in de rapportage toegelicht. TNO-PML en het BAM zijn in respectievelijk Nederland en Duitsland de door de wetgever aangewezen instanties voor dit type classificatieonderzoek. TNO-PML en het BAM hebben los van elkaar de testresultaten geïnterpreteerd en een classificatie aan de verschillende vuurwerkartikelen toegekend. Daarnaast zijn de vuurwerkartikelen geclassificeerd aan de hand van de door de National Resources Canada; Explosive Regulatory Division (NRC) gehanteerde criteria. De NRC is de instantie die in Canada is aangewezen voor het verrichten van dit type classificatieonderzoek.

De zich in het dossier bevindende rapportage bevat de classificatie van twee onafhankelijke instellingen voor wetenschappelijk onderzoek. Daarnaast is de classificatie opgenomen die is opgesteld aan de hand van de criteria gehanteerd door een derde onderzoeksinstelling. De uitkomst van classificatie door TNO-PML, het BAM en de classificatie aan de hand van de criteria van het NCR is voor de meeste producten gelijk. Waar de uitkomsten verschillen is dit in zich in het dossier bevindende rapportage toegelicht.

Het vuurwerk dat is gebruikt bij de tests is grotendeels gekocht van afnemers van SE Fireworks dan wel afkomstig uit de in beslaggenomen containers met vuurwerk die na de ramp nog onderweg waren naar SE Fireworks. Voor zover er vuurwerk is aangekocht van Duitse bedrijven is de overeenkomst van dit vuurwerk met het vuurwerk dat lag opgeslagen bij SE Fireworks door middel van chemisch onderzoek vastgesteld. Derhalve is de onderbouwing van dit deel van het verzoek feitelijk onjuist.

Voorts vindt de opvatting van de verdediging dat zij in de gelegenheid had moeten worden gesteld voormeld wetenschappelijk onderzoek bij te wonen geen steun in het recht.

Het hof is van oordeel dat, gelet op de wijze waarop het classificatieonderzoek heeft plaatsgevonden en gelet op de rapportage hieromtrent, op het recht van verdachte op een eerlijke procesvoering, als bedoeld in artikel 6 EVRM, geen inbreuk is gemaakt. Het hof zal het verzoek afwijzen."

4.2.2. In de bestreden einduitspraak heeft het Hof dienaangaande op het bij pleidooi herhaalde verzoek om een tegenonderzoek als volgt overwogen en beslist:

"Verzoek tot aanhouding van de behandeling en contra-expertise van het classificatieonderzoek

Ter terechtzitting van 15 (de Hoge Raad leest: 23) april 2003 heeft de verdediging het verzoek tot contra-expertise van de classificatietesten herhaald omdat de testen buiten de verdediging om en ondeugdelijk zouden zijn uitgevoerd.

Voorts is door de verdediging gesteld dat er voldoende vergelijkbaar vuurwerk aanwezig of verkrijgbaar is, zodat het houden van een contra-expertise mogelijk is en de aangevoerde gronden de eerdere beslissing van het hof tot afwijzing niet kunnen dragen.

Verzocht is de behandeling van de strafzaak aan te houden teneinde de contra-expertise mogelijk te maken.

De klacht van de verdediging dat ten onrechte van de onmogelijkheid van contra-expertise wordt uitgegaan, mist feitelijke grondslag nu 's hofs afwijzing van dat verzoek in het tussenarrest van 7 februari 2003 niet gegrond is op onmogelijkheid van contra-expertise.

Het hof heeft in het tussenarrest van 7 februari 2003 al vastgesteld dat de opvatting van de verdediging, dat zij in de gelegenheid had moeten worden gesteld om de testen in Oldebroek en bij Berlijn bij te wonen geen steun vindt in het recht, terwijl hetgeen daartoe nu wordt aangevoerd geen aanleiding geeft om op die beslissing terug te komen.

In voormeld tussenarrest heeft het hof geoordeeld, dat het onderzochte materiaal een deugdelijk representatief beeld geeft van het op 13 mei 2000 bij SE Fireworks aanwezige vuurwerk.

Daaraan doen de stellingen die zijdens de Staat in een civiel geding over de aansprakelijkheid voor de gevolgen van de ramp naar voren zijn gebracht, niet af.

Ook de verschillen tussen de rapporten van TNO Prins Maurits Laboratorium en van het Bundesanstalt für Materialforschung und -prüfung acht het hof in de rapportage voldoende toegelicht, en het hof heeft deze derhalve reeds in zijn oordeel betrokken.

Samenvattend is het hof van oordeel dat de bezwaren die de verdediging ter terechtzitting van 15 (de Hoge Raad leest: 23) april 2003 tegen de classificatietesten heeft aangevoerd, reeds grotendeels door het hof in de beslissing van 7 februari 2003 tot afwijzing van dit verzoek zijn betrokken. Nu ook overigens niet kan worden aangenomen dat, gelet op de wijze waarop het classificatieonderzoek en de rapportage hieromtrent heeft plaatsgevonden, op het recht van verdachte op een eerlijke procesvoering, als bedoeld in artikel 6 EVRM, inbreuk is gemaakt, wijst het hof het verzoek tot contra-expertise af.

Subsidiair heeft de verdediging betoogd dat de testrapporten niet voor het bewijs mogen worden gebruikt, indien de verdediging het recht op contra-expertise wordt ontzegd. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen over de noodzaak van een contra-expertise betreffende het classificatieonderzoek, is het hof van oordeel dat de resultaten van het classificatieonderzoek voor het bewijs kunnen worden gebruikt."

4.2.3. Voorts houdt 's Hofs einduitspraak met betrekking tot het classificatieonderzoek in hetgeen hiervoor onder 3.6.2 al is weergegeven.

4.2.4. De aanvulling op het verkorte arrest houdt als bewijsmiddel 11.4 in een proces-verbaal betreffende de resultaten van de desbetreffende classificatieonderzoeken. In deze aanvulling is onder 11.12 in een nadere bewijsoverweging aandacht geschonken aan de vraag of een bepaald soort vuurwerk, dat aan de classificatietests is onderworpen, behoorde tot het op 13 mei 2000 bij SE Fireworks opgeslagen vuurwerk, welke vraag op grond van de bewijsmiddelen bevestigend is beantwoord.

4.3.1. Blijkens de toelichting wordt allereerst betoogd dat niet blijkt dat het Hof bij de afwijzing van het verzoek de juiste maatstaf heeft toegepast.

4.3.2. Het bedoelde verzoek om contra-expertise is aan te merken als een verzoek aan de rechter als bedoeld in art. 328 in verbinding met art. 331 Sv om gebruik te maken van de in art. 315 Sv omschreven bevoegdheid, waarop krachtens art. 330 Sv uitdrukkelijk moet worden beslist. Ingevolge art. 415 Sv zijn deze bepalingen van overeenkomstige toepassing op het geding in hoger beroep. Maatstaf daarbij is of de rechter de noodzaak van hetgeen is verzocht is gebleken.

In 's Hofs in het tussenarrest gegeven oordeel (weergegeven onder 4.2.1) dat, gelet op de wijze waarop het classificatieonderzoek en de rapportage hieromtrent heeft plaatsgevonden, geen inbreuk is gemaakt op het recht van de verdachte op een eerlijke procesvoering, ligt besloten dat het Hof de noodzaak van een tegenonderzoek niet aanwezig heeft geacht, zoals het Hof ook in zijn overwegingen in het eindarrest (weergegeven onder 4.2.2) met zoveel woorden tot uitdrukking heeft gebracht. Aldus heeft het Hof bij de beoordeling van het verzoek telkens de juiste maatstaf toegepast. In zoverre mist de klacht feitelijke grondslag.

4.4.1. In de tweede plaats wordt erover geklaagd dat het Hof het verzoek om een tegenonderzoek ten onrechte, althans ontoereikend gemotiveerd heeft afgewezen.

Blijkens de toelichting berust die klacht hierop, dat de bevindingen van de beide onderzoeksinstituten aanleiding hebben gegeven tot aanvulling van de tenlastelegging met de onder 4 tenlastegelegde feiten waardoor het zwaartepunt van de strafvervolging van de verdachte is verlegd, dat de classificatieonderzoeken hebben plaatsgevonden op initiatief en onder leiding van het Openbaar Ministerie, bij welke onderzoeken de verdediging door toedoen van het Openbaar Ministerie niet aanwezig heeft kunnen zijn, dat de mogelijkheid om de betrouwbaarheid van de belastende resultaten van die onderzoeken te betwisten voor de verdediging in feite ontbreekt en dat zij afhankelijk is van tussenkomst van de rechter om door de desbetreffende instituten nieuwe classificatieonderzoeken te laten verrichten, zodat, nu de verdediging tijdig en uitdrukkelijk om een contra-expertise, waarvan uitvoering nog mogelijk is, heeft verzocht, het Hof het verzoek niet had mogen afwijzen.

4.4.2. Wat betreft het recht op tegenonderzoek moet het volgende worden vooropgesteld. De eis van een eerlijke procesvoering kan meebrengen dat aan een verzoek van een verdachte tot het verrichten van een contra-expertise gevolg behoort te worden gegeven indien dit verzoek wordt gedaan op een tijdstip waarop zodanige contra-expertise nog mogelijk is. Voorzover de klacht mocht inhouden dat een verzoek tot een tegenonderzoek altijd moet worden toegewezen indien het tijdig en uitdrukkelijk is gedaan en zulk onderzoek nog mogelijk is, berust deze op een opvatting die in haar algemeenheid onjuist is. Dat wordt niet anders als het Openbaar Ministerie naar aanleiding van de bevindingen van de oorspronkelijke onderzoeken de tenlastelegging zou hebben aangevuld met de onder 4 tenlastegelegde feiten, welke stelling overigens in feitelijke aanleg niet was ingenomen en omtrent welk verband het Hof ook niets heeft vastgesteld.

4.4.3. 's Hofs afwijzing van het verzoek om een tegenonderzoek, dat strekte tot het opnieuw uitvoeren van de classificatietesten en de daaromtrent verrichte onderzoeken door de beide onderzoeksinstituten, getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is tegen de achtergrond van hetgeen door de verdediging is aangevoerd (zoals weergegeven in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 75, 76, 78 en 79) niet onbegrijpelijk. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat het Hof - dat, niet onbegrijpelijk, de bezwaren van de verdediging tegen de onderzoeken deels feitelijk onjuist en deels niet van dien aard heeft geacht dat zij met het oog op het recht op een eerlijk proces grond vormden voor het verzochte tegenonderzoek - er geen blijk van heeft gegeven bij zijn beoordeling te hebben miskend dat de verdediging uiterst bezwaarlijk zelf een tegenonderzoek als door haar gewenst zou kunnen doen uitvoeren. Voorts wordt daarbij in aanmerking genomen dat de verdediging in feitelijke aanleg niet heeft aangevoerd dat het Openbaar Ministerie inhoudelijk leiding heeft gegeven aan of bemoeienis heeft gehad met de onderhavige onderzoeken en evenmin dat en in welk opzicht de afwezigheid van de verdediging bij de feitelijke uitvoering van de classificatietesten en -onderzoeken haar mogelijkheid de onderzoeksresultaten adequaat te betwisten daadwerkelijk heeft geschaad.

4.4.4. De klacht faalt.

4.5. De klachten van het middel met betrekking tot de verwerping van het verweer strekkende tot bewijsuitsluiting kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu deze klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4.6. Het middel faalt.

5. Beoordeling van het derde middel

5.1. Het middel komt op tegen de verwerping van het verweer strekkende tot niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vervolging ter zake van de onder 4 tenlastegelegde feiten wegens schending van het vertrouwensbeginsel.

5.2. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 11 maart 2003 houdt ten aanzien van het in het middel bedoelde verweer het volgende in:

"De verdediging is primair van oordeel dat het Openbaar Ministerie partiëel niet ontvankelijk verklaard dient te worden, en wel terzake de vervolging terzake punt 4 van de tenlastelegging, brand door schuld en subsidiair dood door schuld.

Op 26 april 2001 heeft de Officier van Justitie een vordering wijziging tenlastelegging gedaan, welke vordering door de Rechtbank is toegewezen.

De verdediging is van oordeel dat in de gegeven omstandigheden de vervolging terzake brand door schuld in strijd is met het vertrouwensbeginsel en/of de regels van een goede procesorde, nu [verdachte] aan het optreden van het Openbaar Ministerie en aan mededelingen van het Openbaar Ministerie het objectief gerechtvaardige vertrouwen heeft ontleend en heeft kunnen ontlenen dat hij niet terzake brand door schuld en/of dood door schuld zou worden vervolgd.

Ter toelichting het navolgende:

1. De vervolging tegen [verdachte] is aangevangen op 17 mei 2000, op het moment dat een gerechtelijk vooronderzoek tegen [verdachte] is gevorderd.

2. Op 8 augustus 2000 heeft een pro forma zitting plaatsgevonden, waarbij door het OM is aangegeven dat het onderzoek nog niet was voltooid.

3. In april 2001, derhalve kort voor de zitting van 26 april 2001 is door het Openbaar Ministerie een brief verstuurd aan slachtoffers, waaronder [verdachte] en de echtgenote van [verdachte].

Deze brief is op naam van [verdachte] en zijn echtgenote gesteld geweest, waarbij het Openbaar Ministerie gebruik heeft gemaakt van een speciaal voor dit doel van de gemeente Enschede verkregen adressenbestand.

De tekst van de onder 3 bedoelde brief is als bijlage aan deze schriftuur gehecht en bevat onder meer de navolgende ten deze relevante passages:

Politie en Openbaar Ministerie proberen om direct betrokkenen bij een ernstig incident zo goed mogelijk te informeren over de voortgang van het onderzoek.

Daarom ontvangt u deze brief waarin de uitkomsten van het politieonderzoek in hoofdlijnen worden gepresenteerd. Ook wordt aangegeven wie het Openbaar Ministerie gaat vervolgen.

In deze brief proberen wij alle mogelijke vragen zo goed en volledig mogelijk te beantwoorden.

De slachtoffers, de pers, iedereen wilde de afgelopen maanden weten hoe het nu verder zou gaan. Op dit moment is dus duidelijk dat de directeuren zich voor de rechter moeten verantwoorden voor hun handelen en dat er nog onderzoek loopt rond de man die verdacht wordt van brandstichting.

Op donderdag 26 april moeten de twee directeuren van SE Fireworks voor de rechter verschijnen. Die dag zal de zaak tegen hen niet inhoudelijk behandeld worden. Dat betekent dat de feiten waarvan ze verdacht worden - het overtreden van de milieuvergunningen - niet besproken zullen worden. Die dag wordt alleen gekeken of en zo ja, welk nader onderzoek er nog nodig is en welke getuigen gehoord moeten worden.

Het Openbaar Ministerie heeft ook een beslissing genomen over het vervolgen van overheidsinstanties en individuele ambtenaren.

Het Openbaar Ministerie heeft na grondig beraad besloten om geen vervolging in te stellen tegen de gemeente of tegen individuele ambtenaren.

Zij (= [verdachte] en [medeverdachte]) worden er van verdacht dat ze opzettelijk milieuregels hebben overtreden. Op dit feit staat een maximale gevangenisstraf van zes jaar.

Het Openbaar Ministerie heeft in bedoeld schrijven zeer duidelijk aangegeven wat de stand van zaken was. Ook is in duidelijke bewoordingen aangegeven waarvoor [verdachte] terecht moest staan.

Daarbij is door het Openbaar Ministerie aangegeven dat er grondig was nagedacht. Er is bericht over de verdere gang van zaken.

[Verdachte] heeft als geadresseerde van bedoelde brief uit deze brief ondubbelzinnig mogen afleiden dat hij zich (zoals ook vermeld op de inleidende dagvaarding) moest verantwoorden voor de overtreding van vergunningsvoorschriften.

De brief bevat ondubbelzinnige berichtgeving van het Openbaar Ministerie aan [verdachte] en het Openbaar Ministerie heeft daardoor bij [verdachte] het vertrouwen opgewekt dat hij ook verder vervolgd werd voor milieudelicten en illegale handel; zelfs is in de brief expliciet gesproken over de inhoud van de verdenking tegen [verdachte] (wederom: milieu).

Op geen enkele wijze is in de brief enig voorbehoud gemaakt met betrekking tot de omvang en aard van de tegen [verdachte] ingebrachte beschuldigingen.

Tussen het verzenden van deze brief en de aanvang van de regiezitting zijn geen nieuwe onderzoeksresultaten beschikbaar gekomen die geleid kunnen hebben tot een nieuw inzicht.

Bij requisitoir is door de Officier van Justitie gesteld dat door de uitbreiding met de beschuldiging "dood door schuld" de ramp aan de rechter werd voorgelegd terwijl bij achterwege laten daarvan de ramp eventueel slechts zou doorklinken in de strafmaat; dit laatste was niet wenselijk volgens het OM gezien de enorme impact van de ramp.

Dit argument is niet een nieuw gegeven opgekomen na het versturen van voormelde brief.

Dit argument is een argument dat in feite al bestond op het moment dat [verdachte] als verdachte werd aangemerkt.

De mededelingen van het Openbaar Ministerie in bedoelde brief zijn mededelingen gedaan over standpunt en het voornemen van het Openbaar Ministerie met betrekking tot een ramp van nationale omvang; de mededelingen zijn vervat in een brief die alleen kan worden opgevat als een weergave van definitieve standpunten van het Openbaar Ministerie, kort voor de zitting gedaan.

[Verdachte] heeft er dan ook net als ieder ander van uit mogen gaan dat de betreffende berichtgeving tot stand is gekomen na zorgvuldige besluitvorming, zoals overigens ook in de brief is aangegeven; als slachtoffer én verdachte heeft [verdachte] zelfs nog meer dan anderen mogen vertrouwen op hetgeen door het Openbaar Ministerie over zijn vervolging werd medegedeeld.

Vanaf het moment dat [verdachte] als verdachte is aangemerkt is door de hem verhorende politiefunctionarissen bij [verdachte] het vertrouwen opgewekt dat hij zich diende te verantwoorden voor overtreding van vergunningsvoorschriften en illegale verkoop; op zichzelf kunnen déze mededelingen, nu zij weliswaar zijn gedaan onder verantwoordelijkheid van het Openbaar Ministerie maar niet namens het Openbaar Ministerie, niet voor rekening van het Openbaar Ministerie worden gebracht.

Nu echter door het Openbaar Ministerie zelf in april 2001 bedoeld gerechtvaardigde vertrouwen bij [verdachte] is opgewekt (welk opwekken geheel aansloot bij wat aan hem reeds gedurende elf maanden was bericht), door middel van het toezenden van bedoelde brief zijn de mededelingen door de politie gedaan wel van belang bij het beoordelen van het onderhavige verweer.

Om bovenvermelde redenen dient het Openbaar Ministerie niet ontvankelijk verklaard te worden terzake hetgeen onder punt 4. in de tenlastelegging is opgenomen.

(...)

De raadsman voert het woord overeenkomstig zijn pleitnota, welke aan het hof is overgelegd en aan dit proces-verbaal is gehecht en voegt daaraan toe -zakelijk weergegeven-:

Het openbaar ministerie heeft, na een onderzoek van elf maanden, kort voor de zitting in een officiële, op naam gestelde brief van de hoofdofficier van justitie laten weten wat de stand van zaken was en hoe de vervolgingen eruit zouden gaan zien. Het standpunt van de verdediging is dat het openbaar ministerie, behoudens nieuw opgekomen inzichten of nieuw opgekomen feiten, en die zijn er niet geweest, de plicht heeft te handelen zoals is aangekondigd. Ook de verhorende politiefunctionarissen hebben verdachte bij herhaling gezegd dat hij wel verdachte was, maar alleen met betrekking tot overtreding van vergunningsvoorschriften. Dat levert op zichzelf nog niet een te respecteren vertrouwen bij verdachte op dat hem niets anders telastegelegd zou worden, maar het versterkt wel de indruk die vervolgens door de hoofdofficier van justitie werd gewekt.

Naar de mening van de verdediging is het waarschijnlijk dat, naar aanleiding van de brief van het openbaar ministerie, iemand aan de bel is gaan trekken met de constatering dat niemand zich voor de ramp bij de rechter hoefde te verantwoorden. Bij gebreke van andere kandidaten heeft het openbaar ministerie kennelijk bedacht dat het dan maar de directeuren moesten worden. Dit is natuurlijk slechts een veronderstelling, maar je mag van deze officiële brief verwachten dat deze achterwege blijft wanneer de inhoud niet juist is. Die inhoud moet daarom voor juist gehouden worden en het openbaar ministerie heeft derhalve in strijd gehandeld met het opgewekte vertrouwen dan wel in strijd met de regels van de goede procesorde door zo kort voor de zitting dit soort mededelingen te doen en die dan direct daarna op de zitting ongedaan te maken.

(...)

De raadsman van verdachte verklaart -zakelijk weergegeven-:

De vraag is hoe [verdachte] uit de brief van het openbaar ministerie kon afleiden dat hij als slachtoffer en niet als verdachte werd aangesproken en dat in dat geval de inhoud van de brief kennelijk niet juist hoefde zijn. In de brief staat echter dat er grondig is nagedacht en dat hierin de beslissingen worden aangegeven. Dat de ramp zonder wijziging van de telastelegging niet aan de rechter zou worden voorgelegd, had het openbaar ministerie zich op dat moment reeds moeten realiseren. Het openbaar ministerie moet aan de inhoud van deze brief worden gehouden."

5.3. Voormeld proces-verbaal houdt als beslissing van het Hof op het verweer in:

"De brief van het openbaar ministerie van april 2001 had het karakter van algemene informatie aan alle betrokkenen van de vuurwerkramp, waaronder ook [verdachte]. De brief had niet het karakter van een specifiek tot de verdachte gerichte toezegging en liet de mogelijkheid open dat de officier van justitie tot veranderingen in die telastelegging zou komen op grond van nieuwe ontwikkelingen of nieuw gebleken feiten. De verdediging heeft aangevoerd dat er geen nieuwe ontwikkelingen, dan wel nieuwe feiten waren. Dat is mogelijk. De brief liet echter ook de mogelijkheid open dat het openbaar ministerie op basis van voortschrijdend inzicht tot een vordering wijziging telastelegging zou komen.

De manier waarop de opsporingsambtenaren zich tegenover verdachte hebben uitgelaten doet daar niet aan af. Bij hen bestond waarschijnlijk, evenals bij verdachte, de verwachting dat deze alleen voor milieudelicten zou worden vervolgd, zoals deze in de inleidende dagvaarding waren opgenomen. Die verwachting zal dan ook in hun woorden hebben doorgeklonken. [Verdachte] mocht dit ook wel verwachten, maar een verwachting is nog geen gerechtvaardigd en te respecteren vertrouwen, dat wil zeggen een gerechtvaardigde gevolgtrekking dat de officier van justitie welbewust afstand doet van bepaalde hem toekomende bevoegdheden en toezegt die bevoegdheden niet te zullen hanteren. Een dergelijke toezegging klinkt in het aangevoerde, zowel in de genoemde brief als in de uitlatingen van de opsporingsambtenaren, naar het oordeel van het hof niet door. Het hof verwerpt derhalve het verweer."

5.4. In zijn hiervoor weergegeven overwegingen heeft het Hof tot uitdrukking gebracht dat de brief van het Openbaar Ministerie, welke brief ten doel had het verstrekken van voorlichting aan alle betrokkenen bij de vuurwerkramp en onder meer inhield dat de verdachte terecht zou staan in verband met de verdenking van het (opzettelijk) overtreden van milieuvoorschriften, geen toezegging aan de verdachte bevat dat hij door het Openbaar Ministerie niet zou worden vervolgd ter zake van art. 158 Sr en dat de inhoud van die brief niet van dien aard was dat de verdachte daaraan het gerechtvaardigd vertrouwen heeft kunnen ontlenen dat hij ter zake van art. 158 Sr niet zou worden vervolgd. Dat oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Het behoefde ook geen nadere motivering.

5.5. Het middel faalt.

6. Beoordeling van de overige middelen

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

7. Slotsom

Nu geen van de middelen tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.

8. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de president W.J.M. Davids als voorzitter, en de raadsheren A.J.A. van Dorst, B.C. de Savornin Lohman, W.A.M. van Schendel en J.W. Ilsink, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 1 februari 2005.