Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2004:AR1943

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
03-12-2004
Datum publicatie
03-12-2004
Zaaknummer
C04/097HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2004:AR1943
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

3 december 2004 Eerste Kamer Nr. C04/097HR JMH/MD Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van: Mr. Bart Matthijs MENDEL, in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van Worldexchange B.V., handelende onder de naam NETnet, wonende te Bloemendaal, EISER tot cassatie, advocaat: mr. J.P. Heering, t e g e n ABN AMRO BANK N.V., gevestigd te Amsterdam, VERWEERSTER in cassatie, advocaat: mr. G. Snijders. 1. Het geding in feitelijke instanties ...

Wetsverwijzingen
Faillissementswet 53
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2004, 652
NJ 2005, 200 met annotatie van P. van Schilfgaarde
RvdW 2004, 141
JWB 2004/429
JOR 2005/51 met annotatie van NEDF
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

3 december 2004

Eerste Kamer

Nr. C04/097HR

JMH/MD

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

Mr. Bart Matthijs MENDEL, in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van Worldexchange B.V., handelende onder de naam NETnet,

wonende te Bloemendaal,

EISER tot cassatie,

advocaat: mr. J.P. Heering,

t e g e n

ABN AMRO BANK N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

VERWEERSTER in cassatie,

advocaat: mr. G. Snijders.

1. Het geding in feitelijke instanties

Eiser tot cassatie - verder te noemen: de curator - heeft bij exploot van 16 november 2001 verweerster in cassatie - verder te noemen: de Bank - gedagvaard voor de rechtbank te Amsterdam en gevorderd bij vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te verklaren voor recht dat de Bank niet bevoegd was het bedrag dat zij uit hoofde van de na faillissementsdatum, zijnde 29 mei 2001, uitgevoerde storneringsopdrachten aan derden heeft voldaan te verrekenen met hetgeen zij op faillissementsdatum aan NETnet verschuldigd was uit hoofde van het (de) creditsaldo (saldi) op de door NETnet aangehouden rekeningen bij de Bank, althans dat de Bank het door haar verrekende bedrag dient te restitueren aan de boedel.

De Bank heeft de vordering bestreden.

De rechtbank heeft bij vonnis van 26 november 2003 de vordering afgewezen.

Het vonnis van de rechtbank is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Partijen zijn overeengekomen sprongcassatie in te stellen.

Tegen het vonnis van de rechtbank heeft de curator beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Bank heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.

De conclusie van de Advocaat-Generaal L. Timmerman strekt tot verwerping van het beroep.

3. Beoordeling van het middel

3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) Bij vonnis van de rechtbank Amsterdam van 29 mei 2001 is Worldexchange, handelende onder de naam NETnet, hierna te noemen NETnet, failliet verklaard met aanstelling van de curator als zodanig. NETnet hield bij de Bank een rekening aan met nummer [001], waarvan het saldo per 29 mei 2001 ƒ 1.081.270,27 credit bedroeg.

(ii) NETnet gebruikte in het verkeer met debiteuren een automatisch incassosysteem. Daartoe had zij op 1 april 1998 een Incassocontract Doorlopende Machtiging Algemeen, hierna te noemen het incassocontract, gesloten met de Bank Giro Centrale B.V., thans Interpay BankGiroCentrale B.V., hierna te noemen BGC, en de Bank. Krachtens het incassocontract is het NETnet toegestaan de vorderingen ten bedrage van minimaal ƒ 2,50 en maximaal ƒ 2.500,--, die zij heeft op rekeninghouders van de bij BGC aangesloten banken en de Postbank te incasseren via BGC.

(iii) Artikel 8 van dit incassocontract, waarin NETnet is aangeduid als 'de incassant' en de Bank als 'de bank van de incassant' luidt voor zover van belang als volgt:

"8 Terugboeking

8.1 De BGC bedingt hierbij ten behoeve van de bank van de debiteur en de debiteur het recht om binnen 30 kalenderdagen na de datum waarop de BGC in opdracht van de incassant de incasso heeft verwerkt, de incasso terug te laten boeken.

8.2 De bank van de incassant zal ongeacht de reden van terugboeking iedere terugboeking accepteren die door de BGC wordt verwerkt binnen 35 kalenderdagen na de datum van verwerking van de incasso-opdracht.

8.3 De incassant verbindt zich jegens zijn bank de debitering van zijn rekening tengevolge van een terugboeking te accepteren mits de voorgeschreven termijn in acht is genomen.

8.4 De BGC bedingt hierbij ten behoeve van de bank van de debiteur dat de bank van de incassant, indien zij om enigerlei reden de terugboeking niet kan doorvoeren, niettemin het betreffende bedrag aan de bank van de debiteur zal vergoeden. Terzake van die vergoeding heeft zij alsdan een vordering op de incassant.

8.5 Elke creditering van de rekening van de incassant uit hoofde van deze overeenkomst geschiedt onder de ontbindende voorwaarde dat de bank van de debiteur - al dan niet op verzoek van de debiteur - opdracht geeft tot terugboeking en deze opdracht door de BGC binnen de in artikel 8.2 genoemde termijn wordt uitgevoerd.

(...)"

(iv) De desbetreffende rekeninghouders van bij BGC aangesloten banken hebben met het oog op de incasso een "Doorlopende Machtiging A" ondertekend, waarbij zij, tot wederopzegging en tot een bepaald maximum, aan de crediteur machtiging hebben verleend van hun in die machtiging genoemde bankrekening bedragen af te schrijven ter zake van daarbij vermelde verplichtingen.

(v) De Bank heeft op of na de faillissementsdatum, te weten in de periode van 29 mei 2001 tot en met 26 juni 2001, voor een bedrag van in totaal ƒ 103.796,45 uitvoering gegeven aan opdrachten van (de banken van) debiteuren van NETnet tot terugboeking van de door hen via automatische incasso aan NETnet overgeboekte bedragen. De Bank heeft steeds de bankrekening van NETnet met de teruggeboekte bedragen gedebiteerd.

3.2 De curator heeft in het onderhavige geding gevorderd te verklaren voor recht dat de Bank niet bevoegd was het bedrag dat zij uit hoofde van de na de faillissementsdatum uitgevoerde storneringsopdrachten aan derden heeft voldaan, te verrekenen met hetgeen zij op de faillissementsdatum aan NETnet verschuldigd was uit hoofde van het creditsaldo (de creditsaldi) op de door NETnet aangehouden rekeningen bij de Bank, althans dat de Bank het door haar verrekende bedrag dient te restitueren aan de boedel. De rechtbank heeft de vordering van de curator afgewezen. Hiertegen richt zich het middel.

3.3.1 In geval van voldoening van een schuld door de debiteur door middel van overboeking van het verschuldigde bedrag op een bankrekening van de crediteur, zal in het algemeen de betaling worden geëffectueerd door en op het tijdstip van creditering van die bankrekening. Op dat tijdstip verkrijgt de crediteur een vordering op de bank ter grootte van het overgeboekte bedrag, hetgeen leidt tot een verhoging van zijn creditsaldo, respectievelijk een verlaging van zijn debetsaldo met eenzelfde bedrag. Het onderhavige geval wordt evenwel hierdoor gekenmerkt dat ingevolge het hiervoor in 3.1 onder (iii) weergegeven art. 8 van het incassocontract de creditering geschiedt onder een ontbindende voorwaarde, te weten dat de debiteur of diens bank binnen de gestelde termijn gebruik maakt van zijn bevoegdheid de incasso te laten terugboeken. Dit brengt mee dat de creditering binnen het systeem van de automatische incasso vooralsnog slechts de betekenis heeft van een betaling onder de opschortende voorwaarde dat de termijn is verlopen zonder dat van de bevoegdheid tot terugboeking gebruik is gemaakt. Vervulling van de voorwaarde doordat de debiteur of diens bank binnen de termijn zijn bevoegdheid uitoefent de incasso te laten terugboeken betekent dat definitief komt vast te staan dat geen betaling plaatsvindt, en leidt dan ook niet tot een verbintenis van de incasserende bank of de crediteur een betaling ongedaan te maken door een betaald bedrag terug te betalen. Voor zover in verband met de vervulling van de ontbindende voorwaarde sprake is van een verplichting tot ongedaanmaking, bestaat zij hierin dat de creditering van de rekening van de crediteur wordt ongedaan gemaakt door terugboeking, dat wil zeggen door boekhoudkundige debitering daarvan; deze debitering is vergelijkbaar met de stornering in geval van een onjuiste boeking en met de ongedaanmaking van een boeking in geval van een girale betaling zonder geldige opdracht (zie HR 26 januari 2001, nr. C99/065, NJ 2002, 118). Aantekening verdient dat ingevolge art. 8 lid 4 van het incassocontract slechts ingeval de terugboeking om enigerlei reden niet kan worden doorgevoerd, terugbetaling dient plaats te vinden.

3.3.2 Een en ander geldt evenzeer in geval van faillissement van de crediteur. Doordat gebruikmaking van de bevoegdheid de incasso te laten terugboeken betekent dat ondanks de creditering van de rekening de crediteur niet is betaald, is er geen vordering van de crediteur op de bank ter grootte van het gecrediteerde bedrag ontstaan, en doordat dientengevolge geen sprake is van terugbetaling, ontstaat ook geen vordering van de bank op de crediteur ter grootte van het gedebiteerde bedrag. De in art. 53 F bedoelde situatie doet zich derhalve niet voor.

3.3.3 Hetgeen hiervoor is overwogen strookt ook met hetgeen als strekking van de bevoegdheid tot terugboeking van een automatisch geïncasseerd bedrag moet worden aangenomen. Om voor de hand liggende redenen moet immers zowel de debiteur als diens bank ervan kunnen uitgaan dat een binnen de termijn verlangde terugboeking zonder meer wordt uitgevoerd. Zou hiervan niet meer ten volle kunnen worden uitgegaan, dan is niet onaannemelijk dat aan het stelsel van automatische incasso, dat een belangrijke rol in het betalingsverkeer vervult, afbreuk wordt gedaan doordat zowel bij banken als bij debiteuren minder bereidheid zal bestaan aan dit stelsel deel te nemen.

3.3.4 Op het vorenoverwogene stuiten alle klachten van het middel af.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

verwerpt het beroep;

veroordeelt de curator in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de Bank begroot op € 359,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president P. Neleman als voorzitter en de raadsheren J.B. Fleers, A.M.J. van Buchem-Spapens, P.C. Kop en E.J. Numann, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer F.B. Bakels op 3 december 2004.