Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2005:AO3070

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
04-03-2005
Datum publicatie
04-03-2005
Zaaknummer
39358
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2005:AO3070
In cassatie op : ECLI:NL:GHAMS:2003:AF5234
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Wanneer zijn aandelenoptierechten overeengekomen in de zin van de overgangsregeling (wet van 24 juni 1998; Stb. 370).

Wetsverwijzingen
Wet op de loonbelasting 1964 10a
Wet op de loonbelasting 1964 13
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BNB 2005/206 met annotatie van R.M. FREUDENTHAL
FED 2005/52 met annotatie van P. VAN DER WAL
Belastingadvies 2005/6.11
WFR 2005/380, 1
V-N 2005/14.19 met annotatie van Redactie
FutD 2005-0457
NTFR 2005/409 met annotatie van M.C. Dijkshoorn
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Nr. 39.358

4 maart 2005

AB

gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 4 december 2002, nr. P01/02102, betreffende na te melden aan X Holding N.V. te Z opgelegde naheffingsaanslag in de loonbelasting/ premieheffing volksverzekeringen.

1. Naheffingsaanslag, bezwaar en geding voor het Hof

Aan belanghebbende is over het tijdvak 1 december 1998 tot en met 31 december 1998 een naheffingsaanslag in de loonbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd ten bedrage van ƒ 506.672, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, door de Inspecteur is gehandhaafd.

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep

gekomen bij het Hof.

Het Hof heeft het beroep gegrond verklaard, en de uitspraak van de Inspecteur alsmede de naheffingsaanslag vernietigd.

De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

De Staatssecretaris heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.

De Advocaat-Generaal J.A.C.A. Overgaauw heeft op 24 november 2003 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het cassatieberoep.

3. Beoordeling van het middel

3.1. Voor het Hof was in geschil of de in zijn uitspraak nader omschreven aandelenoptierechten, die belanghebbende heeft toegekend aan een viertal werknemers, zijn "overeengekomen" (in de zin van artikel IV, lid 2, aanhef en letter b, van de wet van 24 juni 1998, Stb. 370, hierna "de overgangsregeling") bij de op 27 december 1996 gesloten arbeidsovereenkomsten (standpunt belanghebbende), dan wel bij de op 29 december 1998 gesloten aandelenoptieovereenkomsten (standpunt Inspecteur). Het Hof heeft geoordeeld dat het gelijk aan belanghebbende is. Daartegen keert zich het middel.

3.2. De overgangsregeling luidt als volgt:

Met betrekking tot aandelenoptierechten die zijn overeengekomen vóór de dag waarop deze wet in werking treedt, blijven:

a. (...)

b. de regels met betrekking tot aandelen-optierechten krachtens de Wet op de loonbelasting 1964 zoals die luidden op de dag voorafgaand aan de dag waarop deze wet in werking treedt, van kracht voor de duur van vijf jaren met ingang van de dag waarop deze wet in werking treedt.

Deze wet is in werking getreden op 26 juni 1998.

Tot de regels waarop de overgangsregeling doelt, behoort artikel 15, lid 1, (tekst tot 26 juni 1998; hierna: het oude recht) van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 1990. Indien die regel (ingevolge de overgangsregeling) in dit geval toepasselijk is, dan dient de waarde in het economisch verkeer (als bedoeld in artikel 13, lid 1, van de Wet op de loonbelasting 1964) van de onderhavige aandelenoptierechten gesteld te worden op 7,5 percent van die van de onderliggende aandelen.

Indien (ingevolge de overgangsregeling) het nieuwe recht toepasselijk is, dient de waarde van de onderhavige aandelenoptierechten te worden gesteld op 20 percent van die van de onderliggende aandelen.

De bestreden aanslag gaat uit van toepasselijkheid van het nieuwe recht.

3.3. Het Hof heeft het samenstel van de op 27 december 1996 gesloten arbeidsovereenkomsten, het op 9 april 1998 door belanghebbende opgestelde optieplan, en de op 29 december 1998 gesloten aandelenoptie-overeenkomsten aldus uitgelegd dat de in 1998 toegekende aandelenoptierechten aan de werknemers toekwamen op grond van de op 27 december 1996 gesloten arbeidsovereenkomsten; het verlenen van de aandelenoptierechten is in deze overeenkomsten slechts afhankelijk gesteld van de opschortende voorwaarde van het voortbestaan van de arbeidsrelatie; de werknemers hebben reeds bij de ondertekening van hun arbeidsovereenkomst (op 27 december 1996) voorwaardelijke optierechten aanvaard, aldus nog steeds de uitleg van het Hof.

3.4. Het middel berust op het juiste uitgangspunt dat aandelenoptieregelingen voor werknemers zich naar hun strekking laten onderscheiden in - voorzover thans van belang - twee varianten:

(1) in de eerste variant worden in de arbeidsovereenkomst (dan wel afzonderlijke raamovereenkomst) aan de werknemer optierechten toegekend, waarvan de (toekomstige, veelal jaarlijkse) verwerving enkel afhankelijk is van de vervulling van de opschortende voorwaarde dat het dienstverband voortduurt op de overeengekomen vervaldata; in deze variant geniet de werknemer (zowel naar het oude als naar het nieuwe recht) op de vervaldatum een voordeel, dat onderhevig is aan inhouding van loonbelasting;

(2) in de tweede variant worden in de arbeidsovereenkomst (dan wel afzonderlijke raamovereenkomst) aan de werknemer wilsrechten toegekend om, mits (telkens) voldaan is aan de opschortende voorwaarde dat het dienstverband voortduurt op de overeengekomen vervaldata, op die vervaldata al dan niet optierechten te verwerven; in deze variant is dus de verwerving van de optierechten mede afhankelijk van de (telkens) op de vervaldata nader te bepalen wil van de werknemer, die zal afhangen van zijn inschatting of uitoefening van dat wilsrecht (leidend tot inhouding van loonbelasting), gevolgd door (latere) uitoefening of vervreemding van de in dat geval te verwerven optierechten, hem een (netto-)voordeel zal opleveren. Pas door uitoefening van het wilsrecht komen hier de optierechten tot stand.

3.5. Optierechten, verworven na 26 juni 1998, gelden slechts als vóór of op die datum "overeengekomen" (in de zin van de overgangsregeling), indien de aandelenoptieregeling de strekking heeft van de eerste variant, en totstandgekomen is vóór of op 26 juni 1998. In dat geval is het oude recht toepasselijk op optierechten die verworven worden binnen vijf jaren na 26 juni 1998.

Indien de aandelenoptieregeling de strekking heeft van de tweede variant, is ingevolge de overgangsregeling het nieuwe recht toepasselijk op alle optierechten die na 26 juni 1998 worden verworven (door uitoefening van het wilsrecht na die datum), ook al zou de arbeidsovereenkomst (of afzonderlijke raamovereenkomst) waarin de optieregeling is opgenomen, vóór of op die datum zijn gesloten.

3.6. Het Hof heeft het zojuist (onder 3.4 en 3.5) vooropgestelde echter niet miskend. In het bijzonder door te oordelen dat het verlenen van de aandelenoptierechten in de arbeidsovereenkomsten "slechts afhankelijk gesteld is van de opschortende voorwaarde van het voortdurende bestaan van de arbeidsrelatie", en dat "de werknemers (...) bij de ondertekening van hun arbeidsovereenkomst op 27 december 1996 voorwaardelijke optierechten [hebben] aanvaard", heeft het Hof tot uitdrukking gebracht dat de verwerving van de optierechten op de vervaldata niet afhankelijk was van de (telkens) op de vervaldata nader te bepalen wil van de werknemers, zodat - in de termen van het zojuist vooropgestelde - de aandelenoptieregelingen de strekking hadden van de eerste variant. De in onderdeel 1 van het middel vervatte rechtsklacht faalt derhalve.

3.7. De motiveringsklachten van de onderdelen 2 en 3 falen eveneens. De Inspecteur heeft zijn stelling dat de arbeidsovereenkomsten, gelezen in samenhang met het optieplan, in de termen van het vooropgestelde de strekking hadden van de tweede variant, gebaseerd op de bewoordingen van die beide stukken, en op de bewoordingen van de aandelenoptieovereenkomsten van 29 december 1998. Dat het Hof blijkens rechtsoverweging 5.3 van zijn uitspraak aan die bewoordingen geen doorslaggevende betekenis heeft toegekend, geeft geen blijk van een onjuiste opvatting van de rechtsregels met betrekking tot de uitleg van overeenkomsten, die voor het overige aan het Hof is voorbehouden. De uitleg waartoe het Hof is gekomen, is niet onbegrijpelijk; het Hof heeft het "verlenen" van de opties (waartoe belanghebbende ingevolge de arbeidsovereenkomsten op latere tijdstippen zou moeten overgaan) klaarblijkelijk niet opgevat als een rechtsscheppende handeling, maar als een uitvoeringshandeling van administratieve aard, die belanghebbende diende te verrichten indien en zodra de opschortende voorwaarde in vervulling zou gaan, en heeft de aandelenoptieovereenkomsten van 29 december 1998 klaarblijkelijk als zodanige uitvoeringshandeling aangemerkt. De stellingen van de Inspecteur noopten het Hof niet tot een verdergaande motivering dan het gegeven heeft.

3.8. Onderdeel 4 keert zich tegen een overweging ten overvloede en kan mitsdien niet tot cassatie leiden.

3.9. Aangezien het middel in al zijn onderdelen vruchteloos is voorgesteld, dient het beroep ongegrond verklaard te worden.

4. Proceskosten

De Staatssecretaris zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

verklaart het beroep ongegrond, en

veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 644 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en wijst de Staat aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.G. Pos als voorzitter, en de raadsheren L. Monné, A.R. Leemreis, C.J.J. van Maanen en C.A. Streefkerk, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 4 maart 2005.

Van de Staat wordt ter zake van het door de Staatssecretaris van Financiën ingestelde beroep in cassatie een griffierecht geheven van € 414.