Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2004:AR0196

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
03-12-2004
Datum publicatie
03-12-2004
Zaaknummer
C03/131HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2004:AR0196
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

3 december 2004 Eerste Kamer Nr. C03/131HR JMH Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van: 1. [Eiser 1], 2. [Eiseres 2], 3. [Eiser 3], allen wonende te [woonplaats], EISERS tot cassatie, advocaat: mr. J. van Duijvendijk-Brand, t e g e n [Verweerster], wonende te [woonplaats], VERWEERSTER in cassatie, advocaat: mr. M.V. Polak. 1. Het geding in feitelijke instanties...

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2004, 645
NJ 2005, 58 met annotatie van W.M. Kleijn
RFR 2005, 13
PW 2005, 21823
RvdW 2004, 136
KWEP 2005/10
JWB 2004/433
SJP 2004/180
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

3 december 2004

Eerste Kamer

Nr. C03/131HR

JMH

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

1. [Eiser 1],

2. [Eiseres 2],

3. [Eiser 3],

allen wonende te [woonplaats],

EISERS tot cassatie,

advocaat: mr. J. van Duijvendijk-Brand,

t e g e n

[Verweerster],

wonende te [woonplaats],

VERWEERSTER in cassatie,

advocaat: mr. M.V. Polak.

1. Het geding in feitelijke instanties

Eisers tot cassatie - verder te noemen: [eiser] c.s. - hebben bij exploot van 25 juni 1998 verweerster in cassatie - verder te noemen: [verweerster] - gedagvaard voor de rechtbank te Dordrecht en gevorderd bij vonnis, voor zover de wet zulks toelaat, uitvoerbaar bij voorraad op de minuut en op alle dagen en uren (geheel of gedeeltelijk) en niettegenstaande hoger beroep, verzet of borgtocht, cassatie of enig ander rechtsmiddel:

1. te verklaren voor recht dat [eiser] c.s. de erfgenamen bij versterf zijn van d.d. 13 november 1997 overleden [betrokkene 1];

2. de verklaring voor erfrecht d.d. 30 januari 1998, waarin [verweerster] bevoegd en gerechtigd is verklaard om te beschikken over alle tot de nalatenschap van [betrokkene 1] behorende zaken, gelden en vorderingen, nietig te verklaren dan wel te vernietigen;

3. [verweerster] te veroordelen om op eerste schriftelijke oproep van [eiser] c.s. mee te werken aan het doen van een volledige opgave en afdracht aan hen van de gehele nalatenschap van [betrokkene 1],

alles met veroordeling van [verweerster] in de kosten van dit geding, de kosten van het beslag daaronder begrepen, met bepaling dat [verweerster] de wettelijke rente over de proceskosten verschuldigd is vanaf 8 dagen na betekening van het in deze te wijzen vonnis.

[Eiser] c.s. hebben vervolgens een incidentele conclusie houdende de exceptie van onbevoegdheid genomen en de rechtbank verzocht zich onbevoegd te verklaren en de zaak te verwijzen naar de rechtbank te 's-Gravenhage.

Alvorens voor antwoord te concluderen heeft [verweerster] eveneens een conclusie houdende exceptie van onbevoegdheid genomen.

De rechtbank heeft bij vonnis van 16 december 1998 [eiser] c.s. niet-ontvankelijk in hun incidentele vordering verklaard, in het incident zich onbevoegd verklaard om van het geschil in de hoofdzaak kennis te nemen en de zaak naar de rechtbank te 's-Gravenhage verwezen.

Na verwijzing heeft [verweerster] de vorderingen bestreden en in reconventie gevorderd [eiser] c.s. te veroordelen tot voldoening aan haar van alle kosten, schaden en interessen, die zij leed, lijdt en nog zal lijden als gevolg van het leggen van conservatoir beslag op de nalatenschap en het niet kunnen voldoen aan de tijdige en volledige betaling van de voorlopige aanslag van het recht van successie d.d. 14 september 1998.

De rechtbank heeft bij tussenvonnis van 1 juni 1999 een comparitie van partijen gelast.

Na de op 5 juli 1999 gehouden comparitie van partijen hebben [eiser] c.s. de vordering in reconventie bestreden en hun eis in conventie vermeerderd met een vordering tot veroordeling van [verweerster] in de kosten van de verhuizing van de roerende zaken vanuit de woning van erflater naar de opslagplaats, alsmede in de kosten van de opslag van die roerende zaken ten bedrage van ƒ 320,-- per maand, en wel vanaf juli 1998 tot en met september 1999 een bedrag van ƒ 4.800,-- en voor opslagkosten na september 1999 een bedrag p.m.

De rechtbank heeft bij vonnis van 24 mei 2000 in conventie de vorderingen afgewezen en in reconventie de zaak naar de rol verwezen voor akte uitlating door [verweerster] over de door haar geleden schade. Bij eindvonnis van 6 december 2000 heeft de rechtbank de vordering in reconventie toegewezen.

Tegen de vonnissen van 1 juni 1999 en 24 mei 2000 hebben [eiser] c.s. bij exploot van 21 juli 2000 hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te 's-Gravenhage. Dit appel is bij het hof ingeschreven onder rolnummer 00/963.

Tegen het vonnis van 6 december 2000 hebben [eiser] c.s. bij exploot van 2 maart 2001 hoger beroep ingesteld bij voormeld hof, welk appel bij dat hof is ingeschreven onder rolnummer 01/406. In deze laatste zaak heeft [verweerster] incidenteel hoger beroep ingesteld.

Bij arrest van 15 november 2001 heeft het hof op verzoek van [eiser] c.s. voeging van beide zaken gelast en de zaken naar de rol verwezen voor voortprocederen.

Het hof heeft bij arrest van 16 januari 2003 (rolnummer 00/963) de bestreden vonnissen bekrachtigd en bij arrest van 16 januari 2003 (rolnummer 01/406) in het principaal beroep [eiser] c.s. niet-ontvankelijk verklaard voor zover hun beroep op het tweede tussenvonnis van 24 mei 2000 betrekking heeft en het bestreden tweede tussenvonnis van 24 mei 2000 bekrachtigd. In het incidentele beroep heeft het hof het bestreden eindvonnis van 6 december 2000 vernietigd, [eiser] c.s. veroordeeld de schade, waaronder kosten en rentederving, aan [verweerster] te voldoen die [verweerster] als gevolg van de in het kader van dit geschil door [eiser] c.s. gelegde conservatoire beslagen heeft geleden, alsmede als gevolg van het niet tijdig en volledig kunnen voldoen aan haar verplichting tot de betaling van de betrokken voorlopige aanslag in het recht van successie, een en ander op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, en het meer of anders door [verweerster] gevorderde afgewezen.

Beide arresten van het hof zijn aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen beide arresten van het hof hebben [eiser] c.s. beroep in cassatie ingesteld. De cassatie-dagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

[Verweerster] heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten en voor [eiser] c.s. mede door mr. L. van Hoppe, advocaat bij de Hoge Raad.

De conclusie van de Advocaat-Generaal C.L. de Vries Lentsch-Kostense strekt tot vernietiging van de bestreden arresten en tot verwijzing ter verdere behandeling en beslissing.

3. Beoordeling van het middel

3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) Erflater, [betrokkene 1], is op 13 november 1997 ten gevolge van een verkeersongeval overleden. Hij was ten tijde van zijn overlijden ongehuwd en had geen nakomelingen.

(ii) Erflater heeft een testament d.d. 2 september 1982 nagelaten, waarin hij [verweerster] door middel van de volgende clausule tot enig en algeheel erfgename van zijn gehele nalatenschap heeft benoemd:

"ERFSTELLING.

Ik benoem tot enige en algehele erfgename van mijn gehele nalatenschap [verweerster], militair, wonende te [woonplaats] - [a-straat 1], geboren te [geboorteplaats] (Suriname) op [geboortedatum] negentienhonderdzestig."

Bij testament van dezelfde datum heeft [verweerster] erflater tot haar enige en algehele erfgenaam benoemd. Eveneens op 2 september 1982 hebben erflater en [verweerster] een notarieel samenlevingscontract gesloten, waarin zij hebben verklaard dat zij per 1 oktober 1982 gaan samenwonen en dat zij vanaf die datum een gemeenschappelijke huishouding zullen voeren. Beide partijen hebben bezittingen aangebracht.

(iii) Op 6 september 1982 hebben erflater en [verweerster] tezamen, ieder voor de onverdeelde helft, een woning in [plaats] in eigendom verkregen. Ze hebben daartoe gezamenlijk een hypothecaire lening gesloten.

(iv) Op 13 januari 1987 heeft erflater een levensverzekering afgesloten bij N.V. Levensverzekering Maatschappij UAP-Providentia met zichzelf als verzekerde en met als begunstigden (1) de verzekeringnemer, (2) diens weduwe/weduwnaar, (3) diens kinderen, (4) [verweerster], en (5) de wettige erfgenamen van de verzekeringnemer. Bepaald is dat het verzekerde kapitaal ad ƒ 40.633,-- wordt uitgekeerd op de einddatum van de verzekering (24 december 2002) of bij eerder overlijden van de verzekerde, waarna de hoofdverzekering eindigt.

(v) Op 11 december 1987 zijn erflater en [verweerster] met elkaar in gemeenschap van goederen gehuwd.

(vi) Op 7 april 1992 hebben zij de rechtbank verzocht tussen hen echtscheiding uit te spreken en de door hen getroffen goederenrechtelijke c.q. vermogensrechtelijke regeling in het vonnis op te nemen. Dit is geschied bij vonnis van 13 april 1992, welk vonnis op 26 mei 1992 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand te Bodegraven. Op 20 juli 1992 is de notariële verdeling tot stand gebracht, waarbij de woning is toegedeeld aan erflater, onder de verplichting om de hypothecaire schuld voor zijn rekening te nemen.

(vii) In artikel 2 onder g van het echtscheidingsconvenant van 7 april 1992 is bepaald dat de onder (iv) bedoelde levensverzekering wordt toebedeeld aan erflater. Op 8 april 1992 heeft erflater de levensverzekeringsmaatschappij verzocht de begunstiging onder deze verzekering in die zin aan te passen dat punt 4 vervalt. Deze wijziging is op 19 mei 1992 doorgevoerd.

(viii) De familie [eiser c.s.] (de ouders en de broer van erflater) heeft conservatoir beslag laten leggen op de nalatenschap. De voormalige woning van erflater is nadien verkocht; de opbrengst wordt door de notaris in depot gehouden.

3.2 In dit geding heeft de familie [eiser c.s.] de hiervoor in 1 weergegeven vordering ingesteld. Kort gezegd heeft zij zich erop beroepen dat de uitleg van het door erflater nagelaten testament en meer in het bijzonder van de hiervoor in 3.1 onder (ii) weergegeven clausule, niet naar louter taalkundige maatstaven dient plaats te vinden. Dit testament is opgemaakt in verband met de door erflater en [verweerster] beoogde samenleving en met hun gezamenlijke aankoop van een huis. In dit licht zijn bewoordingen van de hiervoor geciteerde clausule uit het testament onduidelijk omdat niet blijkt of erflater [verweerster] uitsluitend als samenwonende partner tot zijn erfgenaam heeft benoemd. Het feit dat erflater na de beëindiging van de samenleving [verweerster] als begunstigde heeft geschrapt uit de hiervoor in 3.1 onder (iv) bedoelde levensverzekering, wijst erop dat dit inderdaad zijn bedoeling was.

[Verweerster] heeft de vordering betwist. Mede in het licht van het feit dat aan de erfstelling geen voorwaarde is verbonden, acht zij de meerbedoelde clausule duidelijk, zodat niet door uitleg van de bewoordingen daarvan mag worden afgeweken. [Verweerster] heeft tevens een vordering in reconventie ingesteld, strekkende tot vergoeding van de schade die zij heeft geleden ten gevolge van het door de familie [eiser c.s.] gelegde beslag.

3.3 Nadat de rechtbank twee tussenvonnissen had gewezen, heeft zij in een deelvonnis de vordering in conventie afgewezen, in de kern omdat de bewoordingen van het testament duidelijk en niet voor meer dan één uitleg vatbaar zijn. In reconventie achtte zij de familie [eiser c.s.] schadeplichtig tegenover [verweerster] omdat de vordering waarvoor beslag is gelegd, niet blijkt te bestaan. In zoverre verwees de rechtbank de zaak naar de rol teneinde de omvang van de schade van [verweerster] te bepalen.

Nadat de familie [eiser c.s.] tegen deze vonnissen hoger beroep had ingesteld (hierna: het eerste appel), heeft de rechtbank ook in reconventie een eindvonnis gewezen waarin zij, mede gelet op het inmiddels ingestelde hoger beroep, de familie [eiser c.s.] heeft veroordeeld aan [verweerster] de schade te vergoeden die deze heeft geleden als gevolg van de door de familie [eiser c.s.] gelegde conservatoire beslagen, op te maken bij staat. Ook tegen dit vonnis heeft de familie [eiser c.s.] hoger beroep ingesteld (hierna: het tweede appel).

In twee op dezelfde datum gewezen afzonderlijke arresten heeft het hof als volgt geoordeeld. In het eerste appel overwoog het in conventie, kort gezegd, dat de bewoordingen van het testament duidelijk zijn alsmede dat niet kan worden gezegd dat de uitvoering van deze erfstelling onmogelijk is, dat de erfstelling geen duidelijke zin heeft of dat de erflater zich klaarblijkelijk in de aanduiding van de persoon van [verweerster] heeft vergist (rov. 9). Dit betekent dat het hof niet toekomt aan uitleg van het testament in die zin dat nagegaan dient te worden door welke (mogelijke) bedoeling of bedoelingen erflater zich bij het opmaken van het testament heeft laten leiden (rov. 10). De rechtbank heeft de vordering van de familie [eiser c.s.] in conventie dus terecht afgewezen (rov. 12). In reconventie onderschreef het hof het oordeel van de rechtbank. Daarom heeft het hof de bestreden vonnissen bekrachtigd.

In het tweede appel heeft het hof in reconventie, voor zover in cassatie nog van belang, eveneens het oordeel van de rechtbank onderschreven, daartoe met name overwegende dat [verweerster] voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij schade heeft geleden als gevolg van de door de familie [eiser c.s.] onrechtmatig gelegde beslagen (rov. 8). Ook in deze zaak heeft het hof het bestreden vonnis bekrachtigd.

3.4 Het cassatieberoep is tegen beide door het hof gewezen arresten gericht. Onderdeel 2.2 van het middel voert, kort weergegeven, het volgende aan. Blijkens de rov. 9 en 10 van het arrest in het eerste appel heeft het hof een onjuiste maatstaf gehanteerd bij de uitleg van het testament van erflater. De vraag of een testamentaire making "duidelijke zin heeft als verklaring van hetgeen de erflater wil dat na zijn dood met zijn vermogen zal geschieden" dient immers mede te worden beantwoord aan de hand van de objectieve omstandigheden waaronder de uiterste wil is totstandgekomen en de verhoudingen die de uiterste wil kennelijk heeft willen regelen. Het hof heeft dus ten onrechte gemeend dat aan die objectieve omstandigheden pas kan worden toegekomen nadat is geoordeeld dat de bewoordingen waarin de desbetreffende making is gesteld, niet duidelijk zijn. Onderdeel 2.2.1 voegt daaraan toe dat het hof niet had mogen voorbijgaan aan het feit dat erflater en [verweerster] ten tijde van het opmaken van het testament van plan waren op zeer korte termijn te gaan samenwonen in een door hen gezamenlijk te verwerven woning (aan welk voornemen zij ook gevolg hebben gegeven) en aan het feit dat op de dag waarop het testament werd verleden, tussen erflater en [verweerster] ook een samenlevingscontract werd opgemaakt.

3.5 Bij de beoordeling van deze onderdelen wordt vooropgesteld dat in cassatie terecht geen klacht is gericht tegen het oordeel van het hof dat de onderhavige vraag van uitleg wordt beheerst door het voor 1 januari 2003 geldende recht, nu de arresten van het hof voor die datum zijn gewezen (art. 74 lid 3 Overgangswet NBW).

Ook naar oud recht gold echter al de inmiddels in artikel 4:46 BW vastgelegde norm dat bij de beantwoording van de vraag of de bewoordingen van een uiterste wilsbeschikking duidelijk zijn, dat wil zeggen als verklaring van hetgeen de erflater wil dat na zijn dood met zijn vermogen zal geschieden een duidelijke zin hebben, mede dient te worden gelet op de verhoudingen die de erflater bij zijn wilsbeschikking heeft willen regelen en op de omstandigheden waaronder deze is gemaakt (HR 22 januari 1965, NJ 1966, 177 en HR 9 april 1965, NJ 1966, 178).

In dit licht heeft het hof van een onjuiste rechtsopvatting blijk gegeven of zijn oordeel onvoldoende gemotiveerd, zodat de onderdelen 2.2 en 2.2.1 doel treffen. Het hof heeft van een onjuiste rechtsopvatting blijk gegeven indien zijn oordeel dat de bewoordingen van het testament duidelijk zijn en dat het hof derhalve niet toekomt aan uitleg daarvan, aldus moet worden opgevat dat de vaststaande omstandigheden waaronder het testament is gemaakt - dat erflater en [verweerster] voornemens waren op korte termijn te gaan samenwonen in een door hen gemeenschappelijk te verwerven huis, en dat op de dag waarop het testament werd verleden, tussen hen ook een samenlevingscontract werd opgemaakt - voor de uitleg van het testament van erflater niet ter zake dienend kunnen zijn. Indien het hof echter van de juiste rechtsopvatting is uitgegaan - namelijk dat de zojuist genoemde omstandigheden wel degelijk van belang kunnen zijn bij de uitleg van het testament - heeft het zijn oordeel, dat de bewoordingen van het testament duidelijk zijn, onvoldoende gemotiveerd omdat zonder nadere toelichting, die ontbreekt, onduidelijk is of het hof daarmee bedoelt dat de hiervoor in 3.1 onder (ii) aangehaalde testamentaire clausule ook heeft te gelden indien partijen ten tijde van het overlijden van erflater niet meer samenwonen.

3.6 Het slagen van de onderdelen 2.2 en 2.2.1 brengt mee dat ook onderdeel 2.5, dat is gericht tegen het oordeel van het hof in reconventie, doel treft omdat dit oordeel voortbouwt op het door het hof in conventie gegeven oordeel over het testament van erflater.

3.7 De overige onderdelen van het middel behoeven bij gebrek aan belang geen behandeling.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt het arrest van het gerechtshof te 's-Gravenhage van 16 januari 2003;

verwijst het geding naar het gerechtshof te Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing;

veroordeelt [verweerster] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de familie [eiser c.s.] begroot op € 407,34 aan verschotten en € 1.590,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president P. Neleman als voorzitter en de raadsheren J.B. Fleers, H.A.M. Aaftink, O. de Savornin Lohman en F.B. Bakels, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer F.B. Bakels op 3 december 2004.