Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2004:AR2387

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
26-11-2004
Datum publicatie
26-11-2004
Zaaknummer
C03/234HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2004:AR2387
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

26 november 2004 Eerste Kamer Nr. C03/234HR JMH Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van: 1. BODERLESS DATA TRANSFER B.V., gevestigd te Nispen, gemeente Roosendaal en Nispen, 2. [Eiser 2], wonende te [woonplaats], België, EISERS tot cassatie, advocaat: mr. H.J.W. Alt, t e g e n [Verweerster], gevestigd te [vestigingsplaats], VERWEERSTER in cassatie, niet verschenen 1. Het geding in feitelijke instanties...

Wetsverwijzingen
Wet op de rechterlijke organisatie 81
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2004, 625
JWB 2004/427
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

26 november 2004

Eerste Kamer

Nr. C03/234HR

JMH

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

1. BORDERLESS DATA TRANSFER B.V.,

gevestigd te Nispen, gemeente Roosendaal en Nispen,

2. [Eiser 2],

wonende te [woonplaats], België,

EISERS tot cassatie,

advocaat: mr. H.J.W. Alt,

t e g e n

[Verweerster],

gevestigd te [vestigingsplaats],

VERWEERSTER in cassatie,

niet verschenen.

1. Het geding in feitelijke instanties

Verweerster in cassatie - verder te noemen: [verweerster] - heeft bij exploot van 7 februari 1997 eiseres tot cassatie sub 1 - verder te noemen: Borderless - gedagvaard voor de rechtbank te Breda en gevorderd bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, Borderless te veroordelen aan [verweerster] tegen behoorlijk bewijs van kwijting te voldoen een bedrag van ƒ 133.942,--, exclusief BTW, te vermeerderen met de wettelijke rente.

Eiser tot cassatie sub 2 - verder te noemen: [eiser 2] - heeft bij incidentele conclusie voeging en tussenkomst aan de zijde van Borderless verzocht.

[Verweerster] heeft in het incident het verzoek tot voeging en tussenkomst bestreden.

De rechtbank heeft bij vonnis van 19 augustus 1997 in het incident het verzoek tot voeging toegewezen en het verzoek tot tussenkomst afgewezen.

Borderless heeft in de hoofdzaak de vordering bestreden en in reconventie gevorderd:

I [verweerster] te veroordelen om binnen acht dagen na betekening van het te wijzen vonnis, althans binnen een in goede justitie te bepalen termijn, aan Borderless schriftelijk op te geven aan welke derden [verweerster] programmatuur, afkomstig van Borderless, dan wel van [eiser 2], ter beschikking heeft gesteld en met welke opdracht of met welk doel, zulks op verbeurte van een dwangsom van ƒ 100.000,-- per dag dat [verweerster] in gebreke mocht blijven aan het vonnis te voldoen;

II voor recht te verklaren dat [verweerster] inbreuk heeft gemaakt op het auteursrecht van Borderless en/althans van [eiser 2];

III [verweerster] te veroordelen aan Borderless te vergoeden de kosten en schade ten gevolge van de door [verweerster] gepleegde inbreuk op het auteursrecht van Borderless en/althans van [eiser 2], op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet met de rente over het schadebedrag vanaf de dag van de inbreuk tot en met de dag van algehele voldoening.

[Eiser 2] heeft bij conclusie gesteld zich volledig te kunnen verenigen met het door Borderless in conventie en in reconventie gestelde.

[Verweerster] heeft de vorderingen in reconventie bestreden.

De rechtbank heeft bij tussenvonnis van 28 december 1999 in conventie [verweerster] in de gelegenheid gesteld om zich over een aantal vraagpunten uit te laten en stukken in het geding te brengen. Bij eindvonnis van 6 februari 2001 heeft de rechtbank in conventie Borderless veroordeeld om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [verweerster] te betalen een bedrag van ƒ 19.181,30 exclusief BTW, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 6 februari 1997 tot de dag der algehele voldoening, en zowel het meer of anders in conventie als het in reconventie gevorderde afgewezen

Tegen beide vonnissen hebben zowel Borderless als [eiser 2] in conventie als in reconventie hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch. [Verweerster] heeft incidenteel hoger beroep ingesteld. Daarbij heeft [verweerster] in conventie toewijzing van haar vordering tot een bedrag van ƒ 142.888,30 vermeerderd met de wettelijke rente gevorderd.

Bij arrest van 27 mei 2003 heeft het hof op het principaal en incidenteel appel het tussenvonnis van de rechtbank van 28 december 1999 bekrachtigd, het eindvonnis van 6 februari 2001 voor zover in conventie gewezen, vernietigd en, in zoverre opnieuw rechtdoende, Borderless veroordeeld om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [verweerster] te betalen een bedrag van € 15.418,23 exclusief BTW, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 7 februari 1997 tot de dag der voldoening, en deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Voorts heeft het hof het in conventie in eerste aanleg en in hoger beroep meer of anders gevorderde afgewezen en het eindvonnis van 6 februari 2001 voor zover gewezen in reconventie en in het incident bekrachtigd.

Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof hebben Borderless en [eiser 2] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Tegen de niet verschenen [verweerster] is verstek verleend.

Borderless en [eiser 2] hebben de zaak doen toelichten door hun advocaat.

De conclusie van de Advocaat-Generaal E.M. Wesseling-van Gent strekt tot verwerping van het beroep.

3. Beoordeling van het middel

De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

verwerpt het beroep;

veroordeelt Borderless in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerster] begroot op nihil.

Dit arrest is gewezen door de raadsheren J.B. Fleers, als voorzitter, E.J. Numann en J.C. van Oven, en in het openbaar uitgesproken door de vice-president P. Neleman op 26 november 2004.