Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2004:AR0175

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
08-10-2004
Datum publicatie
08-10-2004
Zaaknummer
C03/212HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2004:AR0175
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

8 oktober 2004 Eerste Kamer Nr. C03/212HR JMH/AT Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van: [Eiser], wonende te [woonplaats], EISER tot cassatie, advocaat: mr. P.S. Kamminga, t e g e n de rechtspersoon naar Zwitsers recht ZÜRICH VERSICHERUNGSGESELLSCHAFT, gevestigd te Zürich, Zwitserland, tevens kantoorhoudende te 's-Gravenhage, VERWEERSTER in cassatie, advocaat: mr. J.H.M. van Swaaij. 1. Het geding in feitelijke instanties...

Wetsverwijzingen
Wet op de rechterlijke organisatie 81
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2004, 510
JWB 2004/343
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

8 oktober 2004

Eerste Kamer

Nr. C03/212HR

JMH/AT

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[Eiser],

wonende te [woonplaats],

EISER tot cassatie,

advocaat: mr. P.S. Kamminga,

t e g e n

de rechtspersoon naar Zwitsers recht ZÜRICH VERSICHERUNGSGESELLSCHAFT,

gevestigd te Zürich, Zwitserland, tevens kantoorhoudende te 's-Gravenhage,

VERWEERSTER in cassatie,

advocaat: mr. J.H.M. van Swaaij.

1. Het geding in feitelijke instanties

Eiser tot cassatie - verder te noemen: [eiser] - heeft bij exploot van 15 juni 1990 verweerster in cassatie - verder te noemen: Zürich - gedagvaard voor de rechtbank te 's-Gravenhage en gevorderd bij vonnis, voor zover de wet zulks toelaat uitvoerbaar bij voorraad, Zürich te veroordelen om aan [eiser] te betalen een bedrag van ƒ 500.000,--, te vermeerderen met de wettelijke interessen vanaf de dag der dagvaarding.

Zürich heeft de vordering bestreden.

De rechtbank heeft bij tussenvonnis van 11 december 1991 de zaak naar de rol verwezen voor het nemen door partijen van de in rov. 5.4 bedoelde akte, bij tussenvonnis van 8 april 1992 drie deskundigen benoemd en een vijftal vragen geformuleerd. Na deskundigenbericht heeft de rechtbank bij eindvonnis van 16 juni 1993 de vordering afgewezen.

Tegen de drie vermelde vonnissen heeft [eiser] hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te 's-Gravenhage.

Het hof heeft bij tussenarrest van 13 december 1995 [eiser] niet-ontvankelijk verklaard in zijn beroep tegen het vonnis van 8 april 1992 en een comparitie van partijen gelast, bij tussenarrest van 9 oktober 1996 de zaak naar de rol verwezen teneinde partijen in de gelegenheid te stellen nadere vragen te formuleren, die zij aan de deskundige wensten te doen voorleggen, en bij tussenarrest van 14 mei 1997 een deskundigenonderzoek bevolen, een deskundige benoemd en een aantal nadere vragen geformuleerd. Bij tussenarrest van 14 oktober 1998 heeft het hof een comparitie van partijen gelast en bij tussenarrest van 16 december 1998 een andere deskundige benoemd. Na deskundigenbericht heeft het hof bij eindarrest van 29 april 2003 de vonnissen van 11 december 1991 en 16 juni 1993 bekrachtigd.

Het eindarrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het eindarrest van het hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Zürich heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.

De conclusie van de Advocaat-Generaal J. Spier strekt tot verwerping van het beroep.

3. Beoordeling van het middel

De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

verwerpt het beroep;

veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van Zürich begroot op € 4.895,34 aan verschotten en € 1.365,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de raadsheren H.A.M. Aaftink, als voorzitter, O. de Savornin Lohman en A.M.J. van Buchem-Spapens, en in het openbaar uitgesproken door de vice-president P. Neleman op 8 oktober 2004.