Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2004:AR3215

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
16-11-2004
Datum publicatie
12-01-2005
Zaaknummer
00831/04
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2004:AR3215
In cassatie op : ECLI:NL:GHSHE:2003:AO9482
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Toelaatbaarheid voor het bewijs van tegenover de politie afgelegde getuigenverklaring. Indien de verdediging niet in enig stadium de gelegenheid heeft gehad die getuige te (doen) ondervragen, staat art. 6 EVRM aan het gebruik tot het bewijs van die verklaring niet in de weg, als de betrokkenheid van verdachte in voldoende mate steun vindt in andere bewijsmiddelen. Voorts moet dit steunbewijs betrekking hebben op die onderdelen van de hem belastende verklaring die hij betwist (HR NJ 1999, 827). I.c. mocht het hof de verklaring niet voor het bewijs bezigen, nu (a) verdachtes betrokkenheid bij het bewezenverklaarde slechts kan worden afgeleid uit die verklaring, en (b) die verklaring niet voldoende steun vindt in de andere bewijsmiddelen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 november 2004

Strafkamer

nr. 00831/04

IV/IV

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 30 juli 2003, nummer 20/002574-02, in de strafzaak tegen:

[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1962, wonende te [woonplaats].

1. De bestreden uitspraak

Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Kantonrechter in de Rechtbank te Breda, van 4 juli 2002 - de verdachte ter zake van (de Hoge Raad leest:) "medeplegen van overtreding van artikel 22, vierde lid (oud) van de Jachtwet" veroordeeld tot een geldboete van achthonderd euro, subsidiair zestien dagen hechtenis en tot twee weken hechtenis, voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

2. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. S.C.M. Asselbergs, advocaat te Bergen op Zoom, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest en verwijzing van de zaak naar een aangrenzend Hof ter berechting en afdoening.

3. Beoordeling van het derde middel

3.1. Het middel richt zich tegen de afwijzing door het Hof van het verzoek tot het horen van een aantal getuigen, onder wie [medeverdachte 1], en klaagt dat aldus art. 6 EVRM is geschonden. Het middel beoogt blijkens de toelichting mede te betogen dat het Hof de verklaring van die [medeverdachte 1] ten onrechte tot het bewijs heeft doen meewerken nu de verdediging niet in enig stadium van het geding de gelegenheid heeft gehad deze getuige te (doen) ondervragen.

3.2.1. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard:

"dat hij op 17 februari 2001 in de gemeente Roosendaal, op een of meer wegen - waaronder met name de Slaaistraat - in/nabij het natuurgebied "Vroenhoutseweg" gelegen achter het restaurant Vroenhout, zijnde een veld als bedoeld in artikel 1 van de Jachtwet, tezamen en in vereniging met anderen, zich ter uitoefening van de jacht in dat veld heeft bevonden met andere dan tot jagen geoorloofde middelen, te weten: een zogenaamde lichtbak en vier lange honden (Greyhounds)".

3.2.2. De bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

a. een proces-verbaal van politie, opgemaakt door de opsporingsambtenaar R. Mulder, voorzover inhoudende als relaas van de verbalisant:

"Op zaterdag 17 februari 2001, omstreeks 04.55 uur kreeg ik de telefonische melding van een mij bekende jager dat er nabij Roosendaal in het natuurgebied "Vroenhoutseweg", gelegen achter het restaurant Vroenhout ter plaatse gelegen buiten de bebouwde kom van de gemeente Roosendaal, vanuit een voertuig werd "gelichtbakt". Ik begaf mij direct ter plaatse in een onopvallend dienstvoertuig. Op zaterdag 17 februari 2001 omstreeks 05.10 uur, zag ik, nadat ik positie had ingenomen op de hoek van de Hilstraat en de Slaaistraat, door gebruik te maken van mijn restlichtkijker dat er drie auto's op de Slaaistraat in de richting van de Hilstraat reden. De auto's reden derhalve in mijn richting. Ik zag dat uit de voorste auto door middel van een schijnwerper de omliggende landerijen verlicht werden. Tevens zag ik dat de twee auto's, die achter de eerste auto reden, geen verlichting voerden. Toen ik vervolgens de drie auto's tegemoet reed, reed de voorste auto, waarvan ik zag dat het een donkergrijze of blauwe VW Golf GTI betrof, snel achteruit. Ik voerde toen groot licht en zag dat in de voorste auto, de Volkswagen GTI, drie personen zichtbaar waren; twee voorin en één achterin. Omdat een van de auto's zonder licht blijkbaar de weg versperde, verminderde de Golf GTI zijn snelheid tijdens het achteruitrijden zodanig dat ik met mijn dienstvoertuig tegen de voorzijde van de Golf GTI aanreed. Ik zag toen dat de Golf GTI verder achteruit reed. Door de plotselinge manoeuvre van de Golf GTI kon ik niet tijdig remmen en reed met de voorzijde van mijn dienstvoertuig tegen de achterzijde van de Golf GTI. Ik zag dat door de aanrijding de achterklep van de Golf GTI opensprong. Ik zag daarna dat er vier zogenaamde lange honden uit de achterbak van de Golf GTI rolden en wegrenden. Ik zag vervolgens dat de Golf GTI met hoge snelheid (met geopende achterklep) wegreed in de richting van de Hoefstraat. Zelf bleef ik ter plaatse. Ikzelf stelde hierna via mijn mobilofoon het RCIC in kennis van wat er zich zojuist had afgespeeld. Tevens vroeg ik assistentie. Ik had mij nog niet eerder gemeld bij het RCIC. Terwijl ik hierna bezig was om de weggelopen lange honden terug te vinden en te vangen, zag ik dat er vanuit de richting Hoefstraat een auto over de Slaaistraat naderde. Ik zag dat het een rode Citroën, type AX betrof. Op een bepaald moment stond ik achter mijn dienstvoertuig, toen die Citroën passeerde. Ik zag dat het raam aan de passagierszijde open stond en dat de achterzijruiten geblindeerd waren. Ik zag dat in die auto voorin tenminste twee personen zaten die ik als ongure types bestempel. Toen ik mij realiseerde dat deze auto mogelijk een van de twee auto's zonder verlichting kon zijn geweest riep ik door het geopende raam van de Citroën: "Halt. Politie". Ik zag en hoorde toen dat de bestuurder van de Citroën direct de snelheid van zijn auto verhoogde en wegreed in de richting van de Hilstraat. Van deze wegrijdende Citroën AX nam ik in de haast het kenteken op en ik noteerde als kenteken [AA-00-AA]. Na informatie bij het RCIC bleek dit niet afgegeven te zijn voor een rode Citroën AX, maar voor een Opel. Later trof de politie in Roosendaal een rode Citroën AX aan met het kenteken [BB-00-BB]. Deze auto met nagenoeg hetzelfde kenteken is voor onderzoek veiliggesteld op het bureau van politie aan de Nieuwstraat te Roosendaal. Toen ik vanmorgen de auto zag, herkende ik deze als de rode Citroën AX, waarover ik in het bovenstaande verklaard heb. Hierna kwam de politie ter plaatse om mij assistentie te verlenen. Ik zag dat de politie in haar opvallend dienstvoertuig een lange hond had zitten, die kort tevoren in de buurt door de politie opgevangen was."

b. een proces-verbaal van politie, voorzover inhoudende als verklaring van [medeverdachte 1]:

"Zoals ik reeds in mijn vorige verklaring heb verteld heb ik verkering met [betrokkene 1]. Zodoende kom ik de laatste tijd regelmatig bij haar thuis op de [a-straat] te [woonplaats]. Zodoende heb ik natuurlijk ook haar vader [verdachte] leren kennen. Haar vader heeft een zogenaamde hazewindhond. De kleur van deze hond is geel. Verder heeft hij nog dikwijls een wit/zwarte hazewindhond in de kooi bij zijn woonwagen zitten. Ik weet niet precies of deze hond ook van hem is. Ik weet sinds twee maanden dat mijn schoonvader met deze honden op wild stroopt. Deze honden zijn daar speciaal op afgericht. Het zijn denk ik dure honden omdat ze speciaal afgericht moeten worden.

Ongeveer twee maanden geleden ben ik voor de eerste keer met mijn schoonvader en nog een aantal mannen uit Eindhoven meegeweest om met de honden te gaan stropen. Naderhand ben ik nog een paar keer met hem meegeweest om te stropen.

Gisteravond, vrijdag 16 februari 2001, was ik bij mijn vriendin op de [a-straat]. In de loop van de avond zijn er bij mijn schoonvader een aantal mannen uit Eindhoven gekomen. Deze hadden zelf ook twee hazewindhonden bij zich. Een van de honden was zwart en de andere was ook een gele. Ik weet ook nog dat een van de honden een rood/gele halsband droeg. Ik weet niet meer welke hond dit was. Omstreeks 23.00 uur gisteravond zijn wij met ongeveer 8 à 10 mannen vanaf het woonwagenkamp aan de [a-straat] vertrokken om te gaan stropen. We hadden in totaal drie auto's bij ons. Mijn schoonvader reed in een grijs/zwarte Volkswagen Golf GTI. Een jongen met een Indisch uiterlijk zonder snor in een rode Citroën. Verder reed er nog iemand in een witte Volkswagen diesel met een schuin aflopende achterkant. Ikzelf zat achterin de rode Citroën. In deze auto zit geen achterbank. Verder weet ik dat in de zwarte Volkswagen Golf buiten mijn schoonvader nog twee personen zaten. In de witte auto zaten drie of vier mannen. In de auto waarin ik zat zaten verder nog twee mannen.

De afgelopen nacht hebben wij gezamenlijk met de vier honden op wild gestroopt. Wij zijn de gehele nacht in de buurt van Roosendaal geweest. Eigenlijk in dezelfde hoek als waar wij vanmorgen zijn betrapt. We hadden vannacht drie hazen gevangen. Ik zal u proberen uit te leggen hoe het stropen in zijn werk gaat. We rijden altijd met drie auto's achter elkaar. De voorste auto wordt gebruikt voor de honden en het stropen. Met de koplichten van deze auto wordt vanaf de weg in het veld geschenen. Altijd met groot licht. Als er een haas gezien wordt blijft deze meestal zitten vanwege het licht. Als het goed is dan pakt de hond de haas en bijt hem dood. Hij brengt de haas dan vervolgens terug naar de auto. Dit lukt niet altijd omdat het wild natuurlijk ook wel eens ontsnapt. Achter de zogenoemde stroopauto rijden wij met twee auto's. De bedoeling hiervan is dat de laatste twee auto's de weg blokkeren als er politie of een jachtopziener verschijnt. De middelste auto passeert de stroopauto en zet deze dan schuin op de weg, zodat de stroopauto hem nog voorbij kan rijden en kan ontsnappen. Als de politieauto langs achter nadert wordt de achterste auto dwars op de weg gezet zodat de stroopauto snel kan ontsnappen. De twee volgauto's rijden altijd zonder verlichting.

Vanmorgen vroeg omstreeks 05.30 reden wij met zijn drieën achter elkaar in het buitengebied van Roosendaal. Plotseling was er onraad. Ik heb zelf niet goed kunnen zien wat er allemaal gebeurde, doch er was politie of een jachtopziener in de buurt. Er kwam in elk geval een grote terreinauto uit een zijstraat van links en deze kwam ons tegemoet gereden. De stroopauto stopte toen midden op de weg. Ik zag toen dat de terreinauto tegen de voorkant van de stroopauto reed. Ik zag allemaal blik en stukken van de auto op de weg vallen. Ik zag dat de grijze Golf achteruit werd geduwd door de terreinauto. De middelste auto welke voor ons reed en de auto waarin ik zat, zijn gestopt en eerst een stukje achteruit gereden. Daarna zijn de middelste auto en de achterste als een speer vooruit gereden en zijn langs de grijze Golf en de terreinauto gereden. Ik zag toen dat de grijze Golf flink beschadigd was. Ik zag toen dat alle honden buiten op straat liepen. We zijn toen terug naar Roosendaal gereden en zijn uiteindelijk in die doodlopende straat door de politie aangehouden. Ik weet niet meer precies wie er in de grijze Golf heeft gereden op het moment van de aanrijding met de jachtopzichter. Ik weet alleen dat mijn schoonvader gisteravond van het kamp is weggereden en de hele nacht in de zwarte Golf heeft gezeten. Buiten mijn schoonvader, ikzelf en de twee jongens waarmee ik aangehouden ben waren er dus nog vier vijf mannen bij het stropen aanwezig."

c. een proces-verbaal van politie, opgemaakt door de opsporingsambtenaren C.J.M. Koen en R. Mulder, voorzover inhoudende als relaas van de verbalisanten:

"Inbeslagname

Tijdens het onderzoek zijn de navolgende goederen inbeslaggenomen:

- 4 greyhounds, zogenaamde "lange honden". De honden werden in de loop van zaterdag 17 februari 2001 loslopend aangetroffen in het veld nabij de plaats van overtreding. Betreffende honden zijn op zaterdag 17 februari 2001 gedeponeerd bij Provinciale Voedselcommissaris, opslaghouder 080."

d. een proces-verbaal van politie, opgemaakt door de opsporingsambtenaren R. Hentzen, R. Mulder en J.M. Beck, voorzover inhoudende als relaas van de verbalisant:

"Op zaterdag 17 februari 2001, omstreeks 08.20 uur ontvingen wij via de telefoon de melding dat in de Slaaistraat te Roosendaal een witte Volkswagen Passat met het kenteken [CC-00-CC] rondreed, waarin zojuist een zogenaamde lange hond was ingeladen. Het zou hier gaan om een greyhound. Hierna zijn we meteen achter de witte Volkswagen Passat aangereden en konden deze Passat op de Vroenhoutseweg tot stilstand brengen. Hiertoe gaven wij de bestuurder een stopteken, waaraan hij voldeed. Wij troffen in deze witte Volkswagen Passat, voorzien van het kenteken [CC-00-CC] twee personen aan; [medeverdachte 2] als bestuurder en [verdachte] als passagier.

Nadat wij hen de reden van onze komst hadden medegedeeld, werden beide personen door ons aangehouden terzake van vermoedelijke overtreding van de Jachtwet. Bij onderzoek in de witte Volkswagen Passat voorzien van het kenteken [CC-00-CC] troffen wij, Hentzen en Mulder: twee hondenriemen in het dashboardkastje, een aantal flesjes water in de kofferbak en een kokertje, gevuld met korrels en voorzien van het opschrift Jomani, vermoedelijk bestemd als lokapparaat voor honden."

e. een proces-verbaal van politie, opgemaakt door de opsporingsambtenaar A.E. Boelhouwers, voorzover inhoudende als relaas van de verbalisant:

"Op zaterdag 17 februari 2001, omstreeks 05.45 uur ontvingen wij een melding van stroperij in de Slaaistraat te Roosendaal. Omdat er een aanrijding plaatsvond tussen de stropers en de jachtopzichter, werd onze ondersteuning gevraagd. Bij deze stroperij zou een rode personenauto betrokken zijn met het kenteken [DD-00-DD]. Dit kenteken werd via de mobilofoon aan ons doorgegeven. Wij zijn onmiddellijk ter plaatse gegaan. Op zaterdag 17 februari 2001 omstreeks 06.00 uur, reden wij vanaf de Rijksweg A-58 afrit Roosendaal West, de Heirweg te Roosendaal op. Na enkele honderden meters zagen wij dat ons een rode personenauto tegemoet kwam gereden. Dit voertuig was voorzien van het kenteken [BB-00-BB] en reed met hoge snelheid. Wij hebben de achtervolging ingezet. Het voertuig werd in een rij met geparkeerde auto's weggezet met gedoofde verlichting. Door ons werd dit voertuig klemgezet, waarna de inzittenden werden aangehouden. De auto was een rode Citroën AX, voorzien van het kenteken [BB-00-BB] en op naam gesteld van [betrokkene 2], geboren op [geboortedatum] 1968 te [geboorteplaats]. In de auto werden aangetroffen als bestuurder voornoemde [betrokkene 2]. Daarnaast werden in de auto aangetroffen [medeverdachte 1], geboren op [geboortedatum] 1980 te [geboorteplaats], [betrokkene 3], geboren op [geboorteplaats] 1962 te [geboorteplaats]. In de auto werden als bijrijder achterin [medeverdachte 1] aangetroffen en [betrokkene 3] als bijrijder voorin."

3.3. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep houdt, voorzover hier van belang, in:

"Verdachtes raadsman verklaart - zakelijk weergegeven:

(...)

Ook zou ik [medeverdachte 1] als getuige willen horen. Gezien zijn uitvoerige verklaring zoals hij die bij de politie heeft afgelegd vraag ik mij af of hem woorden in de mond zijn gelegd. Hij heeft immers weinig ervaring als stroper. Teneinde [medeverdachte 1] hieromtrent te horen verzoek ik eveneens om aanhouding.

(...)

Verdachte verklaart [medeverdachte 1] als getuige ter terechtzitting te willen horen.

Het hof trekt zich terug in raadkamer teneinde zich te beraden.

De voorzitter deelt na hervatting mede (...).

(...)

Voorts wijst het hof het verzoek om aanhouding ten einde [medeverdachte 1] te horen, af. Het hof is van oordeel dat gezien de door de verdediging aangevoerde reden het horen van [medeverdachte 1] niet noodzakelijk is omdat uit de verklaring - zoals

[medeverdachte 1] die bij de politie heeft afgelegd - blijkt dat hij reeds een aantal malen is meegeweest om te stropen. Bij ontbreken van door de verdediging gestelde nadere feiten of omstandigheden is er zelfs geen begin van aannemelijkheid dat de politie [medeverdachte 1] woorden in de mond heeft gelegd met betrekking tot de gebruikelijke gang van zaken bij het stropen."

3.4. Bij de beoordeling van het middel moet worden vooropgesteld dat in een geval als het onderhavige waarin de verdediging niet in enig stadium de gelegenheid heeft gehad de persoon die een verklaring tegenover de politie heeft afgelegd te (doen) ondervragen, art. 6 EVRM aan het gebruik tot het bewijs van het proces-verbaal van de politie met een dergelijke verklaring niet in de weg staat, als de betrokkenheid van de verdachte bij het hem tenlastegelegde feit in voldoende mate steun vindt in andere bewijsmiddelen, en voorts dat dit steunbewijs dan betrekking zal moeten hebben op die onderdelen van de hem belastende verklaring die hij betwist (vgl. HR 12 oktober 1999, NJ 1999, 827).

3.5. Gelet hierop en in aanmerking genomen (a) dat de betrokkenheid van de verdachte bij het bewezenverklaarde slechts kan worden afgeleid uit de hiervoor onder 3.3 sub b weergegeven, tegenover de politie afgelegde verklaring van [medeverdachte 1], en (b) dat deze verklaring niet voldoende steun vindt in de andere bewijsmiddelen, had het Hof die verklaring niet tot het bewijs mogen bezigen. In zoverre is het middel terecht voorgesteld.

4. Slotsom

Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven, de middelen voor het overige geen bespreking behoeven en als volgt moet worden beslist.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

Vernietigt de bestreden uitspraak;

Verwijst de zaak naar het Gerechtshof te Arnhem, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Dit arrest is gewezen door de vice-president C.J.G. Bleichrodt als voorzitter, en de raadsheren A.J.A. van Dorst en J. de Hullu, in bijzijn van de waarnemend-griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op 16 november 2004.