Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2005:AO3156

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
22-04-2005
Datum publicatie
22-04-2005
Zaaknummer
39161
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2005:AO3156
In cassatie op : ECLI:NL:GHSGR:2002:AR6682
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Grondwaterbelasting. Infiltratieaftrek. Oeverinfiltratie.

Wetsverwijzingen
Grondwaterwet 1
Wet belastingen op milieugrondslag 3
Wet belastingen op milieugrondslag 6
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
WFR 2005/647, 1
V-N 2005/23.20 met annotatie van Redactie
FutD 2005-0802
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Nr. 39.161

22 april 2005

AB

gewezen op het beroep in cassatie van N.V. X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 18 december 2002, nr. BK-01/02400, betreffende na te melden op aangifte voldaan bedrag aan grondwaterbelasting.

1. Aangifte, bezwaar en geding voor het Hof

Belanghebbende heeft op aangifte over het tijdvak januari 2001 een bedrag van ƒ 1.453.976 aan grondwaterbelasting voldaan. Zij heeft vervolgens tegen dit bedrag bezwaar gemaakt, welk bezwaar bij uitspraak van de Inspecteur is afgewezen.

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.

Het Hof heeft het beroep ongegrond verklaard. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.

Belanghebbende heeft de zaak doen toelichten door mr. J.H. Sassen, advocaat te Arnhem.

De Advocaat-Generaal Th. Groeneveld heeft op 10 december 2003 geconcludeerd tot gegrondverklaring van het beroep in cassatie, vernietiging van de uitspraak van het Hof en verwijzing van het geding.

3. Beoordeling van het middel

3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

Belanghebbende verzorgt de productie, de verspreiding en de levering van drinkwater in het oostelijk gedeelte van de provincie Q. Zij is houdster van een aantal inrichtingen, bestemd tot het onttrekken van grondwater, als bedoeld in artikel 3, lid 1, letter c, van de Wet belastingen op milieugrondslag (hierna: Wbm).

Op elf van de waterwinplaatsen alwaar door belanghebbende grondwater wordt onttrokken, geschiedt zulks in de nabijheid van oppervlaktewater. Ten gevolge van deze onttrekking zijgt oppervlaktewater (uit rivieren en uiterwaarden) via de oevers in de bodem (zogenoemde oeverinfiltratie).

3.2. Voor het Hof was tussen partijen in geschil of belanghebbende bij de berekening van de door haar verschuldigde grondwaterbelasting recht heeft op vermindering als bedoeld in artikel 6, lid 2, Wbm ter zake van het aantal kubieke meters op voormelde wijze in de bodem geïnfiltreerd water.

3.3. Het Hof heeft geoordeeld (onderdeel 6.4 van de bestreden uitspraak) dat in het onderhavige tijdvak geen sprake was van infiltreren van water als bedoeld in de Wbm. Tegen dat oordeel richt zich het middel.

3.4. In artikel 6, lid 2, Wbm is voorzien, kort gezegd, in een vermindering van grondwaterbelasting ter zake van het infiltreren van water. Ingevolge artikel 3, lid 1, aanhef en letter e, Wbm wordt in dit verband onder infiltreren van water verstaan: water in de bodem brengen ter aanvulling van het grondwater met het oog op het onttrekken van grondwater.

Blijkens de wetsgeschiedenis steunt de belastingregeling in het desbetreffende hoofdstuk II van de Wbm zoveel mogelijk op de begrippen en definitiebepalingen van de Grondwaterwet. De in dat hoofdstuk in artikel 3 opgenomen definitie van het begrip infiltreren van water is dan ook ontleend aan en gelijk aan die van artikel 1, lid 1, van de Grondwaterwet (Kamerstukken II 1992/93, 22 849, nr. 3, blz. 19/20). Dat de belastingregeling aansluit bij de Grondwaterwet blijkt ook uit de regeling zelf: de vermindering wordt blijkens het bepaalde in artikel 6, lid 2, Wbm alleen toegepast indien het infiltreren van water geschiedt in overeenstemming met de voorwaarden welke daartoe zijn gesteld in de vergunning die voor het onttrekken of voor het infiltreren van water is verleend ingevolge de Grondwaterwet.

3.5. Bij een aanpassing van de Grondwaterwet in 1991, waarbij de definitie van infiltreren van water in artikel 1 overigens niet werd gewijzigd, is in de Nota naar aanleiding van het Verslag van regeringszijde over die definitie opgemerkt (Kamerstukken II 1990/91, 21 661, nr. 6, blz. 2):

Onder infiltreren in de zin van de Grondwaterwet wordt verstaan kunstmatig in de bodem brengen van water ter aanvulling van het grondwater met het oog op het onttrekken van grondwater.

De vraag van de leden van de D'66-fractie, of infiltratie vanuit oppervlaktewater door een oever naar een nabij gelegen gebied waaruit grondwater wordt onttrokken, valt onder de Richtlijn en onder de Grondwaterwet, moet dan ook ontkennend worden beantwoord. Hier gaat het om grondwateronttrekkingen in de nabijheid van rivieren etc., waarbij als gevolg van de onttrekking oppervlaktewater via de oever inzuigt in de bodem. Zelfs als oeverfiltratie is beoogd, is dit een natuurlijk proces en wordt niet via een menselijke activiteit water in de bodem gebracht, ter aanvulling van het grondwater.

3.6. In onderdeel 6.4 van de bestreden uitspraak heeft het Hof, dat aldaar onder meer verwijst naar voormelde passage, tot uitdrukking gebracht dat naar zijn oordeel op de betrokken waterwinplaatsen sprake was van een proces dat feitelijk verliep zoals in voormeld citaat uit de wetsgeschiedenis weergegeven, dus van grondwateronttrekkingen in de nabijheid van rivieren etc., waarbij als gevolg van de onttrekking oppervlaktewater via de oever in de bodem is ingezogen. Dit oordeel kan als van feitelijke aard in cassatie niet op zijn juistheid worden getoetst. Het is ook niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd.

3.7. Daarvan uitgaande heeft het Hof geoordeeld dat op de betrokken waterwinplaatsen geen infiltreren van water plaatsvond in de zin van artikel 3, lid 1, letter e, Wbm. Dat oordeel is juist. Gelet op de tekst van die bepaling ("water in de bodem brengen (...)") en de ontstaansgeschiedenis daarvan (zie hiervoor onder 3.4 en 3.5) is voor het infiltreren van water als bedoeld in die bepaling vereist dat met betrekking tot het te infiltreren water zelf een menselijke, kunstmatige activiteit heeft plaatsgevonden teneinde het infiltreren mogelijk te maken. Daaronder valt dus niet het in de bodem zijgen van rivierwater, indien daartoe geen menselijke, kunstmatige activiteit heeft plaatsgevonden met betrekking tot dat rivierwater zelf. Weliswaar is dit proces door belanghebbende beoogd en is het veroorzaakt door het door belanghebbende onttrekken van grondwater in een nabijgelegen gebied (zogenoemde indirecte of geïnduceerde infiltratie), maar die activiteiten van belanghebbende worden slechts met betrekking tot het te onttrekken water verricht en zijn derhalve te indirect om te kunnen oordelen dat belanghebbende het rivierwater "in de bodem brengt".

3.8. Het middel faalt derhalve.

4. Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

5. Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep ongegrond.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.G. Pos als voorzitter, en de raadsheren L. Monné, P.J. van Amersfoort, A.R. Leemreis en C.A. Streefkerk, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 22 april 2005.