Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2005:AO7687

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
11-11-2005
Datum publicatie
11-11-2005
Zaaknummer
39478
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2005:AO7687
In cassatie op : ECLI:NL:GHLEE:2003:AF6158
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Aanspraak in de zin van artikel 10, lid 2, van de wet op de loonbelasting. Regeling voor managers om na vijf jaar dienstverband aandelen in de topholding te verwerven; werkgever verricht in verband hiermee stortingen.

Wetsverwijzingen
Wet op de loonbelasting 1964 10
Wet op de loonbelasting 1964 13a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BNB 2006/38 met annotatie van P. KAVELAARS
FED 2006/16
Belastingadvies 2005/23.11
V-N 2005/57.16 met annotatie van Redactie
FutD 2005-2181
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Nr. 39.478

11 november 2005

AB

gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden van 10 maart 2003, nr. BK 524/01, betreffende na te melden aan X BV te Z opgelegde naheffingsaanslag in de loonbelasting/premie volksverzekeringen.

1. Naheffingsaanslag, bezwaar en geding voor het Hof

Aan belanghebbende is over het tijdvak 1 januari 1995 tot en met 31 december 1997 een naheffingsaanslag in de loonbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd ten bedrage van ƒ 46.617, welke naheffingsaanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.

Het Hof heeft het beroep gegrond verklaard en de bestreden uitspraak en de daarbij gehandhaafde naheffingsaanslag vernietigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

De Staatssecretaris heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.

De Advocaat-Generaal C.W.M. van Ballegooijen heeft op 25 februari 2004 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het cassatieberoep.

3. Beoordeling van het middel

3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

Belanghebbende is kleindochter van de aan een Amerikaanse effectenbeurs genoteerde A. A kent een International Stock Purchase Plan (hierna: ISPP), dat aan een aantal geselecteerde managers de gelegenheid biedt aandelen A te verwerven. Een deelnemende manager kan maximaal vijf percent van zijn brutosalaris besteden om aandelen A te kopen. De bijdrage van de manager wordt ingehouden op het nettosalaris en overgemaakt naar de Harris Trust and Savings Bank te Q (V.S., hierna: de trustee), die hiervoor aandelen A koopt tegen de marktprijs. Daarnaast stort de werkgever (maximaal) hetzelfde bedrag op de rekening van de trustee, die hiervoor eveneens aandelen A tegen de marktprijs koopt. De aandelen gekocht van de werkgeversbijdrage worden separaat van de aandelen van de manager geadministreerd. De manager krijgt pas de beschikking over de (contrawaarde van) laatstgenoemde aandelen nadat hij vijf jaren in dienst is gebleven, tenzij sprake is van eerder onvrijwillig ontslag, pensioen of een door de werkgever geïnitieerde vervroegde pensionering. Tussentijdse verkoop door de manager van de aandelen gekocht van zijn bijdrage leidt ertoe dat hij het recht op de werkgeversbijdrage verliest.

De directeur van belanghebbende heeft van de ISPP-regeling gebruik gemaakt. In het tijdvak van de naheffing heeft belanghebbende een bedrag van ƒ 31.079 aan de trustee overgemaakt ten behoeve van haar directeur. Over dit bedrag heeft zij geen loonbelasting afgedragen.

3.2. Voor het Hof was in geschil of de Inspecteur het bedrag van ƒ 31.079 terecht in de heffing van de loonbelasting/premie volksverzekeringen heeft betrokken. Het Hof heeft geoordeeld dat de ISPP-regeling niet leidt tot een aanspraak in de zin van artikel 10, lid 2, van de Wet op de loonbelasting 1964 (hierna: de Wet). Het middel bestrijdt 's Hofs oordeel met het betoog dat geen sprake is van loonrechten (zoals aandelenopties) die pas worden genoten indien ze inhoudelijk volledig zijn bepaald en aanstonds of op een vaste termijn kunnen worden uitgeoefend, maar van een aanspraak waarvoor door de werkgever een voorziening is getroffen door storting van gelden bij een derde.

3.3. Het Hof heeft voor zijn oordeel dat de ISPP-regeling niet leidt tot een aanspraak in de zin van artikel 10, lid 2, van de Wet onder meer in aanmerking genomen dat de directeur van belanghebbende nadat hij gedurende vijf jaren in dienst van belanghebbende is gebleven, de beschikking krijgt over de aandelen welke de trustee heeft gekocht met de door belanghebbende bij de trustee gestorte gelden ten bedrage van ƒ 31.079, en dat de directeur bij het beëindigen van de dienstbetrekking binnen die vijf jaren, anders dan door overlijden, pensioen of door belanghebbende geïnitieerde vervroegde pensionering, zijn recht op die aandelen verliest; voorts, dat de ISPP-regeling betreft een door belanghebbende aan haar directeur toegekend voordeel onder de opschortende voorwaarde van instandhouding door de directeur van zijn dienstbetrekking met belanghebbende gedurende vijf jaren, en dit voordeel voor de directeur eerst betekenis krijgt nadat aan die voorwaarde is voldaan, één en ander met de kennelijke bedoeling de directeur gedurende bedoelde periode aan zich te binden. Deze vaststellingen worden door het middel niet bestreden.

3.4. 's Hofs hiervoor weergegeven vaststellingen laten geen andere conclusie toe dan dat de door belanghebbende jegens haar directeur te leveren prestatie - de levering van de (tegenwaarde van de) aandelen op het desbetreffende tijdstip - het karakter draagt van een beloning voor het verrichten van werkzaamheden in dienstbetrekking jegens belanghebbende tot dat tijdstip. Dit brengt mee dat de ISPP-regeling niet leidt tot een (in het tijdvak 1 januari 1995 tot en met 31 december 1997 opgekomen) aanspraak in de zin van artikel 10, lid 2, van de Wet en evenmin leidt tot een aanspraak ingevolge een onzuivere premiespaarregeling.

Het middel faalt derhalve.

4. Proceskosten

De Staatssecretaris van Financiën zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

verklaart het beroep ongegrond, en

veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie, vastgesteld op € 644 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en wijst de Staat aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.G. Pos als voorzitter, en de raadsheren L. Monné, P.J. van Amersfoort, A.R. Leemreis en C.A. Streefkerk, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 11 november 2005.

Van de Staat wordt ter zake van het door de Staatssecretaris van Financiën ingestelde beroep in cassatie een griffierecht geheven van € 414.