Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2004:AP0424

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
08-10-2004
Datum publicatie
08-10-2004
Zaaknummer
C03/077HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2004:AP0424
In sprongcassatie op: ECLI:NL:RBHAA:2002:AF1849
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

8 oktober 2004 Eerste Kamer Nr. C03/077HR JMH/AT Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van: 1. [Eiser 1], wonende te [woonplaats], 2. [Eiser 2], wonende te [woonplaats], 3. [Eiser 3], wonende te [woonplaats], 4. [Eiser 4], wonende te [woonplaats], 5. [Eiser 5], wonende te [woonplaats], 6. [Eiser 6], wonende te [woonplaats], 7. [Eiser 7], wonende te [woonplaats], 8. [Eiser 8], wonende te [woonplaats], 9. [Eiser 9], wonende te [woonplaats],10. [Eiser 10], wonende te [woonplaats], 11. [Eiser 11], wonende te [woonplaats], 12. [Eiser 12], wonende te [woonplaats], 13. [Eiser 13], wonende te [woonplaats], 14. [Eiser 14], wonende te [woonplaats], 15. [Eiser 15], wonende te [woonplaats], 16. [Eiser 16], wonende te [woonplaats], EISERS tot cassatie, advocaat: mr. R.S. Meijer, t e g e n 1. MARTINAIR HOLLAND N.V., gevestigd te Haarlemmermeer, VERWEERSTER in cassatie, advocaat: Mr. E. Grabandt, 2. de vereniging VERENIGING VAN NEDERLANDSE VERKEERSVLIEGERS, gevestigd te Haarlemmermeer, VERWEERSTER in cassatie, advocaat: mr. R.A.A. Duk. 1. Het geding in feitelijke instanties...

Wetsverwijzingen
Grondwet 1
Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten 26
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2004, 507
JOL 2004, 504
NJ 2005, 117 met annotatie van Redactie
RvdW 2004, 114
Ondernemingsrecht 2004, 266 met annotatie van A.M. ten Bosch-Gerritsen
PJ 2004/125 met annotatie van E. Lutjens
PJ 2004/139 met annotatie van M. Heemskerk
JWB 2004/338
JWB 2004/339
JAR 2004/258 met annotatie van Mr.drs. M.S.A. Vegter
XpertHR.nl 2010-367335
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

8 oktober 2004

Eerste Kamer

Nr. C03/077HR

JMH/AT

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

1. [Eiser 1],

wonende te [woonplaats],

2. [Eiser 2],

wonende te [woonplaats],

3. [Eiser 3],

wonende te [woonplaats],

4. [Eiser 4],

wonende te [woonplaats],

5. [Eiser 5],

wonende te [woonplaats],

6. [Eiser 6],

wonende te [woonplaats],

7. [Eiser 7],

wonende te [woonplaats],

8. [Eiser 8],

wonende te [woonplaats],

9. [Eiser 9],

wonende te [woonplaats],

10. [Eiser 10],

wonende te [woonplaats],

11. [Eiser 11],

wonende te [woonplaats],

12. [Eiser 12],

wonende te [woonplaats],

13. [Eiser 13],

wonende te [woonplaats],

14. [Eiser 14],

wonende te [woonplaats],

15. [Eiser 15],

wonende te [woonplaats],

16. [Eiser 16],

wonende te [woonplaats],

EISERS tot cassatie,

advocaat: mr. R.S. Meijer,

t e g e n

1. MARTINAIR HOLLAND N.V.,

gevestigd te Haarlemmermeer,

VERWEERSTER in cassatie,

advocaat: Mr. E. Grabandt,

2. de vereniging VERENIGING VAN NEDERLANDSE VERKEERSVLIEGERS,

gevestigd te Haarlemmermeer,

VERWEERSTER in cassatie,

advocaat: mr. R.A.A. Duk.

1. Het geding in feitelijke instanties

Eisers tot cassatie (en nog 29 anderen) - verder te noemen: [eiser] c.s. - hebben bij exploot van 26 juli 2000 verweersters in cassatie - verder te noemen: Martinair en VNV - gedagvaard voor de kantonrechter te Haarlem en gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

I. te verklaren voor recht dat voor het in artikel 5.2, lid 4, sub a van de CAO voor vliegers Martinair Holland N.V. gehanteerde leeftijdsonderscheid geen objectieve rechtvaardiging bestaat en dat de bepaling deswege wegens strijd met artikel 1 van de Grondwet juncto artikel 26 van het BUPO-verdrag nietig is;

II. Martinair te gebieden om eisers ook na hun 56ste verjaardag tot hun werk toe te laten op straffe van verbeurte van een dwangsom van ƒ 5.000,-- per dag dat Martinair in gebreke blijft met de nakoming van dit gebod na betekening van het vonnis, kosten rechtens.

Martinair en VNV hebben de vordering bestreden.

De kantonrechter heeft bij vonnis van 25 april 2001 de vordering van [eiser] c.s. afgewezen.

Tegen dit vonnis hebben [eiser] c.s. hoger beroep ingesteld bij de rechtbank te Haarlem.

Bij vonnis van 19 november 2002 heeft de rechtbank het vonnis waarvan beroep bekrachtigd.

Het vonnis van de rechtbank is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het vonnis van de rechtbank hebben [eiser] c.s. beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Martinair en VNV hebben geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.

De conclusie van de Advocaat-Generaal L.A.D. Keus strekt tot verwerping van het beroep.

3. Beoordeling van het middel

3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) [Eiser] c.s. zijn op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd als vlieger bij Martinair in dienst. Op de arbeidsovereenkomsten is de door VNV met Martinair gesloten CAO voor vliegers Martinair Holland N.V. van toepassing.

(ii) Uit art. 5.2, lid 4 onder a, van de CAO in verbinding met art. 1 (definitie), 1 sub g, van het Pensioenreglement Stichting Pensioenfonds Vliegers Martinair Holland vloeit voort dat zonder dat daartoe opzegging vereist is, de arbeidsovereenkomst met Martinair wegens pensionering (van de werknemer) eindigt per de eerste van de maand samenvallend met, dan wel eerstvolgend op de 56e verjaardag van de (gewezen) deelnemer; art. 5.6 van de CAO in verbinding met Bijlage 25 biedt, onder bepaalde voorwaarden, de werknemer vanaf zijn 48e jaar de mogelijkheid tot verminderde productie (zijnde 80%) om op die wijze de pensioendatum uit te stellen tot uiterlijk het 58e jaar.

(iii) Het overgrote deel, in ieder geval meer dan 90%, van de bij Martinair werkzame vliegers is lid van de VNV.

(iv) De (verplichte) pensionering op 56-jarige leeftijd maakt al sinds de jaren '70 deel uit van de arbeidsvoorwaarden voor vliegers bij Martinair; in het nog verdere verleden was deze leeftijd 55 jaar. Aan deze vervroegde pensionering lagen oorspronkelijk met name redenen van verkeersveiligheid en gezondheid ten grondslag, nu vliegen in het verleden een groter beroep op het (fysieke) gestel van de vliegers deed. Sinds lang echter dient zij nog slechts ter bevordering van een regelmatige en voorspelbare doorstroming binnen het vliegerkorps.

3.2 De Kantonrechter heeft de beide hiervoor onder 1 vermelde vorderingen van [eiser] c.s. - a) een verklaring voor recht dat voor het in art. 5.2, lid 4 onder a, van de CAO gehanteerde leeftijdsonderscheid geen objectieve rechtvaardiging bestaat en dat die bepaling derhalve wegens strijd met art. 1 Grondwet en art. 26 IVBPR nietig is en b) een gebod aan Martinair om [eiser] c.s. ook na hun 56e verjaardag tot hun werk toe te laten - afgewezen. In hoger beroep heeft de rechtbank de grieven van [eiser] c.s. verworpen.

3.3 Het middel bestaat uit de onder 1.1 - 2.5 aangevulde en toegelichte algemene klacht dat de rechtbank de beide vorderingen van [eiser] c.s. ten onrechte en/of zonder toereikende motivering heeft afgewezen, welke klacht onder 3 in enigszins andere bewoordingen wordt herhaald, alsmede uit een reeks onder 4.1 tot en met 4.4 geformuleerde meer specifieke rechts- en motiveringsklachten.

3.4.1 Bij de beoordeling van het middel moet ten eerste het volgende worden vooropgesteld.

De rechtbank heeft geoordeeld dat de werknemers in de lidstaten op 19 november 2002, de dag van de uitspraak, nog geen rechtstreekse aanspraken aan de Richtlijn 2000/78/EG van de Raad van 27 november 2000 tot instelling van een algemeen kader voor gelijke behandeling in arbeid en beroep, PbEG 2000, L 303, p. 16-22, konden ontlenen. Dit oordeel is, terecht, in cassatie niet bestreden. Wel hebben [eiser] c.s. onder (kernstelling) 2.2, alsmede in het kader van de motiveringsklacht van onderdeel 4.1.a, betoogd dat genoemde Richtlijn (in het bijzonder art. 6 in verbinding met art. 2 lid 2) en het ter uitvoering daarvan ingediende voorstel van wet 28 170 houdende gelijke behandeling op grond van leeftijd bij arbeid, beroep en beroepsonderwijs (in het bijzonder art. 7, lid 1, onder a en b, en art. 8 lid 2) - de met dat voorstel beoogde Wet gelijke behandeling op grond van leeftijd bij de arbeid is inmiddels op 1 mei 2004 in werking getreden - moeten worden gezien als de codificatie van een op principiële gronden reeds lang voltrokken rechtsontwikkeling. De rechtbank heeft dat standpunt evenwel terecht verworpen. In de eerste plaats omdat, zoals zij onder meer in aanmerking heeft genomen, getuige ook de verschillende wetsontwerpen die ten tijde van de uitspraak de revue waren gepasseerd, verschil van mening mogelijk was over de gewenste invulling van de bestrijding van leeftijdsdiscriminatie. In de tweede plaats omdat de wetgever ervan is uitgegaan dat genoemde wet op het gebied van pensioenontslag een wijziging inhield ten opzichte van het vóór 1 mei 2004 geldende recht, die noopte tot aanpassing van (individuele en collectieve) arbeidsovereenkomsten en pensioenregelingen. Teneinde sociale partners en individuele werkgevers voldoende tijd te gunnen voor die aanpassing is in art.16 voorzien in een bepaling van overgangsrecht ter zake van pensioenontslag die, voor zover thans van belang, erop neerkomt dat het in de wet neergelegde verbod van onderscheid tot 2 december 2006 niet van toepassing is op onderscheid dat betrekking heeft op het beëindigen van een arbeidsverhouding in verband met het bereiken van een bij arbeidsovereenkomst overeengekomen pensioengerechtigde leeftijd lager dan de AOW-gerechtigde leeftijd, mits dit vóór 1 mei 2004 is overeengekomen.

3.4.2 Een tweede vooropstelling is deze. De rechtbank is, terecht, ervan uitgegaan dat het maken van onderscheid op grond van leeftijd in strijd kan zijn met art. 1 Grondwet en art. 26 IVBPR. Vervolgens heeft zij geoordeeld dat de door [eiser] c.s. aangevochten verplichte pensionering op 56-jarige leeftijd het maken van onderscheid op grond van leeftijd impliceert en heeft zij onderzocht of voor de ongelijke behandeling die daaruit kan voortvloeien een redelijke en objectieve rechtvaardiging kan worden aangewezen. Bij de beantwoording van die vraag, waarbij niet uit het oog mag worden verloren dat het bij het maken van onderscheid naar leeftijd niet gaat om een bij voorbaat verdacht onderscheid zoals bijvoorbeeld op grond van ras en geslacht, heeft de rechtbank de juiste maatstaven aangelegd, te weten of voor het gemaakte onderscheid een legitiem doel bestaat (legitimiteit), of het onderscheid voor het bereiken van dit doel passend is (doelmatigheid), en of het geboden is (proportionaliteit).

3.4.3 De derde en laatste vooropstelling betreft het volgende. Het gaat hier om een onderscheid naar leeftijd dat betrekking heeft op een beroepsgroep waarvoor het Besluit bewijzen van bevoegdheid voor de luchtvaart (Stb. 1999, 346; 2001, 526) geldt. Bij het bereiken van de leeftijd van 60 jaar eindigt ingevolge dit besluit de bevoegdheid om op te treden als bestuurder van een luchtvaartuig tijdens verkeersvluchten, met dien verstande dat deze bevoegdheid nog tot het bereiken van de 65-jarige leeftijd kan worden uitgeoefend mits de overige van de bemanning deel uitmakende vliegers jonger zijn dan 60 jaar. Ten aanzien van verkeersvliegers geldt dus een, in deze procedure niet ter discussie staande, uitzondering op de regel dat een dienstbetrekking in het algemeen wordt beëindigd bij het bereiken van de 65-jarige leeftijd. De functie van vlieger kan na het bereiken van de leeftijd van 60 jaar immers nog slechts worden vervuld indien aan voormelde voorwaarde is voldaan. Voor de beantwoording van de vraag of de overeengekomen verplichte pensioenleeftijd van 56 jaar ongeoorloofd is in het licht van de discriminatieverboden van art. 1 Grondwet en art. 26 IVBPR komt dus, anders dan in een van de als zodanig aangeduide kernstellingen (2.1) van [eiser] c.s. wordt betoogd, geen betekenis toe aan het feit dat die leeftijd ruimschoots onder "de vooralsnog algemeen aanvaarde pensioenleeftijd van 65 jaar ligt".

3.5 In de overwegingen die de rechtbank hebben geleid tot een bevestigend antwoord op de vraag of voor het onderhavige onderscheid naar leeftijd een redelijke en objectieve rechtvaardiging kan worden aangewezen, staat het begrip (regelmatige en zowel voor de vliegers als voor Martinair voorspelbare) doorstroming centraal; met doorstroming wordt in deze procedure bedoeld (rov. 4.8) dat de hele opbouw van de carrière van vliegers, beginnend met een kostbare opleiding en eindigend met een vroege pensionering, gebaseerd is op de zekerheid dat het voor alle vliegers mogelijk zal zijn voorafgaand aan hun vroege pensionering de hoogste functietrede te bereiken.

Naar de kern genomen heeft de rechtbank met betrekking tot die zo-even genoemde vraag het volgende geoordeeld:

a) voor het, in overeenstemming met - ook thans nog - de wens van de meerderheid van alle Martinair-vliegers, bij CAO gemaakte onderscheid bestaat een legitiem doel, in de vorm van het zekerstellen van doorstroming op een regelmatige en voorspelbare wijze, zodat zowel Martinair - die aldus een basis heeft zowel voor haar personeelsbeleid als voor een evenwichtig en betaalbaar belonings- en pensioenstelsel voor deze gespecialiseerde groep werknemers - als de vliegers - wat betreft het kunnen bereiken van de hoogste functietrede - weten waaraan zij toe zijn (rov. 4.8 - 4.13);

b) de doorstroming kan met de verplichte pensionering op 56-jarige leeftijd worden bereikt, zodat het daarin gelegen onderscheid op grond van leeftijd doelmatig is (rov. 4.14), en

c) de verplichte pensionering is proportioneel nu niet aannemelijk is geworden dat in de huidige omstandigheden enig alternatief voor het bereiken van de doorstroming voorhanden is (rov. 4.15).

3.6 Het betoog waarmee deze oordelen in het middel onder 1, 2 (kernstellingen) en 3 wordt bestreden ontbeert, de hiervoor in 3.4.1 en 3.4.3 verworpen kernstellingen buiten beschouwing gelaten, de van een cassatiemiddel te vergen bepaaldheid en precisie. Het houdt wel in dat de rechtbank de in het middel onder 1 en 2 weergegeven feiten, regels en stellingen heeft miskend en aldus ten onrechte althans zonder toereikende motivering de vorderingen van [eiser] c.s. heeft afgewezen, maar maakt niet duidelijk op welke punten en om welke redenen het vonnis onjuist of gebrekkig zou zijn. Reeds om deze reden kan het middel in zoverre niet tot cassatie leiden.

3.7 Onderdeel 4.1 keert zich met een aantal klachten tegen rov. 4.4, waarin de rechtbank overweegt dat ook op de grond dat de geldigheid van de CAO-afspraken in beginsel zal moeten worden beoordeeld naar de situatie ten tijde van hun totstandkoming terughoudendheid zal moeten worden betracht met betrekking tot de door de vliegers bepleite verdiscontering van allerlei "recente ontwikkelingen" inzake leeftijdsdiscriminatie. Onderdeel 4.1.a, waarin wordt betoogd dat [eiser] c.s. zich niet op het standpunt hebben gesteld dat de maatschappelijke opvattingen op het gebied van leeftijdsdiscriminatie recentelijk zijn gewijzigd maar juist de stelling hebben verdedigd dat het door hen gedane beroep op de Richtlijn en het wetsvoorstel 28 170 niet verder reikt dan uit het te onzent reeds geldende recht voortvloeit, faalt wegens gebrek aan belang, in aanmerking genomen dat deze laatste stelling hiervoor in 3.4.1 is verworpen. Die verwerping brengt mee dat ook de klachten van onderdeel 4.1.b wegens gemis aan belang falen. Het oordeel van de rechtbank dat terughoudendheid past bij het verdisconteren van allerlei recente ontwikkelingen inzake leeftijdsdiscriminatie wordt immers zelfstandig gedragen door hetgeen de rechtbank in haar rov. 4.2 met juistheid heeft overwogen omtrent de grenzen die de rechter met betrekking tot dit onderwerp bij zijn rechtsvormende taak in acht dient te nemen.

3.8.1 Onderdeel 4.2 keert zich met een reeks klachten tegen hetgeen de rechtbank in haar rov. 4.8 - 4.13 heeft overwogen op het punt van de legitimiteit.

3.8.2 Onderdeel 4.2.a klaagt over het gewicht dat de rechtbank in haar rov. 4.9, 4.10 en 4.11 heeft toegekend aan het feit dat de verplichte pensioenleeftijd van 56 jaar door Martinair bij CAO is overeengekomen met VNV als de daadwerkelijke representant van de grote meerderheid der Martinair-vliegers. De desbetreffende overwegingen van de rechtbank komen erop neer dat de voor- en nadelen van het binnen het vliegerkorps op een breed draagvlak steunende stelsel van doorstroming niet los van elkaar gezien kunnen worden en dat binnen dat korps ook niet een bevoordeelde grote meerderheidsgroep en een benadeelde kleine minderheidsgroep kan worden onderscheiden, nu voor elke Martinair-vlieger geldt dat hij gedurende zijn loopbaan zowel die voordelen als die nadelen ondervindt. Het onderdeel dat, met zijn stelling dat in cassatie veronderstellenderwijs ervan moet worden uitgegaan dat met de vaste pensioenleeftijd van 56 jaar niet een eigen ondernemingsbelang van Martinair wordt gediend, eraan voorbijziet dat de rechtbank in haar rov. 4.12 juist heeft geoordeeld dat dit wel het geval is, gaat uit van een andere lezing van de overwegingen waarop het doelt en kan derhalve wegens gemis aan feitelijke grondslag niet tot cassatie leiden.

3.8.3 Onderdeel 4.2.b keert zich tegen rov. 4.9. Hetgeen de rechtbank daarin overweegt, moet in samenhang met rov. 4.11 aldus worden begrepen dat vanuit het perspectief van VNV de doorstroming daarom een legitiem doel voor het vasthouden aan de vaste, lage pensioenleeftijd oplevert omdat het daarbij gaat om een door de beroepsgroep der vliegers als zodanig gemaakte keuze voor een bepaald loopbaanverloop met alle daaraan voor iedere vlieger op zijn tijd verbonden voor- en nadelen. Voor zover het onderdeel uitgaat van een andere lezing, te weten dat doorstroming daarom voor VNV een legitiem doel vormt omdat daarmee uitvoering wordt gegeven aan de wil van een meerderheid van jonge vliegers wier promotie en pensioen(voorziening) anders in gevaar komen, kan het wegens gemis aan feitelijke grondslag niet tot cassatie leiden. Voor het overige geeft het oordeel van de rechtbank dat de doorstroming bezien vanuit het perspectief van VNV een legitiem doel voor het gemaakte onderscheid naar leeftijd oplevert geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Van dat oordeel behoefde de rechtbank zich niet te laten weerhouden door het feit dat, zoals het onderdeel ten slotte nog aanvoert, de verplichte pensionering op 56-jarige leeftijd ook geldt voor vliegers die niet de hoogste functies hebben bereikt en evenmin door het feit dat wanneer één 56-jarige een hogere functie blijft bezetten dit uiteraard niet betekent dat voor alle vliegers in lagere functies de gewenste promotie stagneert.

3.8.4 Onderdeel 4.2.c klaagt dat de op de legitimiteit betrekking hebbende overwegingen van de rechtbank meer in het algemeen tekortschieten omdat daarin elke motivering ontbreekt voor de rechtvaardiging van het stellen van de verplichte pensioenleeftijd op 56 jaar in plaats van (bijvoorbeeld) op 60 jaar overeenkomstig het Besluit bewijzen van bevoegdheid voor de luchtvaart. De klacht faalt omdat de rechtbank, gelet op het in de feitelijke instanties gevoerde debat, niet gehouden was om in haar overwegingen betreffende de legitimiteit uitdrukkelijk in te gaan op de vraag of de doorstroming niet te verenigen was met een hogere verplichte pensioenleeftijd dan 56 jaar.

3.8.5 De onderdelen 4.2 d, e en f vragen, in onderlinge samenhang bezien, in wezen om een algehele heroverweging van het deels met waarderingen van feitelijke aard verweven oordeel van de rechtbank ten aanzien van de legitimiteit. Daarvoor bestaat evenwel geen grond. Het bestreden oordeel, waarvoor de rechtbank, naast hetgeen zij in de rov. 4.9 en 4.10 ten aanzien van de doorstroming en de daarmee gediende regelmaat en voorspelbaarheid heeft overwogen, kort samengevat redengevend heeft geacht

- dat het bij de verplichte pensioenleeftijd van 56 jaar gaat om een collectief gemaakte, op de uitdrukkelijke wens van de beroepsgroep der vliegers zelf gebaseerde, afspraak waarvan alle Martinair-vliegers in gelijke mate profiteren of geprofiteerd hebben;

- dat in het algemeen geldt dat een vaste leeftijd een waarborg kan zijn tegen een meer willekeurige beëindiging van het dienstverband van oudere werknemers;

- dat in de rechtspraak is aanvaard dat de wens om een regelmatige en vlotte doorstroming van personeel te bereiken, mag meewegen ter rechtvaardiging van een gemaakt leeftijdsonderscheid en

- dat de hele inkomens- en pensioenopbouw van de vliegers juist bedoeld is om alle vliegers ook daadwerkelijk in staat te stellen op relatief jonge leeftijd te stoppen met werken en aldus een compensatie biedt voor het gemaakte leeftijdsonderscheid in de vorm van een inkomen na de verplichte pensionering, zonder dat daarvoor nog een arbeidsprestatie moet worden verricht, geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en behoefde geen nadere motivering dan de rechtbank heeft gegeven.

3.9 Onderdeel 4.3 is gericht tegen hetgeen de rechtbank in rov. 4.14 heeft overwogen omtrent de doelmatigheid van de verplichte pensionering op 56-jarige leeftijd en klaagt in de eerste plaats dat de rechtbank zich daar schuldig heeft gemaakt aan een cirkelredenering: het doel van doorstroming kan worden bereikt door doorstroming. Dat is echter niet wat de rechtbank heeft overwogen. Zij heeft onderscheiden tussen doel (regelmatige en voorspelbare doorstroming) en middel (verplichte pensionering op 56-jarige leeftijd) en heeft vervolgens geoordeeld dat het doel met genoemd middel kan worden bereikt. De eerste klacht kan dus wegens gemis aan feitelijke grondslag niet tot cassatie leiden. De tweede klacht luidt dat de rechtbank bij de beantwoording van de doelmatigheidsvraag ten onrechte met geen woord is ingegaan op het betoog van [eiser] c.s. dat door de feitelijke opbouw van de senioriteitslijst bij Martinair en de afhankelijkheid van onder andere economische, technische en persoonlijke factoren de verplichte pensionering van alle 56-jarige vliegers slechts een uiterst beperkte bijdrage aan het doorstromingsstreven kan leveren. Ook deze klacht faalt. De in het bestreden oordeel besloten liggende verwerping van dit betoog behoefde in het licht van de, in cassatie niet bestreden, vaststelling in rov. 4.9 dat [eiser] c.s. niet (voldoende gemotiveerd) hebben betwist dat het langer bezet blijven van de hogere functies impliceert dat de promotie stagneert voor alle vliegers in lagere functies, geen nadere motivering.

3.10 Onderdeel 4.4 ten slotte is gericht tegen de rov. 4.15 en 4.16, waarin de rechtbank uiteenzet waarom de verplichte pensionering op 56-jarige leeftijd proportioneel is. Het onderdeel komt erop neer dat de rechtbank blijkens genoemde overwegingen, waarin zij het doorstromingstreven verabsoluteert in die zin dat zij alles wat daaraan afbreuk zal of kan doen reeds daarom geheel verwerpt, heeft miskend dat de proportionaliteitstoets mede een afweging veronderstelt tussen "het beoogde doel, het gehanteerde middel en de nadelige consequenties voor de aldus achtergestelden". Dit verwijt is ongegrond: dat naar de opvatting van de rechtbank aan het doel van doorstroming bij voorbaat doorslaggevende betekenis toekomt ongeacht de proportionaliteit van het middel kan in voormelde overwegingen, waarvan de kern is dat voor de verplichte pensionering op 56-jarige leeftijd geen alternatief voorhanden is, niet worden gelezen.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

verwerpt het beroep;

veroordeelt [eiser] c.s. in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van Martinair begroot op € 316,34 aan verschotten en € 1.365,-- voor salaris en aan de zijde van de VNV op € 316,34 aan verschotten en € 1.365,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president R. Herrmann als voorzitter en de raadsheren J.B. Fleers, A.M.J. van Buchem-Spapens, E.J. Numann en F.B. Bakels, en in het openbaar uitgesproken door de vice-president P. Neleman op 8 oktober 2004.