Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2004:AR2067

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
30-11-2004
Datum publicatie
01-12-2004
Zaaknummer
00643/04
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2004:AR2067
In cassatie op : ECLI:NL:GHSGR:2003:AO2620
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Van psychische overmacht is sprake bij een van buiten komende drang waaraan de verdachte redelijkerwijze geen weerstand kan en ook ook niet behoeft te bieden. Onder omstandigheden kan het feit dat de verdachte zich heeft gebracht in de situatie waarin die drang op hem is uitgeoefend in de weg staan aan een succesvol beroep op psychische overmacht. I.c. is het beroep op psychische overmacht door het hof op ontoereikende gronden verworpen.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht
Wetboek van Strafrecht 40
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2004, 638
NJ 2005, 94 met annotatie van P. Mevis
NBSTRAF 2005/35
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

30 november 2004

Strafkamer

nr. 00643/04

LR/SM

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 11 december 2003, nummer 22/001053-03, in de strafzaak tegen:

[verdachte], geboren [te geboorteplaats] (Nederlandse Antillen) op [geboortedatum] 1978, ten tijde van de betekening van de aanzegging gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting "Noordsingel" te Rotterdam.

1. De bestreden uitspraak

Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Rechtbank te Rotterdam van 24 januari 2003 - de verdachte ter zake van 1. "diefstal, voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden, gemakkelijk te maken en om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en anderen de vlucht mogelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen", 2. "medeplegen van opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd houden" en 3. primair "medeplegen van moord" veroordeeld tot zes jaren gevangenisstraf, met verbeurdverklaring zoals in het arrest omschreven.

2. Geding in cassatie

2.1. Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben mr. G.P. Hamer en mr. A.M. Ficq-Kengen, beiden advocaat te Amsterdam, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Vellinga heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad het beroep zal verwerpen.

2.2. De Hoge Raad heeft kennisgenomen van het schriftelijk commentaar van de raadslieden op de conclusie van de Advocaat-Generaal.

3. Beoordeling van het middel

3.1. Het middel behelst de klacht dat het Hof het beroep op psychische overmacht heeft verworpen op gronden die de verwerping niet kunnen dragen en verwijst daartoe naar de pagina's 14-17 van de pleitnota in hoger beroep.

3.2. Ten laste van de verdachte is onder 3 bewezenverklaard dat hij:

"in de periode in de periode van 11 april 2002 tot en met 12 april 2002 te Capelle a/d IJssel tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk en met voorbedachten rade een persoon genaamd [het slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft één van zijn mededaders opzettelijk en na kalm beraad en rustig overleg, die [slachtoffer] in zijn hoofd geschoten, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden."

3.3. De aan het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 9 oktober 2003 gehechte pleitnota houdt op de hiervoor onder 3.1 genoemde bladzijden - voorzover hier van belang - in dat de raadsman het volgende heeft aangevoerd:

"58. De bewustzijnsvernauwing zoals die is geconstateerd door de psycholoog bij [verdachte] past geheel in lijn van de in de hierboven genoemde zaken geconstateerde stoornissen. Ook hier immers, is sprake van een van buiten komende druk, die een interne stoornis tot gevolg heeft, welke echter niet als een ziekelijke stoornis van de geestvermogens is aan te merken. De vraag is of deze toestand een psychische drang zoals vereist voor het aannemen van psychische overmacht oplevert.

59. Gezien de ook door de psycholoog geconstateerde wisselwerking tussen de bewustzijnsvernauwing enerzijds en de persoonlijkheidstrekken en weinig ontwikkelde mentale vermogens van [verdachte] anderzijds, meen ik dat van een dergelijke psychische drang in casu sprake is. Ik voel mij in die overtuiging bevestigd door de rapportage en verklaring van dhr. Hoek, die overigens veel meer dan in het pv van het verhoor naar voren komt bij zijn verklaring uitgebreid op deze materie is ingegaan.

60. [Verdachte] is als gevolg van het grote overwicht dat [medeverdachte 1] op hem had, de situatie waarin hij terecht was gekomen, zijn psychische toestand die dat bij hem teweeg bracht en zijn beperkte mentale vermogens onderhevig geweest aan een dwang waaraan hij redelijkerwijs geen weerstand kon bieden.

61. Ik wijs er daarbij nogmaals op te waken voor een al te objectieve beoordeling van de psychische toestand waarin cliënt zich bevond. Dit is immers het wezen van de psychische overmacht; dat bezien moet worden niet in hoeverre het objectief onmogelijk was voor een verdachte om een bepaalde psychische drang te weerstaan, maar in hoeverre dat redelijkerwijs van hem gevergd kon en kan worden gezien zijn subjectieve toestand ten tijde van het delict. Dit maakt psychische overmacht tot een schulduitsluitingsgrond, waar objectieve rechtvaardiging tot aanname van een rechtvaardigingsgrond zou moeten leiden.

62. Overigens is de zaak van vandaag ook bijna een klassiek voorbeeld van psychische overmacht nog los van de bovenstaande relatief recente ontwikkelingen die zich zoals gezegd meer op de psyche richten.

Immers, de situatie waarin iemand te horen krijgt dat hij moet helpen bij de vervulling van een strafbaar feit omdat hij anders wat aangedaan wordt, is al sinds jaar en dag het schoolvoorbeeld van een psychische overmachtsituatie.

63. Tijdens de gehele vervulling van het feitencomplex op de avond van 11 april 2002, is de psychische drang, het gevolg van het overwicht en de dreigementen van [medeverdachte 1], op cliënt van toepassing geweest. Dit is uitdrukkelijk door Dhr. Hoek bevestigd tijdens zijn verklaring bij de raadsheer-commissaris. Het is zelfs aannemelijk dat deze toestand ook in de dagen na 11 april de psyche van [verdachte] nog heeft beïnvloed.

64. Dit leidt ertoe dat [verdachte] een beroep toekomt op psychische overmacht voor wat betreft het gehele hem ten laste gelegde. Voor wat betreft het ten laste gelegde onder 3 dient dat te leiden tot een ontslag van alle rechtsvervolging wegens niet-strafbaarheid van de dader."

3.4. Het Hof heeft dit betoog als volgt samengevat en verworpen:

"De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep terzake van de feiten aangevoerd dat de verdachte gezien de geconstateerde wisselwerking tussen bewustzijnsvernauwing enerzijds en diens persoonlijkheidstrekken en weinig ontwikkelde mentale vermogens anderzijds in een toestand van psychische dwang verkeerde, en dat hij op grond van overmacht niet strafbaar is te achten.

Het hof verwerpt dit verweer en overweegt daartoe als volgt.

Uit het behandelde ter terechtzitting in hoger beroep is het volgende gebleken:

- voorafgaand aan de gebeurtenissen op 11 april 2002 had verdachte zijn medeverdachte [medeverdachte 1] leren kennen als iemand die zich met verdovende middelen en vuurwapens bezighield en die daarvoor ook had vastgezeten (pv. pg 288);

- ongeveer een maand tevoren had hij een gesprek tussen [medeverdachte 1] en de andere medeverdachte, [medeverdachte 2], gehoord over "geld en dingen regelen op Curaçao". Naar eigen zeggen dacht verdachte dat dit betrekking had op drugs en/of wapens (pv. pg 302);

- [medeverdachte 1] had eerder al gezegd dat hij op zoek was naar een vuurwapen en verdachte is behulpzaam geweest bij de aankoop daarvan. Volgens verdachte zijn zij vervolgens samen dat vuurwapen naar [medeverdachte 2] gaan brengen, die er geld voor gaf aan [medeverdachte 1];

- verdachte heeft verklaard dat hij door [medeverdachte 1] was gevraagd om mee te gaan naar [medeverdachte 2] teneinde "een probleem" met het latere slachtoffer op te lossen. Aanvankelijk wilde hij niet meegaan, volgens eigen zeggen "omdat hij wel verwachtte dat er problemen zouden komen" (pv. pg 304);

- verdachte wist van zichzelf dat hij niet gemakkelijk tegen [medeverdachte 1] opgewassen was.

Onder voormelde omstandigheden, in hun onderlinge samenhang bezien, had het op de weg van verdachte gelegen om niet met [medeverdachte 1] mee te gaan. Verdachte was daartoe in staat, zoals ook valt af te leiden uit zijn verklaring ter terechtzitting in eerste aanleg: "als ik wist dat het om een moord zou gaan had ik er wel voor kunnen zorgen dat ik niet in die situatie zou belanden. Ik kon namelijk weggaan". Nu verdachte ervoor gekozen heeft mee te gaan en niet "weg te gaan" heeft hij zichzelf verwijtbaar in de situatie gebracht, waarin hij als gevolg van een concrete bedreiging door [medeverdachte 1] te maken kreeg met de toestand van bewustzijnsvernauwing, waarvan de deskundige, drs B.F. Hoek (klinisch psycholoog), in zijn rapport melding maakt.

Gelet op dit alles faalt het beroep op psychische overmacht."

3.5. Indien een beroep op psychische overmacht is gedaan, zal de rechter op grond van dat verweer moeten onderzoeken of de voorwaarden voor aanvaarding van psychische overmacht zijn vervuld. Die houden in dat sprake moet zijn van een van buiten komende drang waaraan de verdachte redelijkerwijze geen weerstand kon en ook niet behoefde te bieden. Daarnaast kan onder omstandigheden het feit dat de verdachte zich heeft gebracht in de situatie waarin die drang op hem is uitgeoefend in de weg staan aan het slagen van het beroep op psychische overmacht.

3.6. Het bovenstaande in aanmerking genomen heeft het Hof het verweer op ontoereikende gronden verworpen.

Het Hof heeft in de eerste plaats zijn oordeel dat de voorwaarden voor de aanvaarding van een beroep op psychische overmacht niet zijn vervuld, onvoldoende gemotiveerd. Het Hof heeft immers overwogen dat de verdachte "als gevolg van een concrete bedreiging door [medeverdachte 1] te maken kreeg met de toestand van bewustzijnsvernauwing, waarvan de deskundige, drs B.F. Hoek (klinisch psycholoog), in zijn rapport melding maakt". Daargelaten dat het Hof niet duidelijk heeft gemaakt wat die bedreiging inhield en tegenover wie deze bedreiging is geuit, terwijl ook de stukken van het geding daarover niets inhouden, sluit deze overweging niet uit dat de door het Hof aangenomen "concrete bedreiging door [medeverdachte 1]" voor de verdachte zodanig was dat van hem redelijkerwijs niet kon worden gevergd daaraan weerstand te bieden. In de tweede plaats heeft het Hof onvoldoende gemotiveerd aangenomen dat er sprake was van zodanige "eigen schuld" als hiervoor onder 3.5 bedoeld, dat dat aan aanvaarding van een beroep op psychische overmacht in de weg staat, in aanmerking genomen dat het Hof niet meer heeft vastgesteld dan dat de verdachte zichzelf verwijtbaar in de situatie heeft gebracht waarin hij met een toestand van bewustzijnsvernauwing te maken kreeg.

3.7. Het middel is dus terecht voorgesteld.

4. Slotsom

Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven en als volgt moet worden beslist.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

Vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen ter zake van het onder 3 tenlastegelegde en de strafoplegging;

Verwijst de zaak naar het Gerechtshof te Amsterdam, opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan;

Verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president C.J.G. Bleichrodt als voorzitter, en de raadsheren G.J.M. Corstens, A.J.A. van Dorst, J.W. Ilsink en J. de Hullu, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 30 november 2004.