Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2004:AO9026

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
07-05-2004
Datum publicatie
07-05-2004
Zaaknummer
39752
Formele relaties
In cassatie op : ECLI:NL:GHAMS:2003:AF6960
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Art. 8, lid 1, letter b, wet IB 1964. Bouw van een woning op landbouwgrond. Bestemmingswijzigingswinst

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2004, 727 met annotatie van Hemels
FutD 2004-0845 met annotatie van Fiscaal up to Date
FED 2004/280
WFR 2004/780
V-N 2004/27.13

Uitspraak

Nr. 39.752

7 mei 2004

AF

gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 24 februari 2003, nr. P02/02581, betreffende na te melden aan X te Z opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.

1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof

Aan belanghebbende is voor het jaar 1999 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is verminderd tot een aanslag naar een belastbaar inkomen van ƒ 33.231.

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.

Het Hof heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de Inspecteur vernietigd, de aanslag verminderd tot nihil en verstaan dat de Inspecteur bij beschikking het verlies over 1999 vaststelt op ƒ 16.702.

De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

De Staatssecretaris van Financiën heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

3. Beoordeling van het middel

3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

Belanghebbende is vennoot in de vennootschap onder firma F (hierna: de vof). Medefirmant is haar echtgenoot. De vof exploiteert een bloembollenbedrijf. In mei 1993 heeft de vof twee aaneengesloten percelen grond gekocht aan de a-weg in de gemeenten Z (gemeente Q) en R. De grond had een agrarische bestemming. De vof kocht de grond om daar een woning en agrarisch bedrijf met kas/schuur te stichten. De koopsom was ? 100.445. De firmanten hebben de grond geheel tot hun ondernemingsvermogen gerekend. In 1993 heeft de vof bij de gemeenten bouwvergunningen aangevraagd voor de bouw van een schuur met kas op een deel van de grond. In februari 1994 heeft de gemeente Q de bouwvergunning verleend. In januari 2000 heeft de vof een bouwvergunning aangevraagd voor de bouw van een bedrijfswoning op een ander deel van de grond. In mei 2000 heeft de gemeente Q de bouwvergunning verleend. In verband met de geplande bouw van de woning hebben de firmanten per 31 december 1999 een perceel grond groot 0.09.00 ha (900 m2) overgebracht naar hun privé-vermogen. Voor het Hof was in geschil of belanghebbende een bedrag tot haar inkomen moet rekenen in verband met de overbrenging van de grond naar haar privé-vermogen.

3.2. Het Hof heeft geoordeeld dat het niet in zijn algemeenheid zo is dat de grond waarop een bedrijfswoning is gebouwd, dienstbaar blijft aan het gebruik ten behoeve van landbouw in eigenlijke zin, maar dat daarvan onder omstandigheden wel sprake kan zijn, bijvoorbeeld indien de bedrijfsvoering vereist dat de ondernemer woont in de onmiddellijke nabijheid van zijn landbouwbedrijf. Het Hof heeft voorts geoordeeld dat zich hier de situatie voordoet dat de bouw van de bedrijfswoning niet leidt tot een bestemmingswijziging van de ondergrond.

3.3. Bij de beoordeling van het tegen voormelde oordelen gerichte middel dient het volgende te worden vooropgesteld. Indien onder de werking van artikel 8, lid 1, letter b, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964, zoals deze bepaling sinds 1 april 1986 luidt, op de bij een landbouwbedrijf behorende grond, hetzij op het bestaande agrarische bouwperceel, hetzij op daarbuiten gelegen grond, een woning wordt gebouwd, wordt het perceel door de bouw onttrokken aan het gebruik ten behoeve van de landbouw in eigenlijke zin. Dit houdt voor de toepassing van genoemde wetsbepaling in dat dit perceel voortaan niet meer in het kader van de uitoefening van het landbouwbedrijf zal worden aangewend (vgl. HR 7 mei 1997, nr. 32097, BNB 1997/236). Hieraan doet niet af de omstandigheid dat het perceel de ondergrond vormt van een aan het bedrijf dienstbare woning of dat de bedrijfsvoering vereist dat de ondernemer woont in de onmiddellijke nabijheid van zijn landbouwbedrijf.

3.4. Uit het hiervoor in 3.3 overwogene volgt dat 's Hofs uitspraak niet in stand kan blijven. De Hoge Raad kan de zaak afdoen.

4. Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

verklaart het beroep in cassatie gegrond,

vernietigt de uitspraak van het Hof, behoudens de beslissing omtrent het griffierecht, en

verklaart het tegen de uitspraak van de Inspecteur ingestelde beroep ongegrond.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.E.M. van der Putt-Lauwers als voorzitter, en de raadsheren F.W.G.M. van Brunschot, P. Lourens, C.B. Bavinck en J.W. van den Berge, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 7 mei 2004.