Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2004:AR1243

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
12-11-2004
Datum publicatie
12-11-2004
Zaaknummer
R04/071HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2004:AR1243
Rechtsgebieden
Civiel recht
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

12 november 2004 Eerste Kamer Rek.nr. R04/071HR JMH Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van: [de vrouw], echtgenote van [de man], wonende te [woonplaats], VERZOEKSTER tot cassatie, advocaat: mr. R.F. Thunnissen. 1. Het geding in feitelijke instanties...

Wetsverwijzingen
Faillissementswet 287
Faillissementswet 288
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2004, 581
JWB 2004/389
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12 november 2004

Eerste Kamer

Rek.nr. R04/071HR

JMH

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[de vrouw], echtgenote van [de man], wonende te [woonplaats],

VERZOEKSTER tot cassatie,

advocaat: mr. R.F. Thunnissen.

1. Het geding in feitelijke instanties

Met een op 30 januari 2004 gedateerd verzoekschrift hebben verzoekster tot cassatie - verder te noemen: de vrouw - en haar echtgenoot [de man] - verder te noemen: de man - zich gewend tot de rechtbank te Leeuwarden en verzocht de toepassing van de schuldsaneringsregeling uit te spreken.

Bij vonnis van 26 februari 2004 heeft de rechtbank ten aanzien van beide echtgenoten de schuldsaneringsregeling voorlopig van toepassing verklaard en een bewindvoerder benoemd.

Nadat de bewindvoerder aan de rechtbank verslag had uitgebracht, heeft de rechtbank bij vonnis van 25 maart 2004 zowel het verzoek van de man als het verzoek van de vrouw afgewezen.

Tegen het vonnis van 25 maart 2004 hebben de man en de vrouw, ieder afzonderlijk, hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te Leeuwarden.

Bij arrest van 19 mei 2004 heeft het hof in beide appellen het vonnis waarvan beroep bekrachtigd.

Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof heeft alleen de vrouw beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De conclusie van de Advocaat-Generaal F.F. Langemeijer strekt tot vernietiging van het bestreden arrest, voor zover betrekking hebbend op het verzoek van de vrouw om toelating tot de schuldsaneringsregeling, en tot verwijzing van de zaak naar een ander gerechtshof.

3. Beoordeling van het middel

3.1 In cassatie gaat het om het volgende. De man en de vrouw zijn in algehele gemeenschap van goederen gehuwd. Zij hebben verzocht de toepassing van de schuldsaneringsregeling uit te spreken.

3.2 De rechtbank heeft bij vonnis van 26 februari 2004 ten aanzien van beide echtgenoten de schuldsaneringsregeling voorlopig van toepassing verklaard en een bewindvoerder benoemd. Bij vonnis van 25 maart 2004 heeft de rechtbank, nadat de bewindvoerder verslag had uitgebracht, het verzoek van de man en de vrouw om definitieve toepassing van de schuldsaneringsregeling afgewezen.

Het hof heeft het laatstgenoemde vonnis zowel ten aanzien van de man als ten aanzien van de vrouw bekrachtigd. Het heeft ten aanzien van de vrouw, voor zover in cassatie van belang, in rov. 31 geoordeeld dat, aangezien de man en de vrouw in algehele gemeenschap van goederen zijn gehuwd, de afwijzing van het verzoek van de man, om ten aanzien van hem de (definitieve) toepassing van de schuldsaneringsregeling uit te spreken, tevens dient te leiden tot afwijzing van het verzoek van zijn echtgenote om ten aanzien van haar de (definitieve) toepassing van de schuldsaneringsregeling uit te spreken.

3.3 Het middel is gericht tegen dit oordeel en de gronden waarop het berust. Daaromtrent geldt het volgende. In zijn na het bestreden arrest uitgesproken arrest van 4 juni 2004, nr. R04/024, RvdW 2004, 79, heeft de Hoge Raad geoordeeld, dat de enkele omstandigheid dat tussen echtelieden enigerlei gemeenschap van goederen bestaat, niet meebrengt dat de afwijzing van het verzoek tot schuldsanering van de ene echtgenoot, tevens dient te leiden tot afwijzing van het verzoek van de andere, en dat, indien beide echtelieden om toepassing van de schuldsaneringsregeling verzoeken, ten aanzien van ieder van hen individueel dient te worden bezien of daartoe voldoende aanleiding bestaat. Dit oordeel leidt ertoe dat het middel slaagt voor zover het klachten met deze strekking bevat. Voor het overige behoeft het geen beoordeling.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt het arrest van het gerechtshof te Leeuwarden van 19 mei 2004, voor zover dit betrekking heeft op het verzoek van de vrouw om toelating tot de schuldsaneringsregeling;

verwijst het geding naar het gerechtshof te Arnhem ter verdere behandeling en beslissing.

Dit arrest is gewezen door de raadsheren H.A.M. Aaftink, als voorzitter, D.H. Beukenhorst en O. de Savornin Lohman, en in het openbaar uitgesproken door de vice-president P. Neleman op 12 november 2004.