Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2004:AR2108

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
26-10-2004
Datum publicatie
26-10-2004
Zaaknummer
00796/04
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2004:AR2108
In cassatie op : ECLI:NL:GHSGR:2003:AI0976
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Het in verband van de vordering van de benadeelde partijen (erven slachtoffers) door verdachte gedane beroep op eigen schuld van de slachtoffers vindt zijn weerlegging in de verwerping van het beroep op noodweer(exces).

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht
Wetboek van Strafrecht 41
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 101
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2004, 544
NJ 2004, 689
NBSTRAF 2004/441
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

26 oktober 2004

Strafkamer

nr. 00796/04

AGJ/IV

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 7 juli 2003, nummer 22/003262-02, in de strafzaak tegen:

[verdachte], geboren in [geboorteplaats] (Suriname) op [geboortedatum] 1956, zonder bekende woonplaats hier te lande, ten tijde van de betekening van de aanzegging gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting "De Schie" te Rotterdam.

1. De bestreden uitspraak

Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Rechtbank te Rotterdam van 10 juli 2002 - de verdachte ter zake van 1., 2. en 3. "doodslag, meermalen gepleegd" veroordeeld tot twintig jaren gevangenisstraf. Voorts heeft het Hof de vorderingen van de benadeelde partijen toegewezen en aan de verdachte een betalingsverplichting opgelegd een en ander zoals in het arrest vermeld.

2. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. A.M. Seebregts, advocaat te Rotterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad de bestreden uitspraak zal vernietigen, doch uitsluitend ten aanzien van de strafoplegging, en dat de Hoge Raad zelf de opgelegde straf zal verminderen.

3. Beoordeling van het eerste middel

3.1. Het middel behelst de klacht dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden.

3.2. De verdachte heeft op 10 juli 2003 beroep in cassatie ingesteld. Blijkens een op de inventaris van de stukken geplaatst stempel zijn deze op 24 maart 2004 ter griffie van de Hoge Raad binnengekomen.

3.3. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Het middel is dus terecht voorgesteld. Dit moet leiden tot strafvermindering.

4. Beoordeling van het achtste middel

4.1. Het middel bevat de klacht dat het Hof de vorderingen van de benadeelde partijen - de erven van de slachtoffers - gedeeltelijk heeft toegewezen zonder gemotiveerd te beslissen op het namens de verdachte gedane beroep op eigen schuld van de slachtoffers.

4.2. Het hof heeft de vorderingen telkens toegewezen voorzover het betreft de begrafeniskosten en de kosten voor het aanbrengen van een gedenksteen. Voor het overige heeft het Hof de vorderingen niet van zo eenvoudige aard geacht dat deze zich lenen voor behandeling in het strafgeding, zodat de benadeelde partijen in zoverre in hun vorderingen niet-ontvankelijk zijn verklaard.

4.3. Voor de beoordeling van het middel is van belang dat de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep een beroep heeft gedaan op noodweer onderscheidenlijk noodweerexces. Dat beroep heeft het Hof als volgt verworpen, voorzover hier van belang:

"Het hof stelt voorop dat verdachte's lezing van de feiten en omstandigheden die aan het beroep ten grondslag worden gelegd in essentie op zichzelf staat en onvoldoende steun vindt in hetgeen uit de stukken en de behandeling van de zaak ter zitting naar voren is gekomen. Het hof acht die verklaring ook niet geloofwaardig.

Het hof heeft op bepaalde punten ook gerede twijfel aan verdachte's relaas over de toedracht van het gebeuren. Als zodanig noemt het hof met name:

- Verdachte's verklaring over de eerste, plotselinge aanval door [slachtoffer 1] waarbij verdachte zodanig aan de elleboog werd verwond dat hij hevig bloedde. Verdachte heeft verklaard dat het bloed langs zijn arm omlaag stroomde. Deze verklaring lijkt minder geloofwaardig nu enig motief van [slachtoffer 1] voor een dergelijk optreden niet aannemelijk is geworden. Deze verklaring verdraagt zich bovendien niet goed met het feit dat geen bloedsporen van verdachte zijn aangetroffen in de keuken ter plaatse waar hij naar zijn zeggen vervolgens het mes heeft gepakt.

- Verdachte's verklaring over zijn grote angst voor de hond in de tuin die hem belette via de tuin weg te gaan. Deze verklaring spoort niet met verdachte's verklaring dat hij even later toch van plan was om via de tuin weg te gaan ondanks de aanwezigheid van de hond.

- Verdachte's verklaring dat [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] hem wilden beletten de woning te verlaten, terwijl verdachte volgens eigen zeggen juist een schuld kwam opeisen bij [slachtoffer 2].

4.4. Klaarblijkelijk en niet onbegrijpelijk heeft het Hof het door de raadsman gedane, niet nader gefundeerde, beroep op eigen schuld van de slachtoffers met betrekking tot de door de benadeelde partijen ingestelde vorderingen aldus opgevat dat de verdediging zich op het standpunt stelt dat het ontstaan van de schade geheel of ten dele aan de slachtoffers zelf te wijten is geweest omdat [slachtoffer 1] de verdachte heeft aangevallen en met een mes heeft gestoken en de andere twee zich aan [slachtoffer 1]s zijde hebben geschaard en de verdachte hebben belemmerd in zijn pogen zich aan de aanval van die [slachtoffer 1] te onttrekken en de desbetreffende woning te verlaten.

4.5. Aldus opgevat vindt het beroep op eigen schuld zijn weerlegging in het door het Hof in de verwerping van het beroep op noodweer danwel noodweerexces zoals hiervoor onder 4.3 is weergegeven, tot uitdrukking gebrachte oordeel dat de stelling van de verdachte dat hij werd aangevallen, respectievelijk werd belemmerd in zijn vlucht uit de woning, niet aannemelijk is geworden.

4.6. Het middel kan dus niet tot cassatie leiden.

5. Beoordeling van de overige middelen

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

6. Slotsom

Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.

7. Beslissing

De Hoge Raad:

Vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;

Vermindert deze in die zin dat deze 19 jaar en elf maanden beloopt;

Verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president C.J.G. Bleichrodt als voorzitter, en de raadsheren J.P. Balkema en B.C. de Savornin Lohman, in bijzijn van de waarnemend-griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op 26 oktober 2004.