Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2004:AR3249

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
30-11-2004
Datum publicatie
12-01-2005
Zaaknummer
00540/04
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2004:AR3249
In cassatie op : ECLI:NL:GHSGR:2003:AN8752
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Bewijs van aanwezigheid in door verdachte verhandelde pillen van niet nader aangeduide middelen vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I. Bewezenverklaring toereikend gemotiveerd, in aanmerking genomen a) hetgeen het hof heeft vastgesteld omtrent de twee leveringen van een hoeveelheid pillen waarbij verdachte aanwezig was; b) dat verdachte over zijn aanwezigheid bij die ontmoetingen geen aannemelijke verklaring heeft kunnen geven en c) dat verdachte i.c. voor verscheidene feiten terzake handel in XTC-pillen bevattende amfetamine en/of MDMA en/of N-ethylMDA is veroordeeld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

30 november 2004

Strafkamer

nr. 00540/04

SG/SM

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 21 november 2003, nummer 22/000098-02, in de strafzaak tegen:

[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1964, ten tijde van de betekening van de aanzegging gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting "Rijnmond" te Krimpen aan den IJssel.

1. De bestreden uitspraak

Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage van 23 november 2001 - de verdachte vrijgesproken van de hem bij inleidende dagvaarding onder 3 en 7 tenlastegelegde feiten en hem voorts ter zake van 1., 2., 5. en 6. "medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, eerste lid, aanhef en onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd", 4 primair "medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, eerste lid, aanhef en onder A van de Opiumwet gegeven verbod" en 8. "medeplegen van een feit, bedoeld in het derde lid van artikel 10 van de Opiumwet, bevorderen door voorwerpen voorhanden te hebben waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit" veroordeeld tot vier jaren gevangenisstraf, alsmede tot een geldboete van € 75.000,-- subsidiair 360 dagen hechtenis met onttrekking aan het verkeer zoals in het arrest omschreven.

2. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Jörg heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

3. Beoordeling van het tweede middel

3.1. Het middel bevat de klacht dat de bewezenverklaring van het onder 5 tenlastegelegde feit niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid.

3.2. Ten laste van de verdachte heeft het Hof onder 5 bewezenverklaard dat:

"hij op tijdstippen in de periode van 1 december 1999 tot en met 9 januari 2000 te Delft tezamen en in vereniging met anderen, telkens opzettelijk heeft verkocht en afgeleverd en vervoerd ongeveer 3000 en 2733 pillen, bevattende telkens hoeveelheden van (een) middel(en) vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I."

3.3. In de aanvulling op het verkorte arrest van het Hof is voorts overwogen:

"Bewijsoverwegingen

(...)

Ten aanzien van feit 5:

Vast is komen te staan dat het hier leveringen van 3.000 pillen (op 3 december 1999) en 2.733 pillen (op 6 januari 2000) betreft en dat de leverancier daarvan omstreeks het tijdstip van de leveringen in gezelschap was van de verdachte, die kennelijk niet de afnemer was. De verdachte heeft geen aannemelijke verklaring gegeven omtrent de ontmoetingen en de inhoud van de telefoontaps waaruit dit alles blijkt.

Dat het hier gaat om pillen bevattende amfetamine en/of MDMA en/of N-ethylMDMA, blijkt uit de overige bewijsmiddelen, mede in het licht van de andere bewezenverklaarde feiten, waaruit verdachtes betrokkenheid bij groothandel in xtc-pillen vast is komen te staan."

3.4. De bewezenverklaring is ook voor wat betreft het in het middel bedoelde onderdeel naar behoren met redenen omkleed, in aanmerking genomen

a) hetgeen het Hof heeft vastgesteld omtrent de twee leveringen van een hoeveelheid pillen waarbij de verdachte aanwezig is geweest;

b) dat het Hof heeft vastgesteld dat de verdachte over zijn aanwezigheid bij die ontmoetingen geen aannemelijke verklaring heeft kunnen geven;

c) dat de verdachte bij de bestreden uitspraak voor verscheidene feiten terzake de handel in XTC-pillen bevattende amfetamine en/of MDMA en/of N-ethylMDA is veroordeeld.

3.5. Het middel faalt dus.

4. Beoordeling van de overige middelen

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

5. Slotsom

Nu geen van de middelen tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.

6. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren W.A.M. van Schendel en J.W. Ilsink, in bijzijn van de waarnemend griffier L.J.J. Okker-Braber, en uitgesproken op 30 november 2004.