Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2004:AP1429

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
29-10-2004
Datum publicatie
29-10-2004
Zaaknummer
C03/152HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2004:AP1429
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

29 oktober 2004 Eerste Kamer Nr. C03/152HR AT Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van: [Eiser], wonende te [woonplaats], EISER tot cassatie, advocaat: mr. E. van Staden ten Brink, t e g e n [Verweerder], wonende te [woonplaats], VERWEERDER in cassatie, advocaat: mr. G.C. Makkink. 1. Het geding in feitelijke instanties...

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2004, 556
NJ 2005, 79
JWB 2004/369
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

29 oktober 2004

Eerste Kamer

Nr. C03/152HR

AT

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[Eiser],

wonende te [woonplaats],

EISER tot cassatie,

advocaat: mr. E. van Staden ten Brink,

t e g e n

[Verweerder],

wonende te [woonplaats],

VERWEERDER in cassatie,

advocaat: mr. G.C. Makkink.

1. Het geding in feitelijke instanties

Eiser tot cassatie - verder te noemen: [eiser] - heeft bij exploot van 27 september 1999 verweerder in cassatie - verder te noemen: [verweerder] - gedagvaard voor de kantonrechter te Haarlem. [Eiser] heeft gevorderd, bij wijze van voorlopige voorziening, [verweerder] te veroordelen tot ontruiming van het door [verweerder] van [eiser] gehuurde grond met daarop gestichte opstallen aan de [a-straat 1] te [plaats] (hierna: het gehuurde).

[Verweerder] heeft de vordering bestreden.

De kantonrechter heeft bij vonnis van 2 november 1999 de gevorderde voorlopige voorziening geweigerd.

Bij exploot van eveneens 27 september 1999 heeft [eiser] [verweerder] [in de bodemprocedure] gedagvaard voor de kantonrechter te Haarlem en gevorderd, kort gezegd, de tussen partijen gesloten huurovereenkomst te ontbinden en [verweerder] te veroordelen het gehuurde te ontruimen.

[Verweerder] heeft de vordering bestreden.

Na een tussenvonnis van 3 mei 2000 waarbij een comparitie van partijen is gelast, heeft de kantonrechter bij eindvonnis van 30 augustus 2000 de vordering toegewezen.

Tegen laatstgenoemd vonnis van de kantonrechter heeft [verweerder] hoger beroep ingesteld bij de rechtbank te Haarlem.

De rechtbank heeft bij tussenvonnis van 22 januari 2002 een comparitie van partijen gelast, welke is gehouden ter terechtzitting van 15 mei 2002. Hierna heeft de rechtbank bij vonnis van 28 mei 2002 partijen tot bewijslevering toegelaten. Na getuigenverhoor heeft de rechtbank bij eindvonnis van 15 januari 2003 het bestreden vonnis vernietigd en de vordering van [eiser] alsnog afgewezen.

De vonnissen van de rechtbank van 22 januari 2002, 28 mei 2002 en 15 januari 2003 zijn aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen de vonnissen van de rechtbank heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

[Verweerder] heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.

De conclusie van de Procureur-Generaal strekt tot verwerping van het beroep.

3. Beoordeling van het middel

3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) [Verweerder] huurt sinds 1969 een stuk grond met daarop gestichte opstallen, deel uitmakende van het perceel plaatselijk bekend [a-straat 1] te [plaats], kadastraal bekend gemeente Castricum, sectie [A], nr. [001] (gedeeltelijk), alwaar [verweerder] zijn onderneming heeft gevestigd.

(ii) [Verweerder] huurt dit perceel sinds 1989 van [eiser] tegen een huurprijs van laatstelijk ƒ 18.500,-- per jaar.

(iii) De huurovereenkomst tussen partijen luidt, voorzover van belang, als volgt:

"(...)

2. Het gehuurde is bestemd om te worden gebruikt als garagebedrijf en als motorbrandstoffenverkooppunt.

(...)

6. [Verweerder] verplicht zich tegenover [eiser] om in het gehuurde een brandstoffenverkooppunt te exploiteren en daartoe een leverantie-contract te sluiten met de olie- en benzinehandel Boha B.V., gevestigd te Heiloo, (...)."

(iv) [Verweerder] heeft vanaf 1989 met het brandstoffenverkooppunt (tankstation) een brutowinst gegenereerd van ongeveer ƒ 20.000,-- per jaar.

(v) De gemeente Castricum heeft [verweerder] bij brief van 14 juli 1999 meegedeeld dat hij de werkzaamheden van het tankstation aan de [a-straat 1] vanaf 18 juli 1999 dient te staken, aangezien hij niet voldeed aan de toen geldende milieu-eisen; zo niet, dan zou de gemeente dit gedeelte van de inrichting van [verweerder] sluiten.

(vi) [Verweerder] heeft per 18 juli 1999 de exploitatie van het brandstoffenverkooppunt gestaakt.

(vii) [Eiser] heeft [verweerder] bij aangetekende brief van 16 augustus 1999 gesommeerd om binnen 14 dagen na de dagtekening van de brief de bedrijfsvoering van het brandstoffenverkooppunt te hervatten. [Verweerder] heeft niet aan deze sommatie voldaan.

(viii) [Eiser] heeft het desbetreffende perceel te [plaats] vanaf 2 mei 2000 verhuurd aan Benelite B.V., die na aanleg van een nieuw tankstation ter plekke de exploitatie daarvan medio 2001 is gestart.

3.2 [Eiser] heeft ontbinding van de huurovereenkomst met [verweerder] en ontruiming van het gehuurde door [verweerder] gevorderd. Daartoe heeft [eiser] aangevoerd dat [verweerder] niet voldoet aan zijn verplichting uit de huurovereenkomst door de motorbrandstoffenverkoop te staken en de exploitatieovereenkomst met Boha B.V. te beëindigen. De wanprestatie van [verweerder] is, aldus [eiser], van zeer ernstige aard, omdat het sluiten van het motorbrandstoffenverkooppunt ertoe zal leiden dat de plaatselijke overheid de daarmee verband houdende vergunningen zal intrekken, althans niet meer opnieuw zal willen verstrekken, waardoor [eiser] aanzienlijke schade zou lijden vanwege de waardevermindering van het desbetreffende perceel. De kantonrechter heeft bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis de vorderingen toegewezen.

3.3.1 De rechtbank heeft, voorzover in cassatie van belang, in rov. 4.6 van haar tussenvonnis van 22 januari 2002 geoordeeld dat [verweerder] het door [eiser] gestelde belang bij ontbinding van de overeenkomst, namelijk het verval van de met het brandstoffenverkooppunt verband houdende vergunningen en de daaruit volgende waardedaling van het perceel, voldoende gemotiveerd heeft weersproken. Uit artikel 6:265 lid 1 BW volgt, aldus de rechtbank, dat wanprestatie in de regel ontbinding wettigt, tenzij degene die is tekortgeschoten zich gemotiveerd erop beroept dat de tekortkoming, gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis, deze ontbinding en haar gevolgen niet rechtvaardigt en dit bij betwisting bewijst. De rechtbank vervolgt: "[Verweerder] zal derhalve worden belast met het bewijs van zijn stellingen dat er van de zijde van de gemeente Castricum geen beperkingen bestaan, noch te verwachten zijn, tot het heroprichten van een tankstation op het perceel [a-straat 1] te [plaats]." De rechtbank heeft echter allereerst een comparitie van partijen gelast.

3.3.2 De rechtbank heeft, voorzover in cassatie van belang, in het dictum onder 3.2 van haar tussenvonnis van 28 mei 2002 [verweerder] toegelaten tot het leveren van het hiervoor in 3.3.1 vermelde bewijs, namelijk dat, uitgaande van de sluiting van het in het geding zijnde brandstoffenverkooppunt met ingang van 18 juli 1999 en buiten beschouwing latend de heroprichting van dat brandstoffenverkooppunt door Benelite B.V. met ingang van medio 2001, er van de zijde van de gemeente Castricum geen beperkingen bestaan, noch binnen een periode van tien jaren ná 18 juli 1999 te verwachten zijn, tot het heroprichten van een brandstoffenverkooppunt aldaar.

3.3.3 De rechtbank heeft, voorzover in cassatie van belang, in rov. 2.5 van haar eindvonnis van 15 januari 2003 overwogen omtrent het belang van [verweerder] bij het hem opgedragen bewijs: indien de hiervoor in 3.3.2 gememoreerde beperkingen niet bestaan of te verwachten zijn, volgt daaruit dat de tekortkoming van [verweerder] - het sluiten van zijn tankstation - de ontbinding van de overeenkomst tussen partijen niet rechtvaardigt; de door [eiser] aangevoerde belangen, te weten het verval van met het brandstoffenverkooppunt verband houdende vergunningen en de daaruit volgende waardedaling van het perceel, zijn dan immers niet in geding. In rov. 2.6 - 2.12 heeft de rechtbank het aangedragen bewijs gewogen. Zij heeft in rov. 2.13 geconcludeerd dat [verweerder] het hem opgedragen bewijs heeft geleverd. De rechtbank heeft het vonnis van de kantonrechter van 30 augustus 2000 vernietigd en de vordering van [eiser] afgewezen.

3.4.1 De onderdelen 1 en 2 bevatten algemene klachten die nader worden uitgewerkt in de onderdelen 2.1 t/m 2.4, doch hebben daarnaast geen zelfstandige betekenis en behoeven geen afzonderlijke behandeling.

Onderdeel 2.1 strekt ten betoge dat [eiser] niet zijn bevoegdheid tot ontbinding verliest door de (enkele) omstandigheid dat de sluiting van het tankstation ongedaan kan worden gemaakt door het tankstation te heropenen dan wel doordat de gemeente daartegen geen bezwaren zal hebben. Niet valt in te zien, aldus dit onderdeel, dat (reeds) door het bestaan van deze mogelijkheid de wanprestatie en de daaraan verbonden bevoegdheid van [eiser] tot ontbinding van de huurovereenkomst zou komen te vervallen, dan wel dat (reeds) dientengevolge de tekortkoming gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis deze ontbinding en haar gevolgen niet zou rechtvaardigen. Indien de rechtbank echter op grond van de omstandigheden van dit geval tot het oordeel zou zijn gekomen, dat in dit geval dientengevolge aan de uitzondering van art. 6:265 lid 1 BW zou zijn voldaan, had de rechtbank, aldus het onderdeel, minstgenomen nader dienen te motiveren waarom de tekortkoming van [verweerder] in dit geval deze ontbinding en haar gevolgen in verband daarmee niet zou rechtvaardigen. De onderdelen 2.2, 2.3 en 2.4 klagen dat het oordeel van de rechtbank onjuist is of onvoldoende gemotiveerd omdat de rechtbank een aantal in die onderdelen gespecificeerde omstandigheden niet in haar oordeel heeft betrokken.

3.4.2 [Eiser] heeft zich in de eerste én in tweede aanleg op het standpunt gesteld dat de tekortkoming van [verweerder] in de nakoming van de huurovereenkomst zeer ernstig is omdat het sluiten van het tankstation ertoe zal leiden dat de plaatselijke overheid de daarmee verband houdende vergunningen zal intrekken of niet opnieuw zal willen afgeven, waardoor hij aanmerkelijke schade zal lijden vanwege de waardevermindering van het perceel. De stukken van het geding laten geen andere conclusie toe dan dat hij niet enig ander belang dan de kwestie van de vergunningen en de waardevermindering van zijn grond heeft gesteld en dat het processueel debat tot deze thema's beperkt is gebleven, nadat [verweerder] het belang van [eiser] bij de ontbinding van de overeenkomst, het zo-even genoemd verval van de vergunningen en de waardemindering van de grond, heeft betwist. De rechtbank heeft de aldus door partijen uitgezette rechtsstrijd beslecht en heeft, na aan [verweerder] het hiervoor in 3.3.2 vermelde bewijs te hebben opgedragen en in haar eindvonnis te hebben geoordeeld dat hij, [verweerder], daarin was geslaagd, geoordeeld dat de tekortkoming van [verweerder] de ontbinding niet rechtvaardigt. Dit oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Het is niet onbegrijpelijk en behoefde, gelet op de stellingen van [eiser] en het daarop volgende partijdebat, geen nadere motivering. De onderdelen falen derhalve.

3.5.1 Onderdeel 3 bevat geen zelfstandige klacht en behoeft geen aparte behandeling. Onderdeel 3.1 richt zich tegen het oordeel van de rechtbank dat niet is voldaan aan het criterium waarop het bij de beoordeling van het door [verweerder] geleverde bewijs aankomt, te weten of met de mogelijkheid van wijzigingen in wetgeving op het gebied van milieu of ruimtelijke ordening of wijzigingen in het gemeentelijk beleid terzake zodanig rekening moet worden gehouden, dat het oordeel gerechtvaardigd is dat in de periode tot 18 juli 2009 beperkingen van de zijde van de gemeente Castricum tegen heroprichting van het tankstation aan de [a-straat 1] te [plaats] te verwachten zijn. Het onderdeel klaagt dat onduidelijk is hoe de rechtbank tot haar oordeel heeft kunnen komen, omdat niemand kan voorspellen hoe de Nederlandse wetgeving met betrekking tot milieu of ruimtelijke ordening zich in de periode tot 18 juli 2009 zal ontwikkelen.

Het onderdeel ziet eraan voorbij dat de rechtbank, die zich bij gebreke van kennis omtrent hetgeen zich in de toekomst zal voordoen, mocht beperken tot een beoordeling van hetgeen met betrekking tot de mogelijkheid van toekomstige wetswijziging mocht worden verwacht, in rov. 2.11 van het eindvonnis heeft geoordeeld dat door partijen niet is gesteld en evenmin is gebleken dat met een wijziging van de toepasselijke regelgeving in de genoemde termijn rekening moet worden gehouden. Het onderdeel kan derhalve niet tot cassatie leiden.

3.5.2 Onderdeel 3.2 klaagt dat de rechtbank aan de verklaring van [betrokkene 1] - te weten dat noch in de milieuvoorschriften noch in het bestemmingsplan beletselen bestaan of zijn te verwachten ter zake van het heroprichten van het tankstation - een onbegrijpelijke conclusie heeft verbonden door in de laatste zin van rov. 2.9 van het eindvonnis te oordelen: "Na de sluiting in 1999 kon deze derhalve op ieder moment opnieuw worden opgericht", nu deze conclusie hooguit tot dat moment gerechtvaardigd zou zijn en voor verdergaande prognoses geen argument oplevert.

Voorzover het onderdeel voortbouwt op onderdeel 3.1 kan het om de hiervoor in 3.5.1 genoemde reden niet tot cassatie leiden. Het onderdeel kan ook voor het overige niet slagen omdat het eraan voorbij ziet dat, zoals door de rechtbank is overwogen in rov. 2.9, het [betrokkene 1] zelf was (daarbij de gemeente Castricum vertegenwoordigend) die heeft verklaard dat het tankstation na de sluiting op ieder moment opnieuw kon worden opgericht.

3.5.3 Onderdeel 3.3 acht het argument dat het intussen mogelijk is gebleken het tankstation weer op te richten, ongenoegzaam en onbegrijpelijk ter ondersteuning van het oordeel van de rechtbank dat, kort gezegd, [verweerder] in zijn bewijslevering is geslaagd.

Dit oordeel is echter niet onbegrijpelijk noch behoefde het nadere motivering, nu de rechtbank de omstandigheid dat na de sluiting van het tankstation door [verweerder], Benelite B.V. erin is geslaagd het tankstation te heropenen, waarbij volgens rov. 2.9 van het eindvonnis de gemeente Castricum geen andere voorschriften aan de (milieu)vergunningverlening heeft verbonden dan voor [verweerder] golden, terecht mede in haar beoordeling heeft betrokken omdat immers [eiser] zich op het standpunt had gesteld dat vanwege de sluiting van het tankstation de daarmee verband houdende vergunningen door de gemeente zouden worden ingetrokken en niet opnieuw zouden worden verleend.

3.5.4 De rechtbank heeft in rov. 2.12 van het eindvonnis geoordeeld dat de omstandigheid dat omwonenden bij heroprichting van het brandstoffenverkooppunt daartegen bezwaar zouden kunnen maken, niet tot een ander oordeel dan in rov. 2.11 door de rechtbank gegeven is, kan leiden, nu ter zake van de inhoud van dergelijke bezwaren, laat staan van de uitkomst daarvan, niets bekend is en de enkele mogelijkheid van indiening van bezwaren, mede gelet op het standpunt dat de gemeente Castricum heeft ingenomen, niet tot de conclusie kan leiden dat [eiser] deswege voldoende belang had bij de ontbinding van de overeenkomst. Onderdeel 3.4 klaagt dat de rechtbank met het in rov. 2.12 vervatte oordeel heeft miskend het in rov. 4.6 van haar tussenvonnis van 22 januari 2002 geformuleerde uitgangspunt dat het aan [verweerder] was om te stellen en te bewijzen dat zijn tekortkomingen de ontbinding van de overeenkomst niet rechtvaardigen.

Dit onderdeel kan bij gebrek aan feitelijke grondslag niet tot cassatie leiden, nu de rechtbank door haar kennelijke oordeel, dat de enkele mogelijkheid van het indienen van bezwaren niet tot de conclusie kan leiden dat [eiser] deswege voldoende belang had bij de ontbinding, het uitgangspunt van rov. 4.6 van het tussenvonnis van 22 januari 2002 niet heeft miskend.

3.5.5 Onderdeel 3.5 bouwt voort op onderdelen 3.1 tot en met 3.4 en deelt derhalve het lot van die onderdelen.

3.6 Onderdeel 4 behoeft geen behandeling nu dit voorwaardelijk is voorgesteld, namelijk voor het geval dat [verweerder] incidenteel beroep zou instellen tegen de rov. 2.1-2.4 van het eindvonnis, en [verweerder] zulks niet heeft gedaan.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

verwerpt het beroep;

veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerder] begroot op € 316,34 aan verschotten en € 1.365,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president P. Neleman als voorzitter en de raadsheren D.H. Beukenhorst, P.C. Kop, E.J. Numann en J.C. van Oven, en in het openbaar uitgesproken door de vice-president P. Neleman op 29 oktober 2004.