Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2004:AQ8770

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
02-11-2004
Datum publicatie
03-11-2004
Zaaknummer
00481/04
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2004:AQ8770
In cassatie op : ECLI:NL:GHAMS:2003:AF9410
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Smaad ex art. 261 Sr. Uit de enkele omstandigheid dat verdachte een brief met gewraakte feiten heeft gezonden aan de burgemeester van Amsterdam kan niet volgen dat is gehandeld met het kennelijke doel om aan die feiten ruchtbaarheid te geven. Dat de burgemeester een persoon is met een openbare functie, maakt dat niet anders.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht
Wetboek van Strafrecht 261
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2004, 570
NJ 2004, 691
NBSTRAF 2004/431
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

2 november 2004

Strafkamer

nr. 00481/04

EC/IV

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 3 maart 2003, nummer 23/001982-00, in de strafzaak tegen:

[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1945, wonende te [woonplaats].

1. De bestreden uitspraak

Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Arrondissementsrechtbank te Amsterdam van 29 november 1999 - de verdachte ter zake van "medeplegen van smaad" veroordeeld tot een geldboete van vierhonderd euro, subsidiair acht dagen hechtenis.

2. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. J. Boksem, advocaat te Leeuwarden, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De plaatsvervangend Procureur-Generaal Fokkens heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot verwijzing van de zaak naar een aangrenzend gerechtshof opdat de zaak op het bestaande hoger beroep zal worden berecht en afgedaan.

3. Beoordeling van het eerste middel

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Beoordeling van het tweede middel

4.1. Het middel behelst de klacht dat de bewezenverklaring, voor wat betreft het onderdeel dat de verdachte heeft gehandeld met het kennelijke doel om aan de desbetreffende feiten ruchtbaarheid te geven, niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid.

4.2.1. Ten laste van verdachte is bewezenverklaard dat:

"hij in de periode van 1 september 1996 tot en met 30 maart 1998 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk de eer en goede naam van [slachtoffer 1] heeft aangerand door tenlastelegging van bepaalde feiten, met het kennelijke doel om daaraan ruchtbaarheid te geven, immers hebben verdachte en zijn medeverdachte een brief geschreven en verzonden aan de burgemeester van Amsterdam, S. Patijn, waarin onder meer de volgende passages zijn opgenomen, "dat betreft dan de sexmartelkamer of darkroom van de vorige bewoner [slachtoffer 1], die daar jonge jongens en ook wel minderjarige jongens tegen betaling misbruikte" en "en heeft al die jaren dat ze hier woont nooit bezwaar gemaakt tegen de pedofiele praktijken van [slachtoffer 1]" en "jarenlang heeft dit huis al overlast van muggen en stank alsof er hier lijken onder de vloer liggen, wat niet uitgesloten moet worden want [medeverdachte 1] heeft een aantal jaren geleden schoten in de achtertuin gehoord" en "krijgen we hier te maken met een Nederlandse Dutroux affaire."

4.2.2. De bewezenverklaring berust op de volgende bewijsmiddelen:

"1. Een geschrift (...), zijnde een schriftelijke volmacht de dato 2 februari 1997 te Amsterdam opgemaakt en ondertekend door [slachtoffer 1] gericht aan mr. O. Hammerstein, advocaat te Amsterdam.

Deze volmacht houdt onder meer in, voorzover van belang en zakelijk weergegeven:

[Slachtoffer 1], wonende te [woonplaats] (België), verleent hierbij bepaaldelijk volmacht aan mr. O. Hammerstein, advocaat te Amsterdam, om namens hem een strafklacht in te dienen tegen [medeverdachte 1] en [verdachte], beiden wonende te [woonplaats], wegens belediging (smaad en/of laster) en terzake het vervolg op die strafklacht alles te doen wat nodig is.

2. Een geschrift (...), zijnde een strafklacht tegen [medeverdachte 1] en [verdachte], wonende te [woonplaats], de dato 16 februari 1998 door mr. O. Hammerstein, gericht aan mr. J.M. Vrakking, hoofdofficier van justitie te Amsterdam.

Deze strafklacht houdt onder meer in, voorzover van belang en zakelijk weergegeven:

Namens [slachtoffer 1] verzoek ik u over te gaan tot strafrechtelijke vervolging van [medeverdachte 1] en [verdachte].

3. Een proces-verbaal met nummer 98083267-1 van 23 mei 1998, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar F. Arend.

Dit proces-verbaal houdt onder meer in, voorzover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisant:

Uit de aan mij verbalisant, toegezonden stukken van overtuiging bleek mij dat [slachtoffer 1], bijgestaan door mr. O. Hammerstein, een strafklacht had ingediend tegen [medeverdachte 1] en [verdachte].

4. De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in eerste aanleg van 15 november 1999.

Deze verklaring houdt in, voorzover van belang en zakelijk weergegeven:

Samen met [medeverdachte 1] heb ik de brief van 23 september 1996 aan burgemeester Patijn geschreven en verzonden.

5. Een geschrift (...), zijnde een fotokopie van een brief de dato 23 september 1996 te Amsterdam opgemaakt door [verdachte] en [medeverdachte 1], gericht aan de burgemeester van Amsterdam mr. S. Patijn p/a Amstel 1 te Amsterdam.

Deze brief houdt onder meer in, voorzover van belang en zakelijk weergegeven, als verklaring van verdachte:

"Welnu dat betreft dan de sex-martelkamer of darkroom van de vorige bewoner [slachtoffer 1], die daar jonge jongens en ook wel minderjarigen tegen betaling misbruikte". "[Betrokkene 1] past de technieken toe van [betrokkene 2] en heeft al die jaren dat ze hier woont nooit bezwaar gemaakt tegen de pedofiele praktijken van [slachtoffer 1]". "Wij zitten hier met een open riool midden in het appartement: een open rioolput volgegooid met bouwafval van een vorige renovatie, 20 jaar geleden uitgevoerd in opdracht van [slachtoffer 1]". "Jarenlang heeft dit huis overlast van muggen en stank alsof hier lijken onder de vloer liggen, wat niet uitgesloten moet worden want [medeverdachte 1] heeft een aantal jaren geleden schoten in de achtertuin gehoord". "Krijgen we hier te maken met een Nederlandse Dutroux affaire?"

4.2.3. In de strafmotivering heeft het Hof - voorzover hier van belang - overwogen:

"Verdachte heeft in de onderhavige zaak een brief geschreven aan dhr. Patijn, in diens hoedanigheid van burgemeester van Amsterdam, een persoon met een openbare functie. Verdachte heeft met deze gedraging de eer en goede naam van [slachtoffer 1] aangetast. Verdachte heeft in de desbetreffende brief immers verdachtmakingen geuit, die inhouden dat [slachtoffer 1] betrokken zou zijn geweest bij het plegen van zowel zedendelicten als levensdelicten."

4.3. De gebezigde bewijsmiddelen houden, voor wat betreft het in het middel bedoelde onderdeel van de bewezenverklaring, niet meer in dan dat de verdachte de brief met daarin de feiten die betrekking hebben op [slachtoffer 1], heeft toegezonden aan de burgemeester van Amsterdam. Uit die enkele omstandigheid kan niet volgen dat is gehandeld met het kennelijke doel om aan die feiten ruchtbaarheid te geven. Dat, zoals het Hof in de strafmotivering heeft overwogen, de burgemeester een persoon is met een openbare functie, maakt dat niet anders.

4.4. Het middel is gegrond.

5. Slotsom

Hetgeen hiervoor onder 4 is overwogen brengt mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven, het derde middel geen bespreking behoeft, en als volgt moet worden beslist.

6. Beslissing

De Hoge Raad:

Vernietigt de bestreden uitspraak;

Verwijst de zaak naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren J.L.M. Urlings en J.W. Ilsink, in bijzijn van de waarnemend griffier L.J.J. Okker-Braber, en uitgesproken op 2 november 2004.

Mr. Urlings is buiten staat dit arrest te ondertekenen.