Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2004:AQ7364

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
08-10-2004
Datum publicatie
08-10-2004
Zaaknummer
C03/163HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2004:AQ7364
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

8 oktober 2004 Eerste Kamer Nr. C03/163HR JMH/AT Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van: [Eiser], wonende te [woonplaats], EISER tot cassatie, advocaat: mr. D. Stoutjesdijk, t e g e n [Verweerder], wonende te [woonplaats], VERWEERDER in cassatie, advocaat: mr. P.C.M. van Schijndel. 1. Het geding in feitelijke instanties...

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2004, 508
NJ 2004, 658
WR 2005, 2
JWB 2004/342
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

8 oktober 2004

Eerste Kamer

Nr. C03/163HR

JMH/AT

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[Eiser],

wonende te [woonplaats],

EISER tot cassatie,

advocaat: mr. D. Stoutjesdijk,

t e g e n

[Verweerder],

wonende te [woonplaats],

VERWEERDER in cassatie,

advocaat: mr. P.C.M. van Schijndel.

1. Het geding in feitelijke instanties

Verweerder in cassatie - verder te noemen: [verweerder] - heeft bij exploot van 3 mei 2001 eiser tot cassatie - verder te noemen: [eiser] - gedagvaard voor de kantonrechter te Amsterdam en gevorderd bij vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, voor recht te verklaren dat de op 22 december 1989 door [verweerder] met [betrokkene 1] gesloten huurovereenkomst op grond van het bepaalde in art. 7A:1623i lid 6 BW op 31 maart 2001 is geëindigd en [eiser] te veroordelen tot ontruiming van de woning aan de [a-straat 1] te [plaats], met machtiging tot het gebruik van de sterke arm en met veroordeling van [eiser] in de kosten van de procedure.

Met een op 11 juli 2001 gedateerd verzoekschrift en bij herstelexploot van 31 juli 2001 heeft [eiser] zich gewend tot de kantonrechter te Amsterdam en verzocht de huurovereenkomst inzake voormeld pand, zoals gesloten tussen [betrokkene 1] en [verweerder] van december 1989 te mogen voortzetten.

[Eiser] heeft de vordering van [verweerder] bestreden en zijnerzijds een incidentele vordering tot verwijzing ingesteld en gevoegde behandeling van beide zaken verzocht.

De kantonrechter heeft bij tussenvonnis van 20 september 2001 een comparitie van partijen gelast.

Tijdens de gehouden comparitie van partijen hebben partijen met de gevoegde behandeling van beide zaken ingestemd.

De kantonrechter heeft bij tussenvonnis van 11 oktober 2001 [eiser] bewijslevering opgedragen.

Na enquête en contra-enquête heeft de kantonrechter bij tussenvonnis van 7 februari 2002 de zaak naar de rol verwezen voor het nemen van een akte door [eiser].

Bij eindvonnis van 27 juni 2002 heeft de kantonrechter, verkort weergegeven, de vordering tot voortzetting van de huurovereenkomst met betrekking tot voormelde woning afgewezen en [eiser] veroordeeld de woning uiterlijk op 1 oktober 2002, eventueel met behulp van de sterke arm, te ontruimen.

Tegen de vonnissen van 20 september 2001, 11 oktober 2001, 7 februari 2002 en 27 juni 2002 heeft [eiser] hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam.

Bij arrest van 27 februari 2003 heeft het hof het hoger beroep tegen het vonnis van de kantonrechter van 20 september 2001 niet-ontvankelijk verklaard en de vonnissen van 11 oktober 2001, 7 februari 2002 en 27 juni 2002 waarvan beroep bekrachtigd.

Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

[Verweerder] heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

[Eiser] heeft de zaak doen toelichten door zijn advocaat en door mr. S. Sierksma, advocaat bij de Hoge Raad.

De conclusie van de Advocaat-Generaal L.A.D. Keus strekt tot verwerping van het beroep.

De advocaat van [eiser] heeft bij brief van 27 mei 2004 op die conclusie gereageerd.

3. Beoordeling van het middel

3.1 [Verweerder] is sedert 1989 eigenaar van het pand aan de [a-straat 1] te [plaats]. Hij woont zelf met zijn vrouw in de woning op de derde etage van dat pand. De overige woningen heeft hij verhuurd. Sedert mei 1963 was de woning op de eerste etage verhuurd aan [betrokkene 1], de moeder van [eiser]. Zij is op 17 januari 2001 overleden.

3.2 In het onderhavige geding heeft [eiser] op de voet van art. 7A:1623i lid 2 (oud) BW gevorderd de huurovereenkomst voort te zetten. Daaraan heeft hij, voor zover in cassatie nog van belang, ten grondslag gelegd dat hij vanaf augustus 1998 met [betrokkene 1] een gemeenschappelijke huishouding in het gehuurde heeft gevoerd. De kantonrechter heeft bij eindvonnis van 27 juni 2002 deze vordering afgewezen en [eiser] veroordeeld tot ontruiming van de woning. Het hof heeft dit vonnis bekrachtigd.

3.3 In rov. 4.9 heeft het hof, kort weergegeven, overwogen dat de samenleving tussen [eiser] en zijn moeder niet duurzaam is geweest, gelet op de relatief korte duur daarvan en de nog jonge leeftijd van [eiser], die in 1999 - de Hoge Raad leest: 1998 - uit Rome is teruggekeerd en gedurende de samenlevingsperiode in verband met zijn werkzaamheden van april tot en met juli 2000 elders een kamer heeft gehuurd. Het middel betoogt dat - in het licht van de vaststellingen van het hof in rov. 4.1 en 4.9 en de door [eiser] aangevoerde omstandigheden dat (a) [eiser], geboren op 20 november 1973, na zijn universitaire studie een jaar in Italië heeft gewoond waarna hij is teruggekeerd om zijn moeder te verzorgen; (b) hij vanaf augustus 1998 gedurende twee en een half jaar met zijn moeder heeft samengewoond; (c) hij en zijn moeder de verwachting en de intentie hadden dat de samenleving langdurig en duurzaam zou zijn; en (d) de oorzaak van het overlijden van zijn moeder op 17 januari 2001 niet was gelegen in de kwalen waarvoor zij verzorging behoefde, zodat niet was te verwachten dat de samenleving om deze reden niet langdurig zou zijn - het hof heeft miskend dat zonder meer sprake is van een duurzame gemeenschappelijke huishouding in de zin van art. 7A:1623i lid 2 (oud) BW, althans dat het zijn andersluidende oordeel onbegrijpelijk en/of onvoldoende heeft gemotiveerd.

3.4 Bij de beoordeling van het middel stelt de Hoge Raad voorop dat het middel - begrijpelijkerwijs, nu [eiser] volgens zijn eigen stelling nagenoeg zijn gehele leven met zijn moeder in de woning heeft gewoond en het ouderlijk huis in 1997 had verlaten om na afronding van zijn studie een jaar in het buitenland te gaan wonen - niet klaagt over de verwerping door het hof van de stelling van [eiser] dat geen sprake was van een aflopende samenlevingssituatie en dat hij als een willekeurige samenwoner moet worden beschouwd. Dit brengt mee dat als uitgangspunt heeft te gelden dat slechts als er bijzondere omstandigheden bestaan die ertoe doen besluiten om, wat anders een aflopende samenlevingssituatie zou zijn geweest, tot een blijvende samenwoning met gemeenschappelijke huishouding te maken, sprake zou kunnen zijn van een duurzame gemeenschappelijke huishouding (vgl. HR 12 maart 1982, nr. 5879, NJ 1982, 352). Door hiervan uitgaande te oordelen dat in het onderhavige geval geen sprake was van een duurzame gemeenschappelijke huishouding heeft het hof niet blijk gegeven van een onjuiste opvatting omtrent art. 7A:1623i (oud) BW. Voor het overige is zijn oordeel zozeer verweven met waarderingen van feitelijke aard dat het in cassatie niet op juistheid kan worden getoetst. Het is niet onbegrijpelijk noch ontoereikend gemotiveerd.

Het middel is derhalve tevergeefs voorgesteld.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

verwerpt het beroep;

veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerder] begroot op € 316,34 aan verschotten en € 1.365,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president P. Neleman als voorzitter en de raadsheren H.A.M. Aaftink, D.H. Beukenhorst, O. de Savornin Lohman en A.M.J. van Buchem-Spapens, en in het openbaar uitgesproken door de vice-president P. Neleman op 8 oktober 2004.