Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2004:AP4504

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
29-10-2004
Datum publicatie
29-10-2004
Zaaknummer
C03/166HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2004:AP4504
In cassatie op : ECLI:NL:GHSHE:2003:AF7287
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

29 oktober 2004 Eerste Kamer Nr. C03/166HR JMH Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van: [Eiser], wonende te [woonplaats], EISER tot cassatie, advocaat: mr. R.S. Meijer, t e g e n 1. [Verweerster 1], gevestigd te [vestigingsplaats], 2. ABN-AMRO BANK N.V., gevestigd te Amsterdam, VERWEERSTERS in cassatie, advocaat: mr. J.B.M.M. Wuisman. 1. Het geding in feitelijke instanties...

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 475, geldigheid: 2004-10-29
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 718, geldigheid: 2004-10-29
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOR 2004/338 met annotatie van mr. A. van Hees
JBPR 2004/68 met annotatie van A.W. Jongbloed
Ars Aequi AA20050846 met annotatie van A.I.M. van Mierlo
JOL 2004, 558
NJ 2006, 203
RvdW 2004, 123
TvI 2005, 9
JOW 2005, 59
Ondernemingsrecht 2005, 23
JWB 2004/375

Uitspraak

29 oktober 2004

Eerste Kamer

Nr. C03/166HR

JMH

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[Eiser],

wonende te [woonplaats],

EISER tot cassatie,

advocaat: mr. R.S. Meijer,

t e g e n

1. [Verweerster 1],

gevestigd te [vestigingsplaats],

2. ABN-AMRO BANK N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

VERWEERSTERS in cassatie,

advocaat: mr. J.B.M.M. Wuisman.

1. Het geding in feitelijke instanties

Verweerster in cassatie sub 1 - verder te noemen: [verweerster 1] - heeft bij exploot van 16 september 2002 eiser tot cassatie - verder te noemen: [eiser] - en verweerster in cassatie sub 2 - verder te noemen: de bank - in kort geding gedagvaard voor de voorzieningenrechter in de rechtbank te 's-Hertogenbosch en gevorderd bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

1. de in het petitum van de dagvaarding vermelde conservatoire beslagen op te heffen, althans [eiser] te veroordelen deze beslagen op te heffen binnen 24 uur na betekening van het in deze te wijzen vonnis, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom door [eiser] aan [verweerster 1] van € 500.000,-- bij overtreding, alsmede van € 1.000,-- voor elke dag dat [eiser] langer in gebreke blijft;

2. de bank te bevelen de met [verweerster 1] overeengekomen kredietfaciliteit onverminderd integraal beschikbaar te stellen, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom door de bank aan [verweerster 1] van € 500.000,-- bij overtreding, alsmede van € 1.000,-- voor elke dag dat de bank langer in gebreke blijft.

[Eiser] en de bank hebben de vorderingen bestreden.

De voorzieningenrechter heeft bij vonnis van 10 oktober 2002:

- het bij exploot van 30 augustus 2002 ten verzoeke van [eiser] en ten laste van [verweerster 1] gelegde conservatoire beslag onder de bank opgeheven;

- de bank bevolen om de met [verweerster 1] overeengekomen kredietfaciliteit onverminderd integraal beschikbaar te stellen binnen 24 uur na betekening van dit vonnis;

- de bank veroordeeld tot betaling van een dwangsom van € 1.000,-- voor elke dag dat zij in strijd zal handelen met voornoemd bevel of een gedeelte daarvan, met dien verstande dat deze dwangsomsanctie vatbaar zal zijn voor matiging door de rechter, voorzover handhaving daarvan naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn, in aanmerking genomen de mate waarin aan dit vonnis is voldaan, de ernst van de overtreding en de mate van verwijtbaarheid van de overtreding;

- [verweerster 1] veroordeeld in de kosten van dit geding aan de zijde van [eiser], zoals begroot in het dictum van dit vonnis;

- de proceskosten tussen [verweerster 1] en de bank gecompenseerd;

- dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaard, en

- het meer of anders gevorderde afgewezen.

Tegen dit vonnis heeft [verweerster 1] hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch. [Eiser] en de bank hebben incidenteel hoger beroep ingesteld en de bank heeft voeging in het incidenteel appel aan de zijde van [eiser] gevorderd.

Bij arrest van 8 april 2003 heeft het hof:

in het incident tot voeging:

- de voeging van de bank aan de zijde van [eiser] toegestaan;

in het principaal appel:

- [verweerster 1] niet-ontvankelijk verklaard in haar appel voor zover gericht tegen de bank;

in het principaal en het incidenteel appel:

- het vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank te 's-Hertogenbosch van 10 oktober 2002 met verbetering van gronden bekrachtigd;

in het principaal appel:

- [verweerster 1] veroordeeld in de kosten van het geding in hoger beroep zowel aan de zijde van [eiser] als aan de zijde van de bank, zoals vermeld in het dictum van dit arrest;

in het incidenteel appel:

- [eiser] veroordeeld in de kosten van het geding in hoger beroep aan de zijde van de bank zoals begroot in het dictum van dit arrest en aan de zijde van [verweerster 1] op nihil.

Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

[Verweerster 1] en de bank hebben geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.

De conclusie van de Advocaat-Generaal J.L.R.A. Huydecoper strekt tot vernietiging en verwijzing.

De advocaten van beide partijen hebben bij brieven van 9 juli 2004 op de conclusie gereageerd.

3. Beoordeling van het middel

3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) [Eiser] en zijn vrouw exploiteren in maatschapsverband een agrarisch bedrijf.

(ii) Bij akte van 10 april 1999 heeft [eiser] zich tegenover [verweerster 1] verplicht tussen april 1999 en globaal eind 2002 vier 'ronden' van 1100 kalveren voor [verweerster 1] te mesten.

(iii) Over de afwikkeling van deze overeenkomst is tussen partijen een geschil ontstaan. In verband daarmee heeft [verweerster 1] een bodemprocedure aanhangig gemaakt. [Eiser] heeft in dat geding een vordering in reconventie ingesteld. Ter verzekering van deze reconventionele vordering heeft [eiser] een zestal conservatoire derdenbeslagen gelegd, onder meer onder de bank. [Verweerster 1] heeft bij de bank zowel een rekening-courant als een kredietfaciliteit. Ten tijde van de beslaglegging was haar saldo in rekening-courant negatief, maar was de kredietfaciliteit nog niet ten volle benut. De bank heeft vervolgens het krediet opgeschort zodat [verweerster 1] daarover niet langer kon beschikken.

3.2 In dit kort geding heeft [verweerster 1], samengevat weergegeven en voor zover in cassatie van belang, gevorderd dat voormeld derdenbeslag zal worden opgeheven en dat de bank zal worden bevolen de kredietfaciliteit opnieuw aan haar ter beschikking te stellen.

De voorzieningenrechter heeft geoordeeld dat de ondeugdelijkheid van het door [eiser] ingeroepen recht niet summierlijk is gebleken, zodat de derden-beslagen waardoor een saldo was getroffen, niet zijn opgeheven. Wat betreft het onder de bank gelegde derdenbeslag oordeelde hij echter dat dit geen doel heeft getroffen omdat [verweerster 1] ten tijde van de beslaglegging geen geldvordering op de bank had maar slechts een schuld aan haar en de kredietfaciliteit niet een vermogensrecht is dat vatbaar is voor beslaglegging. Op deze gronden heeft de voorzieningenrechter het onder de bank gelegde derdenbeslag opgeheven en de bank bevolen het overeengekomen krediet onverminderd aan [verweerster 1] ter beschikking te stellen. Wat betreft de overige conservatoire derdenbeslagen werd de gevraagde voorziening geweigerd.

[Verweerster 1] heeft tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld voor zover de te haren laste gelegde beslagen in eerste aanleg niet waren opgeheven. [eiser] appelleerde incidenteel tegen de beslissing van de voorzieningenrechter tot opheffing van het onder de bank gelegde derdenbeslag.

Het hof heeft zowel in het principale als in het incidentele beroep het bestreden vonnis bekrachtigd met verbetering van gronden. In het incidentele beroep overwoog het hof daartoe, kort samengevat, als volgt. Het recht van [verweerster 1] tegenover de bank gebruik te maken van de haar geboden kredietfaciliteit is een wilsrecht dat als zodanig niet vatbaar is voor derdenbeslag omdat het geen goed is in de zin van art. 3:1 BW (rov. 4.18). Ook de aanspraak die [verweerster 1] tegenover de bank verkrijgt door aan haar een betalingsopdracht te geven is niet door het beslag getroffen. Deze aanspraak volgt immers uit de uitoefening van het wilsrecht door [verweerster 1] en niet rechtstreeks uit de rekening-courantverhouding (rov. 4.19). Bovendien is het doel van beslaglegging onder derden dat het desbetreffende vermogensbestanddeel door het beslag wordt 'gezekerd' teneinde na verkrijging van een executoriale titel te gelde te worden gemaakt. Een dergelijk vermogensbestanddeel wordt door het onderhavige beslag niet getroffen (rov. 4.20).

3.3 Het tegen deze beslissing gerichte middel is niet gebaseerd op de (ruime) opvatting dat op het nog onbenutte gedeelte van de kredietruimte die [verweerster 1] bij de bank had, als bestaande vordering onder de bank beslag kan worden gelegd. Het middel is wél gebaseerd op de rechtsopvatting dat het onbenutte gedeelte van de kredietruimte die [verweerster 1] bij de bank had, door het beslag is getroffen indien en voor zover zij na de beslaglegging gebruik maakt van haar wilsrecht door betalingsopdrachten aan de bank te verstrekken.

Voordat wordt ingegaan op het middel, zal eerst deze rechtsopvatting worden beoordeeld. Deze door het middel verdedigde tussenweg tussen de genoemde ruime opvatting en de enge opvatting - die inhoudt dat een derdenbeslag onder een bank- of giro-instelling alleen een eventueel creditsaldo van de beslagene treft - sluit nauw aan bij de ruime opvatting, omdat hij eveneens berust op de gedachte dat een onder de bank gelegd (executoriaal of conservatoir) derdenbeslag tot gevolg heeft dat de eventueel niet-benutte kredietruimte door het beslag wordt getroffen, zij het eerst indien en voor zover de beslagene gebruik maakt van het recht het krediet af te roepen.

3.4 De figuur van het conservatoire derdenbeslag is geregeld in art. 718 in verbinding met art. 475 e.v. Rv. De bewoordingen waarin deze bepalingen zijn gesteld bieden geen aanknopingspunten voor een beoordeling van de rechtsopvatting die aan het middel ten grondslag ligt. Rechtspraak en literatuur zijn daarover sterk verdeeld, zonder dat kan worden gesproken van een heersende leer. Ook het recht van de ons omringende landen verschilt in dit opzicht.

Naar Nederlands beslag- en executierecht kan de door het middel bepleite mogelijkheid van beslag op niet-benutte kredietruimte evenwel niet worden aanvaard omdat de aard van de relatie tussen de kredietverlenende bank en de cliënt, het systeem van ons faillissements- en beslagrecht en bezwaren van praktische aard zich daartegen verzetten.

3.5 Voor de bank die aan zijn cliënt een kredietfaciliteit heeft verschaft, ontstaat pas een verbintenis tot uitbetaling van een bedrag uit de kredietruimte (aan de cliënt zelf of aan een door deze aangewezen derde) wanneer die cliënt van zijn bevoegdheid tot afroep gebruik maakt. Het enkele bestaan van een kredietrelatie tussen bank en cliënt brengt dus niet mee dat de cliënt reeds op die grond een - vooralsnog voorwaardelijke - vordering heeft op de bank, ook al vindt de vordering die na afroep ontstaat haar onmiddellijke grondslag in de tussen bank en cliënt gesloten kredietovereenkomst (vgl. HR 25 maart 1988, nr. 13171, NJ 1989, 200). Hieruit volgt dat het enkele bestaan van een kredietrelatie tussen bank en cliënt nog geen voor beslag vatbare vordering van de cliënt op de bank impliceert.

3.6 Het wilsrecht van de cliënt dat ligt besloten in de bevoegdheid tot afroep is naar zijn aard niet vatbaar voor beslag en executie omdat dit recht niet kan worden overgedragen.

Evenmin kan het wilsrecht door de beslaglegger in de plaats van de beslagene/cliënt worden uitgeoefend.

Het onderhavige wilsrecht is niet vatbaar voor overdracht omdat door overdracht een rechtsbetrekking zou ontstaan tussen de derde aan wie het recht wordt overgedragen en de kredietverlenende bank, zonder dat de bank daarover enigerlei zeggenschap zou hebben, terwijl voor haar de persoon van haar wederpartij van groot belang is.

De vraag of de beslaglegger in verband met een door hem gelegd derdenbeslag een door de beslagene nog niet uitgeoefend wilsrecht in diens plaats mag uitoefenen, laat zich niet in algemene zin beantwoorden aangezien het antwoord afhankelijk is van de aard van het wilsrecht in kwestie. Zulks volgt mede uit de art. 477 lid 4 en 479 l-q Rv. waarin - in het kader van executoriaal beslag - een specifieke regeling wordt gegeven voor een tweetal bijzondere gevallen, zonder dat uit de tekst van die bepalingen of de daarop gegeven toelichting blijkt dat daarmee een precisering is bedoeld van een algemene regel. Wat betreft het onderhavige wilsrecht moet worden aangenomen dat dit niet kan worden uitgeoefend door de beslaglegger. Indien immers de bank op grond van het derdenbeslag, zodra dit in de executoriale fase is geraakt, verplicht zou kunnen worden een bedrag ter hoogte van de voor de cliënt nog beschikbare kredietruimte aan de beslaglegger te voldoen, zou daardoor tegelijkertijd een tegenvordering van de bank op de beslagene/cliënt ontstaan tot terugbetaling van dit bedrag. Ingevolge art. 6:130 leden 1 en 2 BW mag de bank deze tegenvordering in verrekening brengen met de vordering van de beslaglegger tot afdracht van het zojuist bedoelde bedrag omdat deze tegenvordering uit dezelfde rechtsverhouding voortvloeit als de beslagen vordering. Aan te nemen valt dat de bank (vrijwel) altijd van haar bevoegdheid tot verrekening gebruik zal maken. Uitoefening van het onderhavige wilsrecht door de beslaglegger is derhalve niet op zinvolle wijze mogelijk (al aangenomen dat een derdenbeslag op een kredietrekening niet, krachtens een tevoren tussen bank en cliënt gemaakt beding, leidt tot blokkering of zelfs opzegging van de kredietfaciliteit door de bank; daarbij verdient aantekening dat de beslaglegger een zodanig beding moet respecteren omdat hij zich door het beslag niet meer rechten kan verwerven dan de beslagene had).

3.7 Bij het vorenstaande, dat overigens impliceert dat de hiervoor in 3.3 aangeduide ruime opvatting terecht niet door het middel wordt verdedigd, komt dat uit de parlementaire geschiedenis van art. 475 Rv. blijkt dat de wetgever beducht is voor een beslag zonder een reëel uitzicht op executie, zoals het gevolg zou zijn van de wél door het middel verdedigde tussenopvatting:

"Het beslag strekt ertoe dat zo snel mogelijk verhaal plaatsvindt. De door het beslag getroffen goederen worden in afwachting daarvan voor rechtshandelingen door de schuldenaar geblokkeerd. Beslag op toekomstige goederen is voor de schuldenaar dan ook aanzienlijk ingrijpender dan overdracht - of verpanding - daarvan, nu een zodanig beslag de schuldenaar gedurende onbepaalde tijd zou beletten bijv. zijn reeds gevormde of nog te vormen voorraad te verhandelen en gelden uit reeds bestaande of nog te verkrijgen vorderingen te innen, die hij nodig heeft om zijn voorraad aan te vullen of anderszins zijn bedrijf te financieren. Een zodanig beslag zou in weinig verschillen van het algemene beslag dat het gevolg is van het faillissement van de schuldenaar, de enige huidige beslagvorm die ook toekomstige goederen van de schuldenaar omvat (artikel 20 F.)." (MvA II Inv. bij art. 475 Rv., Parl. Gesch. Wijziging Rv. e.a.w. (Inv. 3, 5 en 6), blz. 158)

Met deze beduchtheid is de rechtsopvatting waarop het middel is gebaseerd, niet te rijmen omdat deze juist in de regel wél leidt tot blokkering van de beslagen kredietfaciliteit gedurende onbepaalde tijd, zonder uitzicht op (spoedig) verhaal. In deze opvatting treft het door de beslaglegger onder de bank gelegde derden-beslag immers de vordering die voor de beslagene/cliënt op de bank ontstaat zodra de cliënt opdracht geeft aan de bank uit het krediet een bedrag te betalen aan hemzelf of over te boeken naar de rekening van een derde. Bij aanvaarding van deze opvatting zou in de praktijk, zoals, naar moet worden aangenomen, deze zich dan zou ontwikkelen, een zodanige opdracht - anders dan bij vergissing - evenwel nimmer aan de bank worden gegeven aangezien op voorhand zou vaststaan dat zij door de bank niet op de door de cliënt gewenste wijze zou worden uitgevoerd, omdat de bank in geval van een executoriaal beslag aan de beslaglegger zou moeten betalen en in geval van een conservatoir beslag het bedrag waarvoor de betalingsopdracht is gegeven zou moeten reserveren ter uitbetaling aan de beslaglegger nadat deze een executoriale titel heeft verkregen. Het beslag zou dan slechts tot gevolg hebben dat de beslagene/cliënt praktisch gesproken geen gebruik meer kan of zal maken van het krediet, zodat geen uitzicht bestaat op verhaal voor de vordering van de beslaglegger. Aldus zou dit beslag leiden tot de in het aangehaalde citaat uit de parlementaire geschiedenis bedoelde situatie waarin weinig verschil bestaat met het faillissementsbeslag, zulks in strijd met de bedoeling van de wetgever. Dit zou voorts in strijd zijn met de wettelijke regeling van het conservatoire beslag dat immers, blijkens art. 704 Rv., als bewarende maatregel een voorlopige toestand inleidt en tot strekking heeft over te gaan in een executoriaal beslag (art. 704 lid 1 Rv.), als het niet van rechtswege komt te vervallen doordat de eis in de hoofdzaak bij in kracht van gewijsde gegane beslissing is afgewezen (art. 704 lid 2 Rv.). Het onderhavige derdenbeslag zou evenwel, in de rechtsopvatting waarop het middel is gebaseerd, niet een bewarende maatregel van voorlopige aard zijn, maar een blokkerende maatregel van onbepaalde duur zonder uitzicht op executie.

3.8 Ten slotte kleven aan deze tussenopvatting ook praktische bezwaren in het licht van de in de rechtspraak aanvaarde regel dat de derde-beslagene als gevolg van het derdenbeslag niet in een slechtere positie mag komen te verkeren dan waarin hij stond tegenover de beslagene (vgl. HR 30 november 2001, nr. C 00/041, NJ 2002, 419). In deze opvatting zou de bank immers het niet te veronachtzamen risico lopen van een tegenover de beslaglegger niet-bevrijdende betaling, welk risico nog toeneemt in het niet uitzonderlijke geval dat meer ondernemingen (in concernverband) op dezelfde kredietruimte zijn aangewezen en het beslag slechts een van hen betreft. Voorzienbaar gevolg van deze opvatting is derhalve dat banken zich tegen die mogelijk voor hen nadelige gevolgen in hun tarieven en algemene voorwaarden zullen wapenen op een wijze waardoor het maatschappelijk nuttige instrument van de kredietverlening onder druk komt te staan, hetgeen onwenselijk moet worden geacht.

3.9 Het vorenstaande leidt tot verwerping van de aan het middel ten grondslag liggende rechtsopvatting. Aantekening verdient echter nog dat aan de - derhalve te verkiezen - opvatting dat een onder een bank- of giro-instelling gelegd derdenbeslag uitsluitend het op dat moment aanwezige creditsaldo treft, het - ook door het middel naar voren gebrachte - bezwaar kleeft dat de schuldenaar de kredietfaciliteit kan benutten om reeds aan de bank verschafte zekerheden te laten 'vollopen'. Dusdoende kan het aan art. 3:277 lid 1 BW ten grondslag liggende gelijkheidsbeginsel in de knel raken terwijl bovendien andere, wel voor beslag vatbare, vermogensbestanddelen van de schuldenaar, voor zover reeds aan de bank tot zekerheid verbonden, hun betekenis als verhaalsobject voor de beslag leggende schuldeiser gaandeweg verliezen.

Dit - op zichzelf reële - bezwaar heeft echter niet een zo groot gewicht dat daarin aanleiding is gelegen over het hiervoor overwogene alsnog anders te oordelen. Ten eerste staat voor de schuldeiser wiens vordering onvoldaan blijft immers de mogelijkheid open het faillissement van zijn schuldenaar aan te vragen, aangenomen dat aan de daarvoor in art. 1 lid 1 F. gestelde eisen is voldaan. Ten tweede kan hij, hoewel de hiervoor bedoelde zekerheden al aan de bank zijn verschaft, niettemin daarop beslag leggen en, nadat hij zich een executoriale titel heeft verworven, de executie daarvan aanzeggen. Indien niet op voorhand vaststaat dat die executie niet tot enige uitkering aan de beslaglegger zal leiden - in welk geval sprake is van misbruik van bevoegdheid - zal dit in de praktijk ertoe leiden dat de bank als zekerheidsgerechtigde de executie overneemt, zulks met toepassing van art. 461a e.v. Rv. (ten aanzien van pand) of art. 509 Rv. (ten aanzien van hypotheek). In deze beide bevoegdheden van de schuldeiser kan een zowel legitieme als voldoende prikkel voor de schuldenaar zijn gelegen om de vordering te voldoen, daarvoor zekerheid te stellen of een betalingsregeling met de schuldeiser te treffen.

3.10 Uit het vorenstaande volgt dat de door het middel verdedigde tussenopvatting niet kan worden aanvaard en dat het nog onbenutte gedeelte van de kredietfaciliteit bij een bank naar zijn aard niet vatbaar is voor beslag. Daarom heeft [eiser] geen belang bij een bespreking van de specifieke klachten die door het middel worden aangevoerd.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

verwerpt het beroep;

veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerster 1] begroot op € 316,34 aan verschotten en € 1.365,- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president R. Herrmann als voorzitter en de raadsheren J.B. Fleers, D.H. Beukenhorst, P.C. Kop en F.B. Bakels, en in het openbaar uitgesproken door de vice-president P. Neleman op 29 oktober 2004.