Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2004:AP9620

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
15-10-2004
Datum publicatie
15-10-2004
Zaaknummer
C03/130HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2004:AP9620
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

15 oktober 2004 Eerste Kamer Nr. C03/130HR JMH/AT Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van: [Eiser], wonende te [woonplaats], EISER tot cassatie, advocaat: mr. P. Garretsen, t e g e n [Verweerder], wonende te [woonplaats], VERWEERDER in cassatie, niet verschenen. 1. Het geding in feitelijke instanties...

Wetsverwijzingen
Wet op de rechterlijke organisatie 81
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 407
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2004, 521
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15 oktober 2004

Eerste Kamer

Nr. C03/130HR

JMH/AT

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[Eiser],

wonende te [woonplaats],

EISER tot cassatie,

advocaat: mr. P. Garretsen,

t e g e n

[Verweerder],

wonende te [woonplaats],

VERWEERDER in cassatie,

niet verschenen.

1. Het geding in feitelijke instanties

Eiser tot cassatie - verder te noemen: [eiser] - heeft bij exploot van 24 juni 1992 verweerder in cassatie, handelende onder de naam D.K.S. Systems, - verder te noemen: [verweerder] - gedagvaard voor de rechtbank te Zwolle en, na vermindering van eis bij conclusie van repliek, gevorderd bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, [verweerder] te veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eiser] te betalen een bedrag van ƒ 63.724,11, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 21 april 1992.

[Verweerder] heeft de vordering bestreden en in reconventie gevorderd [eiser] bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te veroordelen om aan [verweerder] te betalen een bedrag van ƒ 322.156,39, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 2 april 1992 tot aan de dag der algehele voldoening.

[Eiser] heeft in reconventie de vordering bestreden.

De rechtbank heeft bij tussenvonnis van 10 november 1993 in conventie en in reconventie [verweerder] bewijs opgedragen. Na enquête en contra-enquête heeft de rechtbank bij tussenvonnis van 14 juni 1995 in reconventie de zaak naar de rol verwezen voor het nemen van een akte aan de zijde van [verweerder].

Vervolgens heeft [verweerder] zijn eis in reconventie vermeerderd en gevorderd [eiser] te veroordelen tot betaling aan [verweerder] van een bedrag van ƒ 170.057,83, vermeerderd met rente en buitengerechtelijke kosten, vast te stellen naar redelijkheid en billijkheid.

[Eiser] heeft zich tegen de vermeerdering van eis van [verweerder] verzet.

De rechtbank heeft bij eindvonnis van 13 december 1995 in conventie [verweerder] veroordeeld tot betaling aan [eiser] van een bedrag van ƒ 63.324,11, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 21 april 1992, en het meer of anders gevorderde afgewezen. In reconventie heeft de rechtbank [eiser] veroordeeld om aan [verweerder] te betalen een bedrag van ƒ 39.547,89, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van het instellen van de eis in reconventie tot de dag van algehele voldoening, en het meer of anders gevorderde afgewezen.

Tegen alle hiervoor vermelde vonnissen heeft [verweerder] hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te Arnhem. [Eiser] heeft incidenteel hoger beroep ingesteld. [Eiser] heeft bij incidentele memorie van grieven zijn eis vermeerderd en gevorderd [verweerder] te veroordelen tot betaling van een bedrag van ƒ 134.557,45 met de wettelijke rente vanaf 21 april 1992 over ƒ 56.764,41 en over ƒ 77.793,14 vanaf 28 januari 1997.

Bij tussenarrest van 16 juni 1998 heeft het hof de zaak naar de rol verwezen voor uitlating aan de zijde van [eiser], bij tussenarrest van 25 januari 2000 een comparitie van partijen gelast, en bij tussenarrest van 27 november 2001 beide partijen tot (nadere) bewijslevering toegelaten. Na twee getuigenverhoren heeft het hof bij eindarrest van 3 december 2002 in het principaal en incidenteel hoger beroep in conventie [verweerder] veroordeeld om tegen bewijs van kwijting aan [eiser] te betalen een bedrag van € 19.268,72 met de wettelijke rente daarover vanaf 21 april 1002 tot aan de dag van voldoening en het meer of anders gevorderde afgewezen; in reconventie heeft het hof [eiser] veroordeeld om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [verweerder] te betalen een bedrag van € 28.986,96, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf de dag van het instellen van de eis in reconventie tot aan de dag van voldoening, en het meer of anders gevorderde afgewezen.

De arresten van het hof van 16 juni 1998, 25 januari 2000, 27 november 2001 en 3 december 2002 zijn aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen de vier vermelde arresten van het hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Bij arrest van 11 juli 2003 heeft de Hoge Raad tegen [verweerder] verstek verleend.

[Eiser] heeft de zaak doen toelichten door zijn advocaat.

De conclusie van de Advocaat-Generaal D.W.F. Verkade strekt tot verwerping van het beroep.

3. Beoordeling van de middelen

De in de middelen aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

verwerpt het beroep;

veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerder] begroot op nihil.

Dit arrest is gewezen door de raadsheren J.B. Fleers, als voorzitter, P.C. Kop en E.J. Numann, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer F.B. Bakels op 15 oktober 2004.