Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2004:AR3202

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
16-11-2004
Datum publicatie
12-01-2005
Zaaknummer
00394/04
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2004:AR3202
In cassatie op : ECLI:NL:GHSHE:2003:AO9472
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

1. Toevoeging van stukken aan dossier door OM in appèl. De A-G en de verdachte zijn ex art. 414.1 Sv bevoegd in appèl nieuwe stukken over te leggen. Uitoefening van die bevoegdheid is onderworpen aan beginselen van een behoorlijke procesorde. Van geval tot geval zal moeten worden beoordeeld of daaraan is voldaan, waarbij mede betekenis toekomt aan de (belastende of ontlastende) aard van de betreffende stukken en, indien het om belastende stukken gaat, aan de (al dan niet complexe) aard van de te berechten zaak en het stadium waarin de procedure zich bevindt (HR NJ 2000, 214). 2. Voor de beoordeling van de vraag in welke mate de redelijke termijn is overschreden, is mede van belang de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten – dus niet alleen door het OM – is behandeld (HR NJ 2000, 721). 3. Hof heeft terecht niet de teruggave gelast van inbeslaggenomen geld, nu de zittingsrechter ex art. 353.1 Sv slechts verplicht is te beslissen over ex art. 94 Sv inbeslaggenomen voorwerpen, terwijl het beslag i.c. is gebaseerd op art. 94a Sv.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering
Wetboek van Strafvordering 94
Wetboek van Strafvordering 94a
Wetboek van Strafvordering 353
Wetboek van Strafvordering 414
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOW 2005, 50
NBSTRAF 2004/467
NbSr 2004/467
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 november 2004

Strafkamer

nr. 00394/04

IV/SM

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 1 augustus 2003, nummer 20/000331-01, in de strafzaak tegen:

[verdachte], geboren te [geboorteplaats] (Irak) op [geboortedatum] 1972, wonende te [woonplaats].

1. De bestreden uitspraak

Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Rechtbank te Maastricht van 12 december 2000 - de verdachte ter zake van "opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, eerste lid onder C, van de Opiumwet (oud) gegeven verbod, strafbaar gesteld bij artikel 10, tweede lid, van de Opiumwet (oud) veroordeeld tot twee jaren gevangenisstraf. Voorts heeft het Hof de vordering tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijk opgelegde straf afgewezen.

2. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. M. Moszkowicz, advocaat te Maastricht, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad de bestreden uitspraak zal vernietigen, doch uitsluitend wat betreft de strafoplegging, en de zaak zal verwijzen naar een aangrenzend Gerechtshof, opdat de zaak in zoverre op het bestaande beroep opnieuw zal worden berecht en afgedaan, met verwerping van het beroep voor het overige.

3. Beoordeling van het tweede en het derde middel

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Beoordeling van het eerste middel

4.1. Het middel behelst de klacht dat het Hof de beslissing om acht te slaan op het door het Openbaar Ministerie na het vonnis van de Rechtbank overgelegde bewijsmateriaal ontoereikend heeft gemotiveerd.

4.2. Het bestreden arrest houdt, voorzover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:

"Door de raadsman van de verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat door het openbaar ministerie, na de beroepen uitspraak van de rechtbank, aanvullend bewijsmateriaal aan het dossier is toegevoegd op een wijze die in strijd is met de beginselen van een behoorlijke procesorde wat tengevolge dient te hebben dat dit aanvullend bewijsmateriaal dient te worden uitgesloten. Door de raadsman van de verdachte is aangevoerd dat het openbaar ministerie deze aanvullende stukken te laat aan het dossier heeft toegevoegd en voorts dat het om een zodanige hoeveelheid materiaal althans materiaal van een zodanig belang gaat dat de bewijsbaarheid van het tenlaste gelegde feit, pas tot volle rijping kon komen op de terechtzitting in hoger beroep, zo althans heeft het hof het verweer begrepen.

Het hof merkt ten aanzien van het voornoemde verweer op dat het aanvullend bewijsmateriaal zich thans reeds meer dan één halfjaar in het strafdossier bevindt. De verdediging heeft derhalve ruimschoots de gelegenheid gehad om dat materiaal te bestuderen en zich op eventuele processuele complicaties te beraden. Daarnaast hebben gelet op de door het hof gebruikte bewijsmiddelen de aan het dossier toegevoegde stukken geen andere functie dan een aanvulling op het reeds bestaande materiaal. Van deze aanvulling kan niet gezegd worden dat de bewijsbaarheid pas tot volle rijping is gekomen op de terechtzitting in hoger beroep.

Gelet op het hiervooroverwogene en mede gelet op de ernst van de aan verdachte verweten gedragingen kan naar het oordeel van het hof niet gesteld worden dat door het openbaar ministerie ten deze gehandeld is in strijd met de beginselen van een behoorlijke procesorde.

Het verweer wordt bijgevolge verworpen."

4.3. Ingevolge art. 414, eerste lid tweede volzin, Sv zijn de advocaat-generaal bij het hof en de verdachte bevoegd voor of bij de behandeling van een zaak in hoger beroep nieuwe bescheiden of stukken van overtuiging over te leggen. De uitoefening van die bevoegdheid is evenwel onderworpen aan de eisen die voortvloeien uit de beginselen van een behoorlijke procesorde. Een algemene regel daaromtrent valt niet te geven. Van geval tot geval zal dus moeten worden beoordeeld of aan die eisen is voldaan, waarbij mede betekenis toekomt aan de (belastende dan wel ontlastende) aard van de over te leggen bescheiden of stukken en, indien het om belastende bescheiden of stukken gaat, aan de (al dan niet complexe) aard van de te berechten zaak en het stadium waarin de procedure zich bevindt (vgl. HR 16 november 1999, NJ 2000, 214).

4.4. Gelet op hetgeen hiervoor onder 4.3 is overwogen, geeft 's Hofs oordeel dat door het Openbaar Ministerie te dezen niet is gehandeld in strijd met de beginselen van een behoorlijke procesorde, niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Dat oordeel, dat niet onbegrijpelijk is in het licht van hetgeen door het Hof is vastgesteld, is naar behoren met redenen omkleed en kan - verweven als het is met waarderingen van feitelijke aard - in cassatie niet verder worden getoetst.

4.5. Het middel faalt derhalve.

5. Beoordeling van het vierde middel

5.1. Het middel klaagt dat het Hof ten onrechte heeft volstaan met de constatering dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden op de grond dat slechts een bijzonder klein deel van die overschrijding is te wijten aan het Openbaar Ministerie.

5.2. Het bestreden arrest houdt, voorzover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:

"Door de raadsman van de verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat het tijdsverloop tussen het vonnis van de rechtbank en de inhoudelijke behandeling van de zaak in hoger beroep onredelijk lang is. De raadsman van de verdachte heeft aangevoerd dat in deze zaak in plaats van de redelijke termijn van 24 maanden, een redelijke termijn van 16 maanden heeft te gelden omdat de verdachte op enig moment in voorlopige hechtenis heeft verbleven. De overschrijding van de redelijke termijn dient volgens de verdediging te leiden tot strafvermindering.

Het hof stelt daarbij voorop dat in deze zaak niet de door de verdediging genoemde redelijke termijn van 16 maanden van toepassing is, maar de redelijke termijn van 24 maanden. De verkorte termijn van 16 maanden is alleen van toepassing in het geval de verdachte in voorlopige hechtenis verblijft ten tijde van de behandeling van zijn zaak. In de onderhavige zaak is de verdachte, na de uitspraak van de rechter in eerste aanleg, in vrijheid gesteld en in het kader van deze zaak niet opnieuw gedetineerd geweest. Op basis daarvan heeft de redelijke termijn van twee jaren te gelden.

Met de raadsman van de verdachte is het hof van oordeel dat er sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn. Immers het hoger beroep werd door het openbaar ministerie ingesteld bij appelakte van 29 december 2000, wat betekent dat de behandeling van het geding in hoger beroep op 29 december 2002 afgerond diende te zijn. Nu het hof uitspraak zal doen op 1 augustus 2003, is er sprake van een overschrijding van de termijn van ongeveer zeven maanden. Het hof is van oordeel dat van deze overschrijding slechts een korte periode is toe te rekenen aan het openbaar ministerie. Dit betreft de periode van 29 december 2002 tot 17 januari 2003, zijnde de periode waarin het openbaar ministerie nog stukken toevoegde aan het dossier. De periode na 17 januari 2003 is niet toe te rekenen aan het openbaar ministerie.

Nu slechts een bijzonder klein deel van de overschrijding van de redelijke termijn is te wijten aan het openbaar ministerie zal het hof daar niet het gevolg van strafvermindering aan verbinden maar slechts volstaan met constatering van de overschrijding van de termijn."

5.3. Het Hof heeft geoordeeld dat te dezen kan worden volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden op de grond dat "slechts een bijzonder klein deel van die overschrijding van de redelijke termijn is te wijten aan het openbaar ministerie". Dat oordeel geeft blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Het aan een overschrijding van de redelijke termijn in de zin van art. 6, eerste lid, EVRM te verbinden rechtsgevolg - in de regel strafvermindering - is immers afhankelijk van de mate waarin de redelijke termijn is overschreden, terwijl voor de beoordeling van de vraag (of en zo ja) in welke mate de redelijke termijn is overschreden, mede van belang is de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten - dus niet alleen door het openbaar ministerie - is behandeld (vgl. HR 3 oktober 2000, NJ 2000, 721, rov. 3.13 en 3.22).

5.4. Het middel is terecht voorgesteld. De Hoge Raad zal om doelmatigheidsredenen verwijzing van de zaak achterwege laten en de opgelegde gevangenisstraf verminderen.

6. Beoordeling van het vijfde middel

6.1. Het middel bevat de klacht dat het Hof de beslissing om niet de teruggave aan de verdachte te gelasten van het inbeslaggenomen geldbedrag van f 10.000,-- ontoereikend heeft gemotiveerd.

6.2. Het bestreden arrest houdt, voorzover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:

"De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verzocht om teruggave van een hoeveelheid Nederlands geld, te weten een bedrag van FL. 10.000,- (...).

Ten aanzien van het inbeslaggenomen Nederlands geld merkt het hof op dat na verkregen machtiging van de rechter-commissaris het op deze gelden krachtens artikel 94 van het Wetboek van Strafvordering gelegde beslag is opgeheven onder het gelijktijdig leggen van conservatoir beslag krachtens artikel 94 a van het Wetboek van Strafvordering. Dit conservatoir beslag strekt tot bewaring van het recht van verhaal voor een naar aanleiding van dat misdrijf door de rechter op te leggen verplichting tot betaling van een geldbedrag aan de staat ter ontneming van het door de verdachte wederrechtelijk verkregen voordeel. Nu het niet onwaarschijnlijk is dat de strafrechter een geldbedrag ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel zal opleggen zal het hof niet de teruggave gelasten van de onder verdachte inbeslaggenomen gelden."

6.3.1. Art. 353, eerste lid, Sv luidt:

"In het geval van toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht, van oplegging van straf of maatregel, van vrijspraak of ontslag van alle rechtsvervolging neemt de rechtbank een beslissing over de met toepassing van artikel 94 inbeslaggenomen voorwerpen ten aanzien waarvan nog geen last tot teruggave is gegeven. Deze beslissing laat ieders rechten ten aanzien van het voorwerp onverlet."

6.3.2. De Memorie van Toelichting bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot de Wet van 12 april 1995, Stb. 254, tot wijziging van enige bepalingen in het Wetboek van Strafvordering en enkele andere wetten inzake de bewaring en teruggave van inbeslaggenomen voorwerpen, houdt ten aanzien van art. 353, eerste lid, Sv het volgende in:

"Door dit voorstel wordt de rechter verplicht in alle gevallen dat nog niet tot teruggave van de inbeslaggenomen voorwerpen is beslist, enige beslissing ten aanzien van die voorwerpen te nemen. Daarmee komt een einde aan de bestaande praktijk waarin de rechter zich buiten staat kan verklaren zodanige beslissing te nemen, bijvoorbeeld omdat de rechthebbende niet bekend is. Dit uitgangspunt lijdt uitzondering in het geval dat conservatoir beslag is gelegd in het kader van een strafrechtelijk financieel onderzoek. Daarom is de werking van dit artikel beperkt tot de inbeslagneming die is gebaseerd op artikel 94." (Kamerstukken II 1993-1994, 23 692, nr. 3, p. 18 en 19)

6.4. Gelet op hetgeen hiervoor onder 6.3 is weergegeven, heeft het Hof terecht niet de teruggave aan de verdachte gelast van het inbeslaggenomen geldbedrag van f 10.000,--, in aanmerking genomen dat de zittingsrechter op grond van art. 353, eerste lid, Sv alleen verplicht is een beslissing te nemen over de met toepassing van art. 94 Sv inbeslaggenomen voorwerpen, welke nog niet zijn teruggegeven, terwijl het Hof heeft vastgesteld dat het onderhavige beslag is gebaseerd op art. 94a Sv.

6.5. Het middel faalt derhalve.

7. Slotsom

Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.

8. Beslissing

De Hoge Raad:

Vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;

Vermindert deze in die zin dat de gevangenisstraf één jaar en tien maanden beloopt;

Verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president C.J.G. Bleichrodt als voorzitter, en de raadsheren J.P. Balkema en A.J.A. van Dorst, in bijzijn van de waarnemend-griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op 16 november 2004.