Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2005:AO3151

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
22-04-2005
Datum publicatie
22-04-2005
Zaaknummer
38305
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2005:AO3151
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Grondwaterbelasting. Infiltratieaftrek. Oeverinfiltratie. Wateraanvoerplannen. Spoelwater.

Wetsverwijzingen
Wet belastingen op milieugrondslag 3
Wet belastingen op milieugrondslag 6
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Milieurecht Totaal 2005/4456
BNB 2005/201 met annotatie van W.J.N.M. SNOIJINK
WFR 2005/645
V-N 2005/23.19 met annotatie van Redactie
FutD 2005-0803
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Nr. 38.305

22 april 2005

AB

gewezen op het beroep in cassatie van X-1 N.V. te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 26 april 2002, nr. BK-98/02610, betreffende na te melden aan haar rechtsvoorgangster X N.V. te Z opgelegde naheffingsaanslag in de grondwaterbelasting.

1. Naheffingsaanslag, bezwaar en geding voor het Hof

Aan belanghebbende is over het tijdvak 1 januari 1996 tot en met 31 december 1996 een naheffingsaanslag in de grondwaterbelasting opgelegd ten bedrage van ƒ 4.755.806, zonder toepassing van een verhoging, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.

Het Hof heeft de uitspraak van de Inspecteur bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.

Belanghebbende heeft de zaak doen toelichten door mr. A.E.H. van der Voort Maarschalk, advocaat te Amsterdam.

De Advocaat-Generaal Th. Groeneveld heeft op 10 december 2003 geconcludeerd tot gegrondverklaring van het beroep in cassatie, vernietiging van de uitspraak van het Hof en verwijzing van het geding.

3. Beoordeling van het middel

3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

Belanghebbende verzorgt de productie, de verspreiding en de levering van drinkwater in een groot gedeelte van de provincie Q. Zij is houdster van een aantal inrichtingen, bestemd tot het onttrekken van grondwater, als bedoeld in artikel 3, lid 1, letter c, van de Wet belastingen op milieugrondslag (hierna: Wbm), hierna ook te noemen pompstations.

Bij twee pompstations, te weten H en LL, geschiedt het onttrekken van grondwater in de nabijheid van oppervlaktewater. Ten gevolge van deze onttrekking zijgt oppervlaktewater (uit rivieren en uiterwaarden) via de oevers in de bodem (zogenoemde oeverinfiltratie).

Bij sommige pompstations heeft belanghebbende bij het onttrekken van water aan de bodem gebruik gemaakt van zogenoemde wateraanvoerplannen. In dat kader heeft zij met diverse waterschappen binnen het gebied waaruit zij water onttrekt overeenkomsten gesloten. De waterschappen zijn ingevolge deze overeenkomsten verantwoordelijk voor de uitvoering en het beheer van het daartoe benodigde waterlopensysteem met het oog op een optimaal grondwaterstandbeheer met betrekking tot de betrokken belangen. Belanghebbende betaalt aan de waterschappen ter uitvoering van de plannen een bijdrage.

Bij een aantal pompstations wordt drinkwater gebruikt voor het schoonspoelen van voorfilters. Het spoelwater wordt na zuivering op vijvers of via buizen die naar het grondwater leiden, dan wel op het oppervlaktewater, geloosd.

3.2. Belanghebbende heeft over het onderhavige tijdvak op aangifte een bedrag van ƒ 20.264.281 aan grondwaterbelasting voldaan. Bij de berekening daarvan is zij uitgegaan van een hoeveelheid onttrokken grondwater van 73.588.490 m3 en een vermindering als bedoeld in artikel 6, lid 2, Wbm (hierna: infiltratieaftrek) over 16.687.038 m3. De infiltratieaftrek was toegepast ter zake van oeverinfiltratie, het uitvoeren van wateraanvoerplannen en het terugvoeren van spoelwater in de bodem.

Na een controle heeft de Inspecteur het standpunt ingenomen dat geen recht bestaat op infiltratieaftrek, en deswege de onderwerpelijke naheffingsaanslag opgelegd.

3.3. Oeverinfiltratie

3.3.1. Het Hof heeft geoordeeld (onderdeel 6.5 van de bestreden uitspraak) dat in het onderhavige tijdvak bij de pompstations H en LL geen sprake was van infiltreren van water als bedoeld in artikel 3, lid 1, letter e, Wbm. Tegen dat oordeel richt zich onderdeel 1 van het middel.

3.3.2. In artikel 6, lid 2, Wbm is voorzien, kort gezegd, in een vermindering van grondwaterbelasting ter zake van het infiltreren van water. Ingevolge artikel 3, lid 1, aanhef en letter e, Wbm wordt in dit verband onder infiltreren van water verstaan: water in de bodem brengen ter aanvulling van het grondwater met het oog op het onttrekken van grondwater.

Blijkens de wetsgeschiedenis steunt de belastingregeling in het desbetreffende hoofdstuk II van de Wbm zoveel mogelijk op de begrippen en definitiebepalingen van de Grondwaterwet. De in dat hoofdstuk in artikel 3 opgenomen definitie van het begrip infiltreren van water is dan ook ontleend aan en gelijk aan die van artikel 1, lid 1, van de Grondwaterwet (Kamerstukken II 1992/93, 22 849, nr. 3, blz. 19/20). Dat de belastingregeling aansluit bij de Grondwaterwet blijkt ook uit de regeling zelf: de vermindering wordt blijkens het bepaalde in artikel 6, lid 2, Wbm alleen toegepast indien het infiltreren van water geschiedt in overeenstemming met de voorwaarden welke daartoe zijn gesteld in de vergunning die voor het onttrekken of voor het infiltreren van water is verleend ingevolge de Grondwaterwet.

3.3.3. Bij een aanpassing van de Grondwaterwet in 1991, waarbij de definitie van infiltreren van water in artikel 1 overigens niet werd gewijzigd, is in de Nota naar aanleiding van het Verslag van regeringszijde over die definitie opgemerkt (Kamerstukken II 1990/91, 21 661, nr. 6, blz. 2):

Onder infiltreren in de zin van de Grondwaterwet wordt verstaan kunstmatig in de bodem brengen van water ter aanvulling van het grondwater met het oog op het onttrekken van grondwater.

De vraag van de leden van de D'66-fractie, of infiltratie vanuit oppervlaktewater door een oever naar een nabij gelegen gebied waaruit grondwater wordt onttrokken, valt onder de Richtlijn en onder de Grondwaterwet, moet dan ook ontkennend worden beantwoord. Hier gaat het om grondwateronttrekkingen in de nabijheid van rivieren etc., waarbij als gevolg van de onttrekking oppervlaktewater via de oever inzuigt in de bodem. Zelfs als oeverfiltratie is beoogd, is dit een natuurlijk proces en wordt niet via een menselijke activiteit water in de bodem gebracht, ter aanvulling van het grondwater.

3.3.4. In onderdeel 6.5 van de bestreden uitspraak heeft het Hof, dat aldaar onder meer verwijst naar voormelde passage, tot uitdrukking gebracht dat naar zijn oordeel op de locaties H en LL sprake was van een proces dat feitelijk verliep zoals in voormeld citaat uit de wetsgeschiedenis weergegeven, dus van grondwateronttrekkingen in de nabijheid van rivieren etc., waarbij als gevolg van de onttrekking oppervlaktewater via de oever in de bodem is ingezogen. Dit oordeel kan als van feitelijke aard in cassatie niet op zijn juistheid worden getoetst. Het is ook niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd.

3.3.5. Daarvan uitgaande heeft het Hof geoordeeld dat op de betrokken locaties geen infiltreren van water plaatsvond in de zin van artikel 3, lid 1, letter e, Wbm. Dat oordeel is juist. Gelet op de tekst van die bepaling ("water in de bodem brengen (...)") en de ontstaansgeschiedenis daarvan (zie hiervoor onder 3.3.2 en 3.3.3) is voor het infiltreren van water als bedoeld in die bepaling vereist dat met betrekking tot het te infiltreren water zelf een menselijke, kunstmatige activiteit heeft plaatsgevonden teneinde het infiltreren mogelijk te maken. Daaronder valt dus niet het in de bodem zijgen van rivierwater, indien daartoe geen menselijke, kunstmatige activiteit heeft plaatsgevonden met betrekking tot dat rivierwater zelf. Weliswaar is dit proces door belanghebbende beoogd en is het veroorzaakt door het door belanghebbende onttrekken van grondwater in een nabijgelegen gebied (zogenoemde indirecte of geïnduceerde infiltratie), maar die activiteiten van belanghebbende worden slechts met betrekking tot het te onttrekken water verricht en zijn derhalve te indirect om te kunnen oordelen dat belanghebbende het rivierwater "in de bodem brengt".

3.3.6. Onderdeel 1 faalt derhalve.

3.3.7. Onderdeel 2 van het middel keert zich tegen 's Hofs oordeel (onderdeel 6.7) dat belanghebbende op het punt van de oeverinfiltratie niet met vrucht een beroep kan doen op schending van het gelijkheidsbeginsel door de Inspecteur.

Ook dit onderdeel faalt. Het Hof heeft - in cassatie niet bestreden - vastgesteld dat in de gevallen van de duinwaterleidingbedrijven, waarmee belanghebbende haar situatie vergelijkt, door die bedrijven water wordt opgepompt uit rivieren of ander oppervlaktewater en vervolgens in infiltratiekanalen en vijvers in de duingebieden van de duinwaterleidingbedrijven wordt gebracht, teneinde de uit natuurlijk oogpunt bovenmatige onttrekking van grondwater in het duingebied bij benadering goed te maken met gebruikmaking van zandlagen als filter.

Daarin ligt besloten dat vóór het in het duingebied in de bodem zijgen van het water, anders dan in het onderhavige geval, met betrekking tot dat water reeds een menselijke, kunstmatige activiteit heeft plaatsgevonden, namelijk het brengen van dat water van elders naar het duingebied waardoor het in de bodem zijgen daarvan aldaar is mogelijk gemaakt, welk proces van directe infiltratie in zijn geheel bezien kan worden aangemerkt als 'water in de bodem brengen ter aanvulling van het grondwater met het oog op het onttrekken van grondwater'.

Nu derhalve het geval van belanghebbende niet gelijk is aan de gevallen van de duinwaterleidingbedrijven, heeft de Inspecteur niet gehandeld in strijd met het gelijkheidsbeginsel door het geval van belanghebbende anders te behandelen.

3.4. Wateraanvoerplannen

3.4.1. Onderdeel 3 van het middel richt zich tegen 's Hofs oordeel (in 6.9) dat ten aanzien van de zogenoemde wateraanvoerplannen niet kan worden gesproken van infiltratie in de zin van artikel 3, lid 1, letter e, en artikel 6, lid 2, Wbm. Het Hof heeft daarvoor redengevend geacht dat bij de uitvoering van wateraanvoerplannen de aan de waterschappen toebedeelde taak, namelijk het algehele waterkwantiteitsbeheer binnen het taakgebied van het waterschap, voorop staat, en dat de omstandigheid dat rekening wordt gehouden met het feit dat door belanghebbende grondwater aan de bodem wordt onttrokken om drinkwater te bereiden, onvoldoende is om te kunnen spreken van het in rechtstreeks verband met de onttrekking van grondwater in de bodem brengen van (oppervlakte)water ter aanvulling van het grondwater.

3.4.2. Belanghebbende heeft voor het Hof aangevoerd dat de haar verleende onttrekkingsvergunningen voorschriften bevatten aangaande compensatie van het te onttrekken water, dan wel pas zijn verleend nadat onderzoek had uitgewezen dat het grondwater zal worden aangevuld. Voorts heeft zij gesteld dat de wateraanvoerplannen door haar en de waterschappen in samenwerking zijn opgesteld, en dat het aldus aangevoerde water voor een gedeelte in de bodem zal infiltreren, terwijl voorts vaststaat dat zij voor de uitvoering daarvan door de waterschappen betaalt.

Indien en voorzover dit een en ander juist is - waaromtrent het Hof niets heeft vastgesteld - is in zoverre rechtstreeks verband aanwezig tussen het infiltreren van water en de belaste onttrekking van grondwater. De omstandigheid dat bij de uitvoering van de wateraanvoerplannen de aan de waterschappen toebedeelde taak voorop staat, staat daar op zichzelf niet aan in de weg. Voorzover 's Hofs oordeel uitgaat van een andere opvatting omtrent het bepaalde in artikel 3, lid 1, letter e, en artikel 6, lid 2, Wbm, berust het op een onjuiste rechtsopvatting; voorzover het van de juiste rechtsopvatting uitgaat, is het onvoldoende met redenen omkleed. Middelonderdeel 3 slaagt derhalve.

3.4.3. Gelet op het vorenoverwogene behoeft onderdeel 4 van het middel geen behandeling. De hierin aan de orde gestelde kwestie kan, voorzover nodig, na verwijzing aan de orde komen.

3.5. Spoelwater

3.5.1. Met betrekking tot het pompstation JJ heeft het Hof vastgesteld dat nog geen spoelvijver is aangelegd en dat het spoelwater op het oppervlaktewater is geloosd. Die vaststelling is in cassatie niet bestreden. Daarvan uitgaande heeft het Hof met juistheid geoordeeld dat aldaar geen infiltratie heeft plaatsgevonden in de zin van artikel 3, lid 1, letter e, en artikel 6, lid 2, Wbm. Voorzover onderdeel 5 van het middel dit oordeel bestrijdt, faalt het.

3.5.2. Het middelonderdeel slaagt voor het overige.

Het Hof heeft met betrekking tot zeventien andere pompstations waar spoelwater wordt teruggevoerd, geoordeeld dat niet kan worden gesproken van infiltratie in de zin van artikel 3, lid 1, letter e, en artikel 6, lid 2, Wbm. Het heeft daartoe redengevend geoordeeld dat, mede gelet op de relatief geringe hoeveelheden spoelwater waar het daar om gaat, het terugvoeren van dat water niet is geschied met als doel ter vergroting van het oorspronkelijk voor de onttrekking vatbare volume een aanvulling op het grondwater tot stand te brengen teneinde zonder bezwaar grondwater aan de bodem te kunnen onttrekken, maar veeleer is geschied met het oog op het herstel van de vóór de onttrekking van het desbetreffende water bestaande situatie, zulks om droogteschade aan gewassen te voorkomen. Die redengeving kan echter 's Hofs oordeel niet dragen. De begripsbepaling van infiltreren van water in artikel 3, lid 1, letter e, Wbm bevat niet als element het oogmerk tot vergroting van het oorspronkelijk voor de onttrekking vatbare volume, noch is daarin bepaald dat het niet mag gaan om relatief geringe hoeveelheden. Dat het terugvoeren van spoelwater heeft plaatsgevonden met het oog op het herstel van de vóór de onttrekking van het desbetreffende water bestaande situatie, om droogteschade aan gewassen te voorkomen, sluit op zichzelf niet uit dat sprake is van water in de bodem brengen ter aanvulling van het grondwater met het oog op het onttrekken van grondwater.

3.6. Op grond van het hiervoor onder 3.4.2 en 3.5.2 overwogene kan 's Hofs uitspraak niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen.

4. Proceskosten

De Staatssecretaris zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie. Door het verwijzingshof zal worden beoordeeld of aan belanghebbende voor de kosten van het geding voor het Hof een vergoeding dient te worden toegekend.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

verklaart het beroep gegrond,

vernietigt de uitspraak van het Hof,

verwijst het geding naar het Gerechtshof te Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest,

gelast dat de Staat aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie verschuldigd geworden griffierecht ten bedrage van € 327, en

veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 1449 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en wijst de Staat aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.G. Pos als voorzitter, en de raadsheren L. Monné, P.J. van Amersfoort, A.R. Leemreis en C.A. Streefkerk , in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 22 april 2005.