Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2004:AR4368

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
22-10-2004
Datum publicatie
22-10-2004
Zaaknummer
39234
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Artikel 46, aanhef en letter b Wet IB ’64, buitengewone lasten (uitgaven ter zake van invaliditeit), autokosten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BNB 2005/29
FED 2004/605
Belastingadvies 2004/22.5
WFR 2004/1632, 1
V-N 2004/57.16 met annotatie van Redactie
FutD 2004-1941
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Nr. 39.234

22 oktober 2004

MvA

gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 16 september 2002, nr. P01/02618, betreffende na te melden aan X te Z opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.

1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof

Aan belanghebbende is voor het jaar 1999 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 61.048, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.

Het Hof heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de Inspecteur vernietigd en de aanslag verminderd tot een aanslag naar een belastbaar inkomen van ƒ 60.854. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

De Staatssecretaris heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

3. Beoordeling van de middelen

3.1. Voor het Hof was in geschil of, en zo ja tot welk bedrag, de door belanghebbende gemaakte autokosten in aftrek kunnen worden gebracht als buitengewone lasten (uitgaven ter zake van invaliditeit) op de voet van artikel 46, lid 1, aanhef en letter b, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna: de Wet). Het Hof heeft geoordeeld dat de door belanghebbende in het jaar 1999 gemaakte autokosten ten bedrage van ƒ 12.142 de autokosten van personen die niet ziek of invalide zijn, doch overigens wat inkomen, vermogen en gezinsomstandigheden betreft, in een gelijke positie als belanghebbende verkeren, met ƒ 1978 overtreffen.

3.2. Het middel voert aan dat het Hof, gelet op het arrest van de Hoge Raad van 20 oktober 1971, nr. 16584, BNB 1971/234, bij de bepaling van de als buitengewone lasten in aanmerking te nemen autokosten rekening had moeten houden met de door belanghebbende van zijn werkgever ontvangen vergoeding van ƒ 2407 voor reiskosten van woon-werkverkeer.

3.3. Het middel slaagt. Voor de beantwoording van de vraag of en in hoeverre de kosten van een in verband met ziekte of invaliditeit gehouden auto die niet zijn aan te merken als kosten van vervoer in rechtstreeks verband met het verkrijgen van genees-, heel- of verloskundige hulp of als kosten ter zake van regelmatig ziekenbezoek, kunnen worden gerangschikt onder de buitengewone lasten ter zake van ziekte en invaliditeit als bedoeld in artikel 46, lid 1, letter b, en lid 3, van de Wet, moet worden bepaald of en in hoeverre de in een kalenderjaar door de zieke of gehandicapte gemaakte autokosten overtreffen hetgeen behoort tot het normale bestedingspatroon van personen die niet ziek of invalide zijn, doch overigens wat inkomen, vermogen en gezinsomstandigheden betreft, in een gelijke positie verkeren als de betrokkene. Als door de zieke of gehandicapte gemaakte autokosten komen slechts in aanmerking de op hem drukkende uitgaven; een eventueel daarvoor ontvangen vergoeding dient, voorzover deze niet tot het inkomen behoort (HR 12 maart 1980, nr. 19726, BNB 1980/117), op het in aanmerking te nemen totaal in mindering te worden gebracht. Het Hof had derhalve bij zijn beantwoording van voormelde vraag niet moeten uitgaan van het totaal van de door belanghebbende in het onderhavige jaar gemaakte autokosten ad ƒ 12.142, maar - zoals blijkens de stukken van het geding tussen partijen ook niet in geschil was - van dat bedrag verminderd met de door belanghebbende voor de reiskosten woon-werkverkeer van zijn werkgever ontvangen vergoeding van ƒ 2407, dus van ƒ 9735.

3.4. 's Hofs uitspraak kan niet in stand blijven. De Hoge Raad kan de zaak afdoen. Het Hof heeft - in cassatie onbestreden - vastgesteld dat het tot het normale bestedingspatroon behoort van personen die niet ziek of invalide zijn, doch overigens wat inkomen, vermogen en gezinsomstandigheden betreft, in een gelijke positie verkeren als belanghebbende, om jaarlijks ƒ 10.164 uit te geven aan autokosten. Nu dit bedrag het op belanghebbende drukkende bedrag aan autokosten overtreft, heeft belanghebbende ter zake van die autokosten geen recht op aftrek als buitengewone lasten.

4. Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

verklaart het beroep gegrond,

vernietigt de uitspraak van het Hof, behoudens de beslissing omtrent het griffierecht, en

verklaart het tegen de uitspraak van de Inspecteur ingestelde beroep ongegrond.

Dit arrest is gewezen door de raadsheer L. Monné als voorzitter, en de raadsheren J.C. van Oven en A.R. Leemreis, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 22 oktober 2004.