Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2004:AP4743

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
19-11-2004
Datum publicatie
19-11-2004
Zaaknummer
C03/112HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2004:AP4743
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

19 november 2004 Eerste Kamer Nr. C03/112HR JMH Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van: [Eiseres], gevestigd te [vestigingsplaats], EISERES tot cassatie, advocaat: mr. R.T.R.F. Carli, t e g e n 1. WITADI HOLDING B.V., 2. WITADI B.V., beide gevestigd te Didam, VERWEERSTERS in cassatie, advocaat: mr. P.J.M. von Schmidt auf Altenstadt. 1. Het geding in feitelijke instanties...

Wetsverwijzingen
Wet op de rechterlijke organisatie 81
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 433
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2004, 619
NJ 2006, 216 met annotatie van H.J. Snijders
RvdW 2004, 132
JWB 2004/437
RV 2014/144 met annotatie van Redactie van Rechtspraak Vermogensrecht
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

19 november 2004

Eerste Kamer

Nr. C03/112HR

JMH

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[Eiseres],

gevestigd te [vestigingsplaats],

EISERES tot cassatie,

advocaat: mr. R.T.R.F. Carli,

t e g e n

1. WITADI HOLDING B.V.,

2. WITADI B.V.,

beide gevestigd te Didam,

VERWEERSTERS in cassatie,

advocaat: mr. P.J.M. von Schmidt auf Altenstadt.

1. Het geding in feitelijke instanties

Eiseres tot cassatie - verder te noemen: [eiseres] - heeft bij exploot van 20 februari 2002 verweersters in cassatie - tezamen in enkelvoud verder te noemen: Witadi - in kort geding gedagvaard voor de voorzieningenrechter in de rechtbank te Arnhem en gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, voor zover de wet dit toelaat:

- Witadi te bevelen voor 2 februari 2002 het perceel gelegen te [plaats] aan de [a-straat 1], kadastraal bekend gemeente Didam, sectie [A], nummer [001], aan [eiseres] te leveren voor de getaxeerde prijs van € 378.906,-- en mee te werken aan alle daartoe benodigde rechtshandelingen te verrichten zulks op straffe van een dwangsom van € 10.000,-- per dag of gedeelte van een dag dat Witadi na betekening van het te dezen te wijzen vonnis daarmee in gebreke blijft, zulks met een maximum € 300.000,--;

- en voorts te bevelen dat het te dezen te wijzen vonnis dezelfde rechtskracht heeft als een in wettige vorm opgemaakte akte strekkende tot levering van het registergoed, althans een vertegenwoordiger aan te wijzen die, indien Witadi in gebreke blijft aan genoemd bevel te voldoen, de rechtshandelingen voor Witadi zal verrichten;

- en voorts Witadi te veroordelen medewerking te verlenen aan doorhaling van de procedure bij de rechtbank te Arnhem, bekend onder rolnummer 00/1752, zoals overeengekomen in de vaststellingsovereenkomst, zulks op straffe van een te verbeuren boete van € 2.500,-- per dag of gedeelte van een dag dat zij hiermee in gebreke blijft.

Witadi heeft de vordering bestreden.

De rechtbank heeft bij vonnis van 6 maart 2002 de vordering grotendeels toegewezen.

Tegen dit vonnis heeft Witadi hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te Arnhem. Daarbij heeft zij - verkort weergegeven - gevorderd het litigieuze perceel terug te leveren.

Bij arrest van 14 januari 2003 heeft het hof het vonnis waarvan beroep vernietigd en, opnieuw rechtdoende, de gevraagde voorzieningen alsnog geweigerd.

Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen dit arrest heeft [eiseres] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Witadi heeft primair geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring, subsidiair tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.

De conclusie van de Advocaat-Generaal C.L. de Vries Lentsch-Kostense strekt tot verwerping van het beroep.

3. Uitgangspunten in cassatie

3.1In cassatie kan van de volgende feiten en omstandigheden worden uitgegaan.

(i) [Eiseres] vanaf 1993 een stuk grond in [plaats] dat eigendom is van [betrokkene 1], waarop te haren behoeve tevens een recht van opstal is gevestigd. In de huurovereenkomst en de opstalakte is opgenomen dat [eiseres] een recht van eerste koop heeft van het gehuurde stuk grond.

(ii) [Eiseres] heeft in 1994 op het stuk grond haar bedrijf met kantoor, garage, opslagtanks en tankstation gevestigd. Inmiddels heeft zij nagenoeg het gehele terrein verhard.

(iii) [Eiseres] heeft in 1997 de wens te kennen gegeven het stuk grond te kopen. [Eiseres] en [betrokkene 1] zijn hierover vervolgens met elkaar in onderhandeling getreden, maar zij zijn niet tot overeenstemming gekomen over de koopprijs. Inmiddels had [betrokkene 1] het stuk grond verkocht en geleverd aan de door hem opgerichte besloten vennootschap Witadi B.V.

(iv) [Eiseres] en Witadi zijn vervolgens met elkaar in diverse procedures verwikkeld geraakt. Hieraan is een einde gekomen doordat partijen op 16 oktober 2001 een vaststellingsovereenkomst hebben gesloten. Daarin is overeengekomen dat [eiseres] van Witadi het stuk grond koopt voor een prijs, gebaseerd op de vrije waarde in het economisch verkeer, te bepalen door drie door de rechtbank te benoemen deskundigen.

(v) In december 2001 hebben drie daartoe benoemde deskundigen een taxatierapport uitgebracht waarin zij de vrije waarde in het economisch verkeer van het stuk grond, rekening houdend met de gebruikelijke kosten van de infrastructuur en een verhoging van de contante waarde van de retributie met de huuropbrengst over een periode van 21 jaar, hebben vastgesteld op € 378.906,--, daarbij uitgaande van de uitgifteprijs van de grond.

3.2 In dit kort geding heeft [eiseres] gevorderd dat de voorzieningenrechter Witadi zal gelasten haar het stuk grond tegen de door de deskundigen getaxeerde waarde van € 378.906,-- te leveren en voorts zal bepalen dat zijn vonnis dezelfde kracht heeft als een in wettige vorm opgemaakte akte, strekkende tot levering van een registergoed. Witadi heeft verweer gevoerd.

De voorzieningenrechter heeft de gevraagde voorziening toegewezen en tevens bepaald dat zijn vonnis binnen twee weken na betekening tegen betaling van € 378.906,-- als akte van levering kan worden ingeschreven in de openbare registers indien is voldaan aan het bepaalde in art. 3:301 lid 1 BW.

In hoger beroep heeft het hof dit vonnis vernietigd en, opnieuw rechtdoende, de gevraagde voorziening alsnog geweigerd. Kort samengevat overwoog het hof daartoe dat, in het licht van het door Witadi gevoerde verweer, de in de vaststellingsovereenkomst bedoelde maatstaf voor de waardebepaling van het onderhavige stuk grond onvoldoende duidelijk is, dat de vaststellingsovereenkomst zal moeten worden uitgelegd en dat die uitleg niet zonder nader onderzoek en bewijslevering kan plaatsvinden, welke ten overstaan van de bodemrechter zal moeten geschieden (rov. 5.8).

Tegen dit vonnis is [eiseres] in cassatie gekomen met een vijftal middelen. Witadi heeft niet alleen daartegen verweer gevoerd, maar heeft bovendien betoogd dat [eiseres] niet-ontvankelijk in het door haar ingestelde beroep zal moeten worden verklaard omdat zij heeft verzuimd dit beroep tijdig te doen inschrijven ter griffie van het gerechtshof te Arnhem, waartoe zij gehouden was ingevolge art. 3:301 lid 2 BW in verbinding met 433 Rv.

4. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep

4.1 Bij de beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep wordt het volgende vooropgesteld. De voorzieningenrechter heeft Witadi op de voet van art. 3:300 lid 1 BW veroordeeld tot levering van het stuk grond aan [eiseres] met uitvoerbaarverklaring bij voorraad van deze uitspraak en met bepaling - kort gezegd - dat deze in de plaats treedt van de voor levering van het stuk grond vereiste notariële akte, zoals bedoeld in art. 3:89 lid 1 BW. In art. 3:301 lid 2 BW is geregeld dat - onder meer - beroep in cassatie tegen een uitspraak waarvan de rechter heeft bepaald dat zij in de plaats treedt van een tot levering van een registergoed bestemde akte, op straffe van niet-ontvankelijkheid binnen acht dagen na het instellen van het rechtsmiddel moet worden ingeschreven in de registers, bedoeld in art. 433 Rv. Zoals de Hoge Raad al heeft overwogen in zijn arrest van 24 december 1999, nr. C 98/161, NJ 2000, 495, strekt art. 3:301 lid 2 ertoe, gelijk ook naar voren komt uit de memorie van toelichting bij art. 3:301, dat bij inschrijving van een zodanige uitspraak zoveel mogelijk buiten twijfel wordt gesteld dat op het tijdstip waarop de termijn voor het instellen van beroep in cassatie verstreek, zodanig beroep niet is ingesteld (Parl. Gesch. Boek 3 (Inv. 3, 5 en 6) blz. 1400-1402). Zulks is van belang met betrekking tot de ten aanzien van verkrijging van registergoederen vereiste rechtszekerheid.

4.2 In het geval de in art. 3:300 lid 2 bedoelde uitspraak uitvoerbaar bij voorraad is verklaard draagt de veroordeling, zolang daartegen nog beroep in cassatie openstaat of, indien cassatie is ingesteld, het geding nog niet tot een einde is gekomen, een niet-definitief karakter. Dit staat met de zojuist bedoelde rechtszekerheid op gespannen voet. Maar enerzijds kan de mogelijkheid een zodanige uitspraak te doen moeilijk worden gemist om de in de memorie van toelichting bij art. 3:301 genoemde redenen, terwijl anderzijds juist om die rechtszekerheid zo goed mogelijk te dienen, in art. 3:301 lid 2 de eis is gesteld dat een rechtsmiddel tegen een zodanig veroordelend vonnis in de in art. 433 Rv. bedoelde registers wordt ingeschreven.

4.3 In de onderhavige zaak heeft het hof het vonnis van de voorzieningenrechter vernietigd en de verlangde voorziening alsnog geweigerd. Naar de letter van art. 3:301 is hier dus niet sprake van een geval waarin een tegen die uitspraak ingesteld cassatieberoep, op de voet van het tweede lid van dit artikel, dient te worden ingeschreven in de in art. 433 Rv. bedoelde registers. Verdedigbaar is echter dat naar de strekking van art. 3:301 lid 2 ook in een zodanig geval het ingestelde rechtsmiddel dient te worden ingeschreven. Indien het cassatieberoep zou leiden tot vernietiging van de bestreden uitspraak van het hof herleeft immers ook de door de voorzieningenrechter gedane uitspraak, en zou, ingeval van verwijzing door de Hoge Raad, een nieuwe beoordeling van de daartegen aangevoerde grieven moeten plaatsvinden door de rechter naar wie de zaak wordt verwezen.

4.4 Bij afweging van deze, onderling tegenstrijdige, argumenten die kunnen worden ontleend aan enerzijds de tekst van en anderzijds de toelichting op art. 3:301 BW, geven eerstgenoemde argumenten de doorslag. Nu in art. 3:301 BW de zware sanctie van niet-ontvankelijkheid wordt gesteld op een verzuim van inschrijving, bestaat onvoldoende aanleiding om die bepaling, waarvan de Hoge Raad in zijn hiervoor in 4.1 aangehaalde arrest al heeft overwogen dat zij een beperkte strekking heeft, uit te breiden tot een geval dat door de - recentelijk totstandgekomen - wettekst niet wordt bestreken.

4.5 [Eiseres] is dus ontvankelijk in het door haar ingestelde beroep.

5. Beoordeling van de middelen

De in de middelen aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

6. Beslissing

De Hoge Raad:

verwerpt het beroep;

veroordeelt [eiseres] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van Witadi begroot op € 316,34 aan verschotten en € 1.365,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president R. Herrmann als voorzitter en de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, P.C. Kop, J.C. van Oven en F.B. Bakels, en in het openbaar uitgesproken door de vice-president P. Neleman op 19 november 2004.