Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2004:AR5107

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
23-11-2004
Datum publicatie
24-01-2005
Zaaknummer
02438/04 U
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2004:AR5107
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Tussenarrest inzake Belgisch uitleveringsverzoek. Het oordeel van de rb. dat het Belgische verstekvonnis geen voor tenuitvoerlegging vatbare veroordeling bevat (er zou nog verzet openstaan), is niet zonder meer begrijpelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

23 november 2004

Strafkamer

nr. 02438/04 U

AGJ/SM

Hoge Raad der Nederlanden

Tussenarrest

op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van de Rechtbank te Groningen van 2 juni 2004, nummer RK 03/360, op een verzoek van de Belgische autoriteiten tot uitlevering van:

[de opgeëiste persoon], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1945, wonende te [woonplaats].

1. De bestreden uitspraak

De Rechtbank heeft de gevraagde uitlevering van de opgeëiste persoon toelaatbaar verklaard ter strafvervolging ter zake van de in de bestreden uitspraak omschreven feiten.

2. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de opgeëiste persoon. Namens deze heeft mr. T.B. Trotman, advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De waarnemend Advocaat-Generaal Keijzer heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en ontoelaatbaarverklaring van de verzochte uitlevering.

3. Beoordeling van het middel

3.1. Het middel klaagt over de verwerping door de Rechtbank van een gevoerd verweer.

3.2. De Rechtbank heeft het in het middel bedoelde verweer als volgt samengevat en verworpen:

"De raadsman heeft aangevoerd dat de uitlevering niet toelaatbaar is omdat hier sprake is van een executie-uitlevering, nu de termijn waarbinnen verzet kon worden aangetekend tegen het vonnis van 17 mei 2001 allang voorbij is.

(...)

De rechtbank is van oordeel dat er op grond van de hierover gevoerde correspondentie met de Belgische autoriteiten, te weten de faxberichten van de Federale Overheidsdienst Justitie van 10 september 2003 en 16 april 2004, van uit dient te worden gegaan dat in casu sprake is van vervolgingsuitlevering.

De rechtbank acht derhalve de uitlevering toelaatbaar (...)."

3.3.1. Het door de Rechtbank genoemde faxbericht van 10 september 2003 houdt, voorzover hier van belang, in:

"Ingevolge uw faxbericht van heden, kan ik u bevestigen dat het verstekvonnis van 17.05.2001 van de correctionele rechtbank op 20.07.2001 gelet op de evidente afwezigheid van [de opgeëiste persoon] aan het parket werd betekend.

Zolang een bij verstek gewezen vonnis of arrest niet aan de veroordeelde perso(o)n(en) is betekend, blijft het aantekenen van verzet mogelijk. Pas wanneer het vonnis of arrest aan de veroordeelde werd betekend, begint de termijn voor verzet te lopen. In dit geval is het verstekvonnis dus inderdaad vatbaar (...) voor verzet."

3.3.2. Het door de Rechtbank genoemde faxbericht van 16 april 2004 houdt, voorzover hier van belang, in:

"Met verwijzing naar Uw brief dd. 16.04.2004 betreffende mijn verzoek tot uitlevering van [de opgeëiste persoon] deel ik U mede dat niet de datum van de kennisneming van een vonnis de termijn doet lopen waarbinnen verzet kan worden ingesteld, maar de dag waarop de betrokkene kennis kreeg van de betekening van dit vonnis indien dit niet aan hem werd betekend zoals in casu.

Ik zend U hierbij kopie van de artikelen 187 en 188 van het Wetboek van Strafvordering inzake verstekvonnissen.

Bij brief dd. 10.9.2003 werd U reeds medegedeeld dat verzet tegen het vonnis dd. 17.05.2001 van de correctionele rechtbank te Brussel nog openstaat."

3.4. Blijkens het proces-verbaal van de zitting van de Rechtbank van 19 mei 2004 heeft de raadsman van de opgeëiste persoon aldaar, voorzover voor de beoordeling van het middel van belang, aangevoerd:

"Verzet tegen het vonnis van de Belgische rechter is niet mogelijk. Het vonnis is betekend op 20 juli 2001. Het vonnis is niet in persoon aan [de opgeëiste persoon] betekend, maar [de opgeëiste persoon] is wel op de hoogte geraakt van het gegeven dat er een vonnis was gewezen. Verzet staat niet meer open voor hem."

3.5. In aanmerking genomen (a) dat na het hiervoor vermelde schrijven van 10 september 2003 inhoudende dat tegen het verstekvonnis nog verzet kon worden gedaan, namens de opgeëiste persoon is betoogd dat en waarom voor hem geen verzet meer openstond, en (b) dat dit betoog niet wordt ontzenuwd door het hiervoor vermelde schrijven van 16 april 2004, is het in de overwegingen van de Rechtbank besloten liggende oordeel dat het onderhavige vonnis niet een voor tenuitvoerlegging vatbare veroordeling bevat, niet zonder meer begrijpelijk. Voorzover het middel daarover klaagt is het terecht voorgesteld.

4. Slotsom

Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven en als volgt moet worden beslist.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

Vernietigt de bestreden uitspraak;

Beveelt dat de opgeëiste persoon zal worden opgeroepen te verschijnen ter zitting van de Hoge Raad van 21 december 2004 te 12.00 uur om te worden gehoord omtrent het verzoek tot zijn uitlevering.

Dit arrest is gewezen door de vice-president C.J.G. Bleichrodt als voorzitter, en de raadsheren J.P. Balkema en A.J.A. van Dorst, in bijzijn van de waarnemend-griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op 23 november 2004.