Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2004:AO8387

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
25-05-2004
Datum publicatie
25-05-2004
Zaaknummer
00413/04 U
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2004:AO8387
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Vervolgingsuitlevering aan Moldavië. 1. Of de uitlevering moet worden geweigerd wegens een gegrond vermoeden dat de opgeëiste persoon zal worden blootgesteld aan een inbreuk op zijn fundamentele rechten (de verdediging wees op het risico van een behandeling in strijd met art. 3 EVRM en art. 3 VN-Folteringsverdrag) is voorbehouden aan de Minister van Justitie. De Overleveringswet heeft daarin geen verandering gebracht. Bij die wet is de overlevering aan Lidstaten van de Europese Unie geregeld, maar voor het uitleveringsverkeer met andere Staten blijven de Uitleveringsverdragen en de Uitleveringswet van kracht. 2. Het beginsel dat bij uitleveringsverkeer tussen bij het EVRM aangesloten landen moet worden uitgegaan van vertrouwen in eerbiediging van dit verdrag kan uitzondering lijden indien blijkt van een zodanig risico van een flagrante inbreuk op enig de opgeëiste persoon ingevolge art. 6.1 EVRM toekomend recht, terwijl vaststaat dat deze na uitlevering geen rechtsmiddel als bedoeld in art. 13 EVRM ten dienste staat, dat art. 1 EVRM aan uitlevering in de weg staat (HR NJ 2004, 42).

Wetsverwijzingen
Overleveringswet
Uitleveringswet
Uitleveringswet 8
Uitleveringswet 10
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NS 2004, 236
NBSTRAF 2004/236
JOL 2004, 274
NJ 2005, 243

Uitspraak

25 mei 2004

Strafkamer

nr. 00413/04 U

AGJ/SM

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van de Rechtbank te Amsterdam van 6 februari 2004, nummer RK 03/650, op een verzoek van de Republiek Moldavië tot uitlevering van:

[de opgeëiste persoon], geboren te [geboorteplaats] (Moldavië) op [geboortedatum] 1971, ten tijde van de betekening van de aanzegging gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting "De Geniepoort" te Alphen aan den Rijn.

1. De bestreden uitspraak

De Rechtbank heeft de gevraagde uitlevering van de opgeëiste persoon toelaatbaar verklaard ter strafvervolging ter zake van de in de bestreden uitspraak omschreven feiten.

2. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de opgeëiste persoon. Namens deze hebben mr. R.M. Heemskerk en mr. J.W. Heemskerk, beiden advocaat te Maastricht, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De waarnemend Advocaat-Generaal Keijzer heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad de bestreden uitspraak zal vernietigen en de opgeëiste persoon zal oproepen ter zitting van de Hoge Raad teneinde, doende wat de Rechtbank had behoren te doen, opnieuw te oordelen over de toelaatbaarheid van de verzochte uitlevering. Nadien is nog een brief van de raadsman mr. J.W. Heemskerk ter griffie van de Hoge Raad ingekomen.

3. Beoordeling van het middel

3.1. Het middel komt op tegen de verwerping door de Rechtbank van het ter zitting gevoerde verweer dat strekte tot ontoelaatbaarverklaring van de verzochte uitlevering.

3.2. De Rechtbank heeft dit verweer in de bestreden uitspraak als volgt samengevat en verworpen:

"De raadsvrouw heeft ter zitting kort gezegd het volgende aangevoerd.

Het uitleveringsverzoek dient ontoelaatbaar te worden verklaard wegens strijd met artikel 3 en 6 van het EVRM. De op Nederland rustende verplichting de rechten onder het EVRM te eerbiedigen en te waarborgen, is onverenigbaar met een uitlevering aan de Republiek Moldavië. Bij uitlevering zal de opgeëiste persoon worden blootgesteld aan het reële risico te zullen worden gemarteld tijdens het verhoor door de politie en te zullen worden onderworpen aan onmenselijke, vernederende en anderszins mensonterende omstandigheden wanneer hij daar in detentie moet verblijven. Voorts zal hij bij uitlevering het reële risico lopen dat hij te Moldavië geen fair trial zal krijgen en geen - althans niet tijdig - toegang zal hebben tot een adequaat rechtsmiddel om zich tegen deze (dreigende) schendingen te verdedigen.

De Rechtbank overweegt hieromtrent het volgende:

De beoordeling van de vraag of er gegronde redenen zijn om aan te nemen dat de opgeëiste persoon na zijn uitlevering gevaar loopt in de verzoekende staat aan foltering of marteling te zullen worden onderworpen, is expliciet voorbehouden aan de Minister van Justitie. Alleen als vast zou komen te staan dat de opgeëiste persoon in verband met de zaak waarvoor zijn uitlevering wordt gevraagd door functionarissen van de verzoekende staat reeds is gefolterd of gemarteld kan de rechtbank de gevraagde uitlevering ontoelaatbaar verklaren. Hiervan is echter niet gebleken.

Tevens kan de Rechtbank de uitlevering ontoelaatbaar verklaren indien sprake zou zijn van een risico van een flagrante inbreuk op enig recht conform artikel 6 EVRM. Van een zodanig risico is niet gebleken, terwijl ook door de raadsvrouw geen omstandigheden zijn aangevoerd die dat risico aannemelijk maken. Voor het overige is een eventuele schending van artikel 6 van het EVRM ter beoordeling aan de Minister van Justitie en niet aan de uitleveringsrechter.

Wel ziet de rechtbank aanleiding om, gelet op de inhoud van de door de raadsvrouw als bijlagen overgelegde rapporten, de Minister van Justitie in het advies op deze rapporten te attenderen en de Minister te adviseren de inhoud daarvan zo mogelijk te betrekken bij zijn oordeel omtrent de daadwerkelijke uitlevering van de opgeëiste persoon.

Deze rapporten betreffen het rapport van Amnesty International van 2002 en het 'Rapport au Gouvernement de la République Moldova relatif à la visite effectuée en par le Comité européen pour la prévention de la torture et des peines ou traitements inhumains ou dégradants du 10 au 22 juin 2001' van 26 juni 2002. Deze rapporten schetsen een zorgelijke situatie in de Republiek Moldavië met betrekking tot (preventief) gedetineerden."

3.3. De eerste klacht van het middel houdt in dat de Rechtbank ten onrechte althans onvoldoende gemotiveerd heeft verworpen het verweer dat de opgeëiste persoon het reële risico loopt na uitlevering te worden onderworpen aan een behandeling die in strijd is met art. 3 EVRM en art. 3 VN-Folteringsverdrag.

3.4.1. Bij de beoordeling van de klacht dient uitgangspunt te zijn dat omtrent de vraag of de gevraagde uitlevering moet worden geweigerd wegens een gegrond vermoeden dat bij inwilliging van het verzoek de opgeëiste persoon zal worden blootgesteld aan een inbreuk op zijn fundamentele rechten, het oordeel is voorbehouden aan de Minister van Justitie. Zoals in HR 15 oktober 1996, NJ 1997, 533 is overwogen, is daarvoor steun te vinden in het systeem van de Uitleveringswet, zoals daarvan blijkt uit de art. 8 en 10 Uw, en in de geschiedenis van de totstandkoming van die wet. Wat dit laatste betreft kan worden gewezen op de Memorie van Antwoord die ten aanzien van het huidige art. 10 het volgende inhoudt:

"De vraag of de opgeëiste persoon door uitlevering wordt blootgesteld aan discriminatoire vervolging is niet geheel aan beoordeling door de rechter onttrokken. Bij de behandeling van het uitleveringsverzoek zal de rechter zeker, hetzij naar aanleiding van door de opgeëiste persoon uitgesproken vrees voor zodanige vervolging, hetzij op eigen initiatief aan dit punt aandacht schenken. Het rechterlijk advies op dit punt is ongetwijfeld voor de door de Minister te nemen beslissing van groot belang. Dat niettemin het definitieve oordeel aan de Minister is voorbehouden, vloeit voort uit de omstandigheid dat de regering de beschikking heeft over informaties omtrent de politieke situatie en de strafrechtspleging in andere landen, die voor de rechter ontoegankelijk zijn. Indien de regering zou worden gebonden aan het oordeel van de rechter, zou zij niet verantwoordelijk kunnen worden gesteld voor de te nemen beslissing. Een eventuele interventie van de Nederlandse regering in geval tegen de verwachting in toch discriminatoire vervolging plaatsvindt, zou daardoor aan kracht inboeten".

(Kamerstukken II, 1965-1966, 8054, nr. 10, blz. 5)

3.4.2. Opmerking verdient dat de Overleveringswet (Wet van 29 april 2004, Stb. 195) geen verandering heeft gebracht in dit systeem. Bij die Wet is de overlevering aan Lidstaten van de Europese Unie geregeld, maar voor het uitleveringsverkeer met andere Staten blijven de desbetreffende Uitleveringsverdragen en de Uitleveringswet van kracht, met inbegrip van de in laatstgenoemde wet neergelegde verdeling van bevoegdheden tussen de uitleveringsrechter en de Minister van Justitie. De Memorie van Toelichting bij het wetsvoorstel dat tot de Overleveringswet heeft geleid, houdt omtrent de voorschriften met betrekking tot de overlevering in:

"Inpassing van die voorschriften in de Uitleveringswet, waarvan de regels onverkort gehandhaafd dienen te blijven voor de relatie met niet EU-landen, zou niet hebben geleid tot een heldere regeling".

(Kamerstukken II 2002-2003, 29 042, nr. 3, blz. 7)

3.4.3. De klacht kan derhalve niet tot cassatie leiden.

3.5. De tweede klacht van het middel houdt in dat de Rechtbank ten onrechte althans onvoldoende gemotiveerd heeft verworpen het verweer dat er sprake is van het risico van een flagrante schending van de aan de opgeëiste persoon uit de art. 6 en 13 EVRM voortvloeiende rechten, waarbij gelet op de inhoud van die bepaling kennelijk bij vergissing tevens art. 15 VN-Folteringsverdrag is genoemd.

3.6. Vooropgesteld zij dat indien de uitlevering is verzocht teneinde de opgeëiste persoon (verder) te vervolgen, het in het geval waarin - zoals hier - zowel de verzoekende Staat als de aangezochte Staat is toegetreden tot het EVRM, aan de rechter die moet oordelen over de toelaatbaarheid van de gevraagde uitlevering in het algemeen niet toekomt te beslissen over de vraag of in het kader van die strafvervolging enig in het EVRM gegarandeerd recht van de opgeëiste persoon is of dreigt te worden geschonden, omdat in beginsel moet worden uitgegaan van het vertrouwen dat de verzoekende Staat de bepalingen van dit verdrag zal eerbiedigen. Wat betreft art. 6 EVRM kan dit beginsel evenwel uitzondering lijden indien blijkt dat de opgeëiste persoon door zijn uitlevering zou worden blootgesteld aan zodanig risico van een flagrante inbreuk op enig hem ingevolge art. 6, eerste lid, EVRM toekomend recht en voorts dat is komen vast te staan dat de betrokkene na zijn uitlevering niet een rechtsmiddel als bedoeld in art. 13 EVRM ten dienste staat, dat de ingevolge art. 1 EVRM op Nederland rustende verplichting om rechten voortvloeiend uit art. 6 EVRM te verzekeren in de weg staat aan nakoming van de verdragsrechtelijke verplichting tot uitlevering (vgl. HR 11 maart 2003, NJ 2004, 42).

3.7. Het oordeel van de Rechtbank dat van een zodanig risico niet is gebleken terwijl ook door de raadsvrouwe geen omstandigheden zijn aangevoerd die het risico van een flagrante inbreuk op art. 6 EVRM aannemelijk maken, is niet onbegrijpelijk, nu dit oordeel kennelijk aldus moet worden verstaan dat de Rechtbank daarmede tot uitdrukking heeft gebracht dat door of namens de opgeëiste persoon niet is aangevoerd en dat evenmin uit de stukken blijkt dat zich met betrekking tot de onderhavige zaak reeds enige schending van art. 6 EVRM heeft voorgedaan of dat ten aanzien de opgeëiste persoon sprake is van het risico van een flagrante inbreuk.

3.8. In het oordeel van de Rechtbank dat geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden op grond waarvan de uitlevering ontoelaatbaar verklaard dient te worden, ligt verder besloten dat de Rechtbank niet aannemelijk heeft geacht dat de betrokkene na zijn uitlevering niet een rechtsmiddel als bedoeld in art. 13 EVRM ten dienste zou staan. Dit oordeel is feitelijk en niet onbegrijpelijk.

3.9. Het middel faalt in al zijn onderdelen.

4. Slotsom

Nu het middel niet tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.

5. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president C.J.G. Bleichrodt als voorzitter, en de raadsheren J.P. Balkema, A.J.A. van Dorst, B.C. de Savornin Lohman en J. de Hullu, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 25 mei 2004.