Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2004:AP6874

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
24-09-2004
Datum publicatie
24-09-2004
Zaaknummer
C03/107HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2004:AP6874
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

24 september 2004 Eerste Kamer Nr. C03/107HR RM/JMH Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van: de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid DRYADE BELEGGINGSMAATSCHAPPIJ B.V., gevestigd te Zwolle, EISERES tot cassatie, advocaat: mr. P.J.M. von Schmidt auf Altenstadt, t e g e n DE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen), zetelende te 's-Gravenhage, VERWEERDER in cassatie, advocaat:mr. G. Snijders en mr. D. Stoutjesdijk. 1. Het geding in feitelijke instanties...

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 57
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 242
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2004, 480
NJ 2006, 200
RvdW 2004, 109
JWB 2004/320
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

24 september 2004

Eerste Kamer

Nr. C03/107HR

RM/JMH

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid DRYADE BELEGGINGSMAATSCHAPPIJ B.V.,

gevestigd te Zwolle,

EISERES tot cassatie,

advocaat: mr. P.J.M. von Schmidt auf Altenstadt,

t e g e n

DE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen),

zetelende te 's-Gravenhage,

VERWEERDER in cassatie,

advocaat:mr. G. Snijders en mr. D. Stoutjesdijk.

1. Het geding in feitelijke instanties

Eiseres tot cassatie - verder te noemen: Dryade - heeft bij exploot van 12 september 1996 verweerder in cassatie - verder te noemen: de Staat - en Stichting Hanze College Zwolle - verder te noemen: het Hanze College - op verkorte termijn gedagvaard voor de kantonrechter te Zwolle. Na vermeerdering van eis en voor zover in cassatie van belang heeft Dryade gevorderd de Staat en Hanze College te veroordelen aan haar te betalen een bedrag van ƒ 12.953.161,12, althans de somma van ƒ 10.405.428,48, alsmede hen te veroordelen om bij wijze van schadevergoeding volledig te vergoeden alle kosten die Dryade daadwerkelijk ter zake van deze procedure zowel in eerste instantie als in appel heeft gemaakt, een en ander, voor zover nodig, op te maken bij staat en te vermeerderen met rente van 1% per maand.

De Staat en het Hanze College hebben de vordering bestreden en in reconventie, voor zover in cassatie van belang, gevorderd te verklaren voor recht dat de huurovereenkomsten eindigen met ingang van 1 januari 2000, althans per 1 januari 2001 en dat de Staat een bedrag aan rentevergoedingen onverschuldigd heeft betaald.

De kantonrechter heeft, voor zover in cassatie van belang, bij tussenvonnis van 5 december 1997 in conventie, alvorens verder te beslissen, de zaak aangehouden voor uitlating door partijen over de in het dictum van zijn vonnis geformuleerde vragen. In reconventie heeft de kantonrechter, voor zover in cassatie van belang, voor recht verklaard dat tussen Dryade en het Hanze College sprake is van huurovereenkomst I en tussen Dryade en de Staat van huurovereenkomst II tot 1 januari 2000. Het meer of anders gevorderde heeft de kantonrechter afgewezen.

Tegen dit tussenvonnis, voor zover in reconventie gewezen, heeft Dryade hoger beroep ingesteld bij de rechtbank te Zwolle. Het Hanze College heeft incidenteel hoger beroep ingesteld.

Bij vonnis van 10 maart 1999 heeft de rechtbank het bestreden vonnis vernietigd voor zover in reconventie gewezen, voor recht verklaard dat de huurovereenkomsten van 14 juni 1990 en 15 juni 1994 eindigen met ingang van 1 januari 2001, voor recht verklaard dat de rechten en verplichtingen van het Hanze College jegens Dryade uit hoofde van voornoemde huurovereenkomsten zijn overgegaan op de Staat en voorts hetgeen meer of anders is gevorderd afgewezen.

In conventie heeft de kantonrechter Dryade, na een tussenvonnis van 6 mei 1998, bij tussenvonnis van 1 september 1998 in de gelegenheid gesteld haar vordering aan te passen aan de hand van hetgeen in dit tussenvonnis is overwogen. Hierna heeft de kantonrechter bij eindvonnis van 8 december 1998 het Hanze College en de Staat gezamenlijk veroordeeld om aan Dryade te betalen een bedrag van ƒ 10.405.428,48 (met dien verstande dat daarop in mindering strekt hetgeen inmiddels meer mocht zijn voldaan dan door Dryade aan de berekening tot deze som ten grondslag is gelegd), vermeerderd met rente op de voet van 1% per maand, een en ander vanaf 1 oktober 1998 tot de dag der algehele voldoening. Het meer of anders gevorderde heeft de kantonrechter afgewezen. In reconventie heeft de kantonrechter voorts het meer of anders gevorderde afgewezen.

Tegen het tussenvonnis van 5 december 1997, voor zover in conventie gewezen, alsmede de tussenvonnissen van 6 mei 1998 en 1 september 1998 en het eindvonnis van 8 december 1998 heeft Dryade hoger beroep ingesteld bij de rechtbank te Zwolle. Zowel het Hanze College als de Staat hebben incidenteel hoger beroep ingesteld. Bij memorie van antwoord heeft de Staat zijn eis in reconventie gewijzigd c.q. aangevuld met de vordering dat Dryade wordt veroordeeld terug te betalen c.q. te verrekenen hetgeen de Staat onverschuldigd heeft betaald. In cassatie is de vordering in conventie tegen het Hanze College en de vordering in reconventie van het Hanze College niet meer aan de orde.

Bij tussenvonnis van 6 maart 2002 heeft de rechtbank in het incidenteel appel de zaak naar de rol verwezen voor het nemen van een akte door Dryade als bedoeld in rov. 7 en in het principaal en incidenteel appel verder iedere beslissing aangehouden. Hierna heeft de rechtbank bij eindvonnis van 4 december 2002 in het principaal en in het incidenteel appel, de vonnissen van de kantonrechter van 5 december 1997, 6 mei 1998, 1 september 1998 en 8 december 1998, voor zover in conventie gewezen, vernietigd en, opnieuw rechtdoende in conventie, Dryade veroordeeld aan de Staat (terug) te betalen een bedrag van € 1.683.671,63 met de wettelijke rente vanaf 1 april 2002 tot de dag van betaling. Hetgeen meer of anders is gevorderd heeft de rechtbank afgewezen.

Zowel het tussenvonnis van 6 maart 2002 als het eindvonnis van 4 december 2002 zijn aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen laatstgenoemde vonnissen van de rechtbank heeft Dryade beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staat heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.

De conclusie van de Advocaat-Generaal J.L.R.A. Huydecoper strekt tot vernietiging en verwijzing van de zaak.

De advocaten van de Staat hebben bij brief van 24 mei 2004 op deze conclusie gereageerd.

3. Beoordeling van het middel

3.1 Dryade heeft de Staat aangesproken. Haar vorderingen strekken ertoe, voor zover in cassatie van belang, dat achterstallige huurpenningen worden voldaan (met bijkomende sancties wegens vertraagde betaling). Dryade baseert die vorderingen op twee in 1991 en 1994 aangegane huurovereenkomsten betreffende een schoolgebouw in Zwolle, waarbij zij als verhuurster optrad. De huurovereenkomsten waren oorspronkelijk aangegaan door het Hanze College, dat in het schoolgebouw een school zou houden. De Staat is door contractsoverneming in de plaats van het Hanze College getreden.

3.2 Wat betreft het verloop van de procedure verwijst de Hoge Raad naar het hiervoor onder 1 overwogene. Het gaat in cassatie nog slechts om twee punten, namelijk (1) de vraag wanneer de huurprijs voor het eerst verschuldigd was, en (2) de beoordeling van een bepaling uit de huurovereenkomsten krachtens welke Dryade aanspraak maakt op volledige vergoeding van de door haar gemaakte kosten van rechtsbijstand.

3.3.1 Wat betreft punt (1) hadden partijen aanvankelijk het standpunt ingenomen dat de huurprijs verschuldigd was vanaf de aanvang van de bouw van het oorspronkelijke huurobject en dat die bouw op 1 januari 1991 zou zijn begonnen. Op het voetspoor van dit door partijen ingenomen standpunt heeft de kantonrechter in zijn vonnis van 5 december 1997 geoordeeld dat (partijen niet van mening verschillen dat) de huurprijs per 1 januari 1991 het overeengekomen bedrag van ƒ 2.310.000,-- per jaar, bij vooruitbetaling te voldoen, bedraagt.

3.3.2 Van het vonnis van 5 december 1997 is in de reconventie geappelleerd. De vaststelling met betrekking tot de datum van 1 januari 1991 is in dit hoger beroep niet bestreden. De rechtbank heeft in haar vonnis van 10 maart 1999 geoordeeld over de (tussen partijen in reconventie in geschil zijnde) looptijd van de huurovereenkomsten. De rechtbank heeft geoordeeld dat de huurovereenkomsten ertoe strekken dat twee aansluitende huurtermijnen van vijf jaar zijn beoogd, te rekenen vanaf de datum waarop ingevolge de eerste huurovereenkomst huur verschuldigd was. Conform de beslissing van de kantonrechter en de stellingen van partijen heeft de rechtbank geoordeeld dat de datum van aanvang van de bouw 1 januari 1991 was. Aan de hand daarvan kwam de rechtbank tot een looptijd die eindigde op 1 januari 2001. Dit vonnis is onherroepelijk geworden.

3.3.3 Hangende dit hoger beroep is in de conventie bij de kantonrechter doorgeprocedeerd. In die procedure zijn op 6 mei 1998 en op 1 september 1998 tussenvonnissen gewezen en is op 8 december 1998 door de kantonrechter een eindvonnis gewezen. In die vonnissen wordt uitgegaan van 1 januari 1991 als ingangsdatum van de betalingsverplichting.

3.3.4 Van deze vonnissen werd door alle partijen - Dryade als principaal appellante en de Staat en het Hanze College als incidenteel appellanten - geappelleerd. In dit tweede hoger beroep is aan de orde gesteld - en als juist erkend - dat de bouw van het huurobject niet op 1 januari 1991 was begonnen doch op 14 augustus 1991. In rov. 4.5 van haar tussenvonnis van 6 maart 2002 heeft de rechtbank geoordeeld dat het zal uitgaan van de door de kantonrechter in zijn vonnis van 5 december 1997 vastgestelde feiten met uitzondering van de datum van de aanvang van de bouw en wel omdat Dryade en de Staat thans beide de stelling innemen dat de bouw op 14 augustus is gestart. De rechtbank heeft vervolgens in rov. 5.6 van dit vonnis vastgesteld dat partijen in appel hebben erkend dat de bouw eerst op 14 augustus 1991 is aangevangen en heeft geoordeeld dat de in de brief van 14 juni 1990 opgenomen verplichting van de huurder om huur te betalen gedurende de bouwperiode, meebrengt dat het Hanze College dan wel de Staat vanaf 14 augustus 1991 (en derhalve niet zoals Dryade stelt vanaf 1 januari 1991) verplicht was huurpenningen te betalen.

3.3.5 De onderdelen 2.1, 2.2, 2.4 en 2.5 - onderdeel 2.3 is ingetrokken - klagen naar de kern genomen dat de rechtbank, door in het tussenvonnis van 6 maart 2002 een andere ingangsdatum voor de huurbetalingsverplichting vast te stellen dan de in het vonnis in hoger beroep van 8 december 1998 tot uitgangspunt genomen datum van 1 januari 1991, de regels met betrekking tot het gezag van gewijsde heeft miskend, althans haar beslissing onvoldoende heeft gemotiveerd.

Bij de beoordeling van deze klacht moet worden vooropgesteld dat de vaststelling van hetgeen een partij heeft gesteld evenals de vaststelling of het gestelde door de wederpartij al dan niet is betwist, berust op een aan de rechter die over de feiten oordeelt voorbehouden uitleg van de stukken van het geding, die in cassatie slechts in beperkte mate voor toetsing vatbaar is. In dit geval heeft de rechtbank in de stukken van Dryade geen (impliciet) beroep op het gezag van gewijsde gelezen. Zulks is niet onbegrijpelijk. Daarbij dient te worden aangetekend dat het gezag van gewijsde niet ambtshalve mag worden toegepast: de rechter mag het gezag van gewijsde alleen toepassen als een partij zich daarop heeft beroepen. Onderdeel 2 faalt.

3.4.1 Wat betreft het hiervoor in 3.2 genoemde punt 2: de rechtbank achtte in rov. 6.3 van het tussenvonnis van 6 maart 2002 de gevorderde (volledige) vergoeding van gerechtelijke kosten - namens Dryade was een beroep gedaan op een desbetreffend beding uit de huurovereenkomsten - voor de Staat "excessief belastend en niet redelijk" voorzover zij het gebruikelijke liquidatietarief te boven gaat en heeft geoordeeld dat deze vergoeding dienovereenkomstig dient te worden gematigd.

3.4.2 Onderdeel 3.2.2 gaat uit van een onjuiste rechtsopvatting, nu met deze klacht wordt verdedigd dat de rechter de rechten van de schuldeiser uit een beding als het onderhavige slechts kan matigen op de grond dat toepassing daarvan in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. Ingevolge art. 242 Rv. kan de rechter bedragen die geacht kunnen worden te zijn bedongen ter vergoeding van proceskosten of van buitengerechtelijke kosten als bedoeld in art. 6:96 lid 2, onder b en c, BW, ambtshalve matigen doch niet tot onder het bedrag van de krachtens de wet te begroten proceskosten respectievelijk het bedrag van de buitengerechtelijke kosten die, gelet op de tarieven volgens welke zodanige kosten aan de opdrachtgever gewoonlijk in rekening worden gebracht, jegens de wederpartij redelijk zijn. Uit de wetsgeschiedenis van art. 57 ab (oud) Rv. - de gelijkluidende voorloper van art. 242 Rv. - komt naar voren dat de bedoeling van de nieuwe wettelijke regeling is geweest de rechter de bevoegdheid te geven om - met name ook waar het verstekzaken betrof - (ambtshalve) de onderhavige kosten binnen redelijke grenzen te houden (vgl. Parl. Gesch. Wijziging Rv. e.a.w. (Inv. 3,5, en 6, blz. 38 - 40).

3.4.3 De klacht van onderdeel 3.2.1 kan wegens gebrek aan feitelijke grondslag niet tot cassatie leiden. De rechtbank heeft niet miskend dat Dryade vergoeding van de werkelijk gemaakte kosten van rechtsbijstand heeft gevorderd.

3.4.4 De motiveringsklacht van onderdeel 3.2.4 slaagt. De regel van art. 242 Rv. leidt ertoe - zoals ook blijkt uit het in 3.4.2 overwogene - dat aan de motivering van beslissingen ten aanzien van matiging van de daar bedoelde kosten geen strenge eisen kunnen worden gesteld en dat de taak van de cassatierechter bij het toetsen van die motivering dientengevolge een beperkte is, maar ook voor deze beslissingen geldt dat zij tenminste zodanig moeten worden gemotiveerd dat zij voldoende inzicht geven in de daaraan ten grondslag liggende gedachtegang, om de beslissing zowel voor partijen als voor derden - in geval van openstaan van hogere voorzieningen: de hogere rechter daaronder begrepen - controleerbaar en aanvaardbaar te maken (vgl. HR 20 oktober 2003, nr. R03/032, NJ 2004, 37). In het onderhavige geval heeft de rechtbank ten onrechte niet gemotiveerd waarom de gevorderde, op contractuele grondslag gebaseerde, vergoeding excessief belastend en niet redelijk zou zijn ten opzichte van de Staat, hetgeen temeer klemt nu sprake is van twee op commerciële basis met elkaar handelende partijen.

3.4.5 Onderdeel 3.3 klaagt dat in rov. 6.8 van het vonnis van 6 maart 2002 de rechtbank over het hoofd heeft gezien dat in het vonnis van 10 maart 1999 waarnaar in die rechtsoverweging wordt verwezen, géén beslissing is gegeven over de reconventionele kosten in eerste aanleg én dat juist de eindbeslissing van de kantonrechter over die kosten werd bestreden in de in rov. 6.8 behandelde grief X. Deze klacht is eveneens gegrond: de rechtbank heeft zulks kennelijk inderdaad over het hoofd gezien en is dus in zoverre in haar motiveringsplicht tekortgeschoten.

3.4.6 De overige klachten van onderdeel 3 behoeven geen behandeling.

4. De beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de vonnissen van de rechtbank te Zwolle van 6 maart 2002 en 4 december 2002;

verwijst het geding naar het gerechtshof te Arnhem ter verdere behandeling en beslissing;

veroordeelt de Staat in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van Dryade begroot op € 4.986,34 aan verschotten en € 1.590,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president R. Herrmann als voorzitter en de raadsheren H.A.M. Aaftink, P.C. Kop, E.J. Numann en F.B. Bakels, en in het openbaar uitgesproken door de vice-president P. Neleman op 24 september 2004.