Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2005:AO3305

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
10-06-2005
Datum publicatie
10-06-2005
Zaaknummer
38430
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2005:AO3305
In cassatie op : ECLI:NL:GHARN:2002:AE4122
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Financieringskosten van negatieve inkomsten aftrekbaar?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BNB 2005/266 met annotatie van J.W. Zwemmer
Belastingadvies 2005/13.6
V-N 2005/30.13 met annotatie van Redactie
FutD 2005-1137 met annotatie van Fiscaal up to Date
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Nr. 38.430

10 juni 2005

RS

gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem van 3 mei 2002, nr. 00/00714, betreffende na te melden aan X te Z opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.

1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof

Aan belanghebbende is voor het jaar 1998 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 126.963, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.

Het Hof heeft dit beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de Inspecteur vernietigd en de aanslag verminderd tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 125.910. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

De Staatssecretaris heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.

De Advocaat-Generaal P.J. Wattel heeft op 20 januari 2004 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het cassatieberoep.

Zowel de Staatssecretaris als belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.

3. Beoordeling van het middel

3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. Belanghebbende was van 15 oktober 1990 tot 13 april 1993 als statutair directeur in dienst van C B.V. (hierna: de BV). Belanghebbende heeft zich schuldig gemaakt aan frauduleuze handelingen ten koste van de BV. Volgens een deskundigenrapport dat is uitgebracht op verzoek van de arrondissementsrechtbank te Almelo, heeft belanghebbende ten minste ƒ 737.382 onttrokken. Bij vonnis van 4 februari 1998 heeft de arrondissementsrechtbank te Almelo belanghebbende veroordeeld tot betaling van ƒ 737.382 aan de BV. Op 7 mei 1998 kwam belanghebbende met de BV overeen ter finale kwijting ƒ 500.000 te betalen.

In verband met de door belanghebbende gepleegde onttrekkingen heeft de Inspecteur het door belanghebbende aangegeven belastbaar inkomen over 1992 verhoogd met ƒ 750.000. Belanghebbendes bezwaar tegen de aanslag is op 14 juli 1999 bij compromis afgewikkeld. Het bijgetelde bedrag van ƒ 750.000 is daarbij verminderd tot op ƒ 68.000, onder meer omdat rekening is gehouden met de betaling aan de BV van ƒ 500.000 in mei 1998 en de door belanghebbende gemaakte advocaatkosten van ca. ƒ 99.000.

Belanghebbende heeft het bedrag van ƒ 500.000 gefinancierd onder meer door verhoging van de door hypotheek op zijn eigen woning verzekerde lening met een bedrag van ƒ 430.578,51, ter zake waarvan hij in 1998 een bedrag van ƒ 4161 aan rente heeft betaald.

3.2. Het Hof heeft geoordeeld dat deze rente (hierna: de financieringsrente), gezien het directe verband tussen de verhoging van de hypothecaire lening en de restitutie, tot de aftrekbare kosten van de (voormalige) dienstbetrekking behoort en dat er geen grond bestaat financieringsrente van negatieve inkomsten voor de toepassing van artikel 35 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna: de Wet) anders te behandelen dan financieringskosten van aftrekbare kosten.

Tegen dit oordeel richt zich het middel.

3.3. Ingevolge artikel 35, lid 1, van de Wet zijn aftrekbare kosten - voorzover thans van belang - de op de inkomsten drukkende kosten voorzover zij zijn gemaakt tot verwerving, inning en behoud van die inkomsten. De onderhavige financieringsrente heeft gediend tot financiering van de terugbetaling van verduisterde gelden. Derhalve heeft zij niet gediend tot verwerving, inning of behoud van inkomsten, en is zij niet aan te merken als aftrekbare kosten in de in dit wetsartikel bedoelde zin.

3.4. De terugbetaling ten bedrage van ƒ 500.000 van de verduisterde gelden is aan te merken als negatieve inkomst. De financieringsrente is evenwel niet als zodanig aan te merken, nu deze in een te ver verwijderd verband staat tot de voorheen genoten inkomsten. Evenmin is er grond om financieringsrente ter zake van negatieve inkomsten op gelijke wijze te behandelen als de desbetreffende negatieve inkomsten.

3.5. Het middel slaagt derhalve. 's Hofs uitspraak kan niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen voor behandeling van de door het Hof onbehandeld gelaten stelling van belanghebbende, als bedoeld in onderdeel 5.3.1.2 van 's Hofs uitspraak.

4. Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten. Door het verwijzingshof zal worden beoordeeld of aan belanghebbende voor de kosten van het geding voor het Hof een vergoeding dient te worden toegekend.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

verklaart het beroep gegrond,

vernietigt de uitspraak van het Hof, behoudens de beslissing omtrent het griffierecht, en

verwijst het geding naar het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.G. Pos als voorzitter, en de raadsheren L. Monné, P.J. van Amersfoort, A.R. Leemreis en C.J.J. van Maanen, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 10 juni 2005.