Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2004:AO7721

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
09-07-2004
Datum publicatie
12-07-2004
Zaaknummer
C03/142HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2004:AO7721
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

9 juli 2004 Eerste Kamer Nr. C03/142HR RM/JMH Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van: DE GEMEENTE GRONINGEN, zetelende te Groningen, EISERES tot cassatie, advocaat: mr. M.W. Scheltema, t e g e n 1. [Verweerder 1], 2. [Verweerster 2], 3. [Verweerder 3], allen wonende te [woonplaats], VERWEERDERS in cassatie, niet verschenen. 1. Het geding in feitelijke instanties...

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2005, 23 met annotatie van G.A. van der Veen
JOL 2004, 410
NJ 2005, 391 met annotatie van J.B.M. Vranken
RvdW 2004, 98
Gst. 2004, 210 met annotatie van J.A.E. van der Does
O&A 2004, 77
JWB 2004/291
JA 2004/3
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

9 juli 2004

Eerste Kamer

Nr. C03/142HR

RM/JMH

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

DE GEMEENTE GRONINGEN,

zetelende te Groningen,

EISERES tot cassatie,

advocaat: mr. M.W. Scheltema,

t e g e n

1. [Verweerder 1],

2. [Verweerster 2],

3. [Verweerder 3],

allen wonende te [woonplaats],

VERWEERDERS in cassatie,

niet verschenen.

1. Het geding in feitelijke instanties

Verweerders in cassatie - verder te noemen: [verweerder] c.s. - hebben bij exploot van 15 mei 2001 eiseres tot casatie - verder te noemen: de Gemeente - en de Politieregio Groningen gedagvaard voor de rechtbank te Groningen en gevorderd te verklaren voor recht dat de Gemeente en de Politieregio Groningen hoofdelijk dan wel ieder afzonderlijk aansprakelijk zijn voor de door [verweerder] c.s. geleden schade en dat [verweerder] c.s. immateriële schade hebben geleden welke voor vergoeding in aanmerking komt.

De Gemeente en de Regiopolitie hebben ieder voor zich de vordering bestreden.

De rechtbank heeft bij vonnis van 22 januari 2003 voor recht verklaard dat de Gemeente en de Regiopolitie hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de door [verweerder] c.s. geleden immateriële schade, nader op te maken bij staat.

Het vonnis van de rechtbank is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het vonnis van de rechtbank heeft de Gemeente sprongcassatie ex art. 398, aanhef en onder 2º Rv. ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Tegen [verweerder] c.s. is verstek verleend.

De zaak is voor de Gemeente toegelicht door haar advocaat.

De conclusie van de Procureur-Generaal strekt tot verwerping van het beroep.

De advocaat van de Gemeente heeft bij brief van 5 mei 2004 op die conclusie gereageerd.

3. Beoordeling van het middel

3.1 In cassatie kan worden uitgegaan van de feiten die zijn vermeld in de conclusie van de Procureur-Generaal onder 1. Deze feiten komen, kort samengevat, op het volgende neer. In de nacht van 30 op 31 december 1997 hebben zich in [a-straat] te [plaats] ernstige ongeregeldheden voorgedaan waarbij ongeveer 65 jongeren de woning van [verweerder 1] en zijn echtgenote, die daarin aanwezig waren, hebben belaagd en onder meer stenen door de ramen ervan hebben gegooid. De jongste zoon van [verweerder 1] was niet thuis. Zijn ouders hebben hem telefonisch opgeroepen niet thuis te komen en bij vrienden te gaan slapen. De woning werd driemaal aangevallen: omstreeks 21.50 uur, 22.30 uur en 24.00 uur. [Verweerder] c.s. heeft ten minste vijf maal met de politie gebeld om hulp en bescherming in te roepen. De eerste meldingen hebben de politie omstreeks 21.50 uur bereikt. Omstreeks 22.35 uur werd besloten de dertien beschikbare politieambtenaren van de avonddienst niet de wijk in te laten gaan en de nachtploeg van 23.00 uur af te wachten. Om 23.00 uur werd besloten de 43 medewerkers van de avond- en nachtdienst niet in te zetten. Na overleg met de burgemeester, en met diens instemming, is omstreeks 23.55 uur de Mobiele Eenheid (ME) gealarmeerd die rond 2.30 uur in de wijk is verschenen. De woning van [verweerder] c.s. is dichtgespijkerd. [Verweerder] c.s. zijn de volgende ochtend uit de woning vertrokken en daarin niet meer teruggekeerd. De vermogensschade van [verweerder] c.s. is door de Gemeente zonder erkenning van aansprakelijkheid vergoed.

3.2 [Verweerder] c.s. hebben een vordering ingesteld tegen de Gemeente en de Politieregio Groningen. Hun vordering strekt tot verklaring voor recht dat deze hoofdelijk dan wel ieder afzonderlijk aansprakelijk zijn voor de door hen geleden schade en dat zij immateriële schade hebben geleden die voor vergoeding in aanmerking komt. Zij hebben daartoe aangevoerd dat de Gemeente en de Politieregio Groningen onrechtmatig jegens hen hebben gehandeld door op herhaalde verzoeken om bescherming en hulp van de politie niet of niet adequaat te reageren. De burgemeester van de Gemeente heeft volgens hen bovendien zijn wettelijk toebedeelde taak van het handhaven van de openbare orde niet naar behoren uitgevoerd en onvoldoende aandacht geschonken aan de belangen van de getroffen burgers. Daarnaast hebben [verweerder] c.s. zich erop beroepen dat zij in hun persoon zijn aangetast en psychische schade hebben opgelopen doordat zij zonder bescherming zijn gebleven toen zij werden blootgesteld aan bedreiging van lijf en goed en ten gevolge daarvan hun woning hebben moeten verlaten om zich elders te vestigen. De rechtbank heeft de vordering van [verweerder] c.s. toegewezen.

3.3 Hetgeen de rechtbank tot haar beslissing heeft geleid kan, voor zover in cassatie van belang, als volgt worden samengevat.

(a) De bedreiging van [verweerder] c.s. was van ernstige aard. Een grote groep jongeren belaagde [verweerder 1] en zijn echtgenote in hun woning en richtte vernielingen aan. Ondanks herhaalde verzoeken om hulp greep de politie pas om 2.30 uur in. Bijna vijf uur lang bleven [verweerder] c.s van hulp verstoken, terwijl volgens de geldende normen de ME binnen anderhalf uur beschikbaar zou moeten zijn. Op grond van de standpunten van de deskundigen oordeelt de rechtbank, marginaal toetsend, dat de tweede omstreeks 23.00 uur genomen beslissing tot tijdelijke terugtrekking van de politie niet aldus had mogen worden genomen.

(b) De Politieregio Groningen is op grond van art. 21 lid 4 Politiewet rechtspersoon en aansprakelijk voor het optreden van haar politieambtenaren.

(c) De burgemeester is behalve korpsbeheerder van de Politieregio als orgaan van de Gemeente op grond van art. 172 Gemeentewet belast met de handhaving van de openbare orde en heeft in deze hoedanigheid en voor deze taak gezag over de politie zoals blijkt uit art. 12 en 23 Politiewet. Besluiten betreffende de handhaving van de openbare orde worden derhalve genomen onder verantwoordelijkheid van de burgemeester, ook als zij feitelijk door ondergeschikten worden genomen. Naar het oordeel van de rechtbank zijn onder de nieuwe Politiewet de beheers- en gezagsverhoudingen niet duidelijker geregeld dan onder de oude wet en is nog steeds reden uit te gaan van hetgeen de Hoge Raad (13 mei 1988, NJ 1989, 896) heeft beslist in verband met de aansprakelijkheid van de verschillende overheden, namelijk dat de moeilijkheden betreffende de draagplicht niet ten nadele van de burger dienen te werken. De rechtbank ziet geen reden aan te nemen dat dit onder de gelding van de nieuwe Politiewet anders zou zijn, nu beheer en gezag over de politie nog steeds aan verschillende overheidsorganen toekomen en het nog steeds onwenselijk lijkt de moeilijkheden die een en ander voor de burger kan meebrengen, voor zijn rekening te laten komen. De rechtbank acht het niet noodzakelijk een oordeel te geven over een eventuele zelfstandige aansprakelijkheid van de burgemeester. (rov. 4.4)

(d) De nalatigheid van de gemeente en de Politieregio Groningen heeft ertoe bijgedragen dat [verweerder] c.s. zich langer dan nodig op ernstige wijze bedreigd hebben moeten voelen in hun woning. De causaliteitsverweren betreffen volgens de rechtbank voornamelijk de materiële schade. Dit geschil gaat echter over de immateriële schade als gevolg van het feit dat [verweerder 1] "ernstig is geschaad in zijn basale gevoelens van veiligheid in de eigen woning, toen hij van iedere hulp verstoken bleef, ondanks herhaalde oproepen en verzoeken daartoe". Daarnaast stellen [verweerder] c.s. dat zij psychische schade hebben geleden. Het gevoel van onveiligheid van [verweerder] c.s. is weliswaar veroorzaakt door de herhaalde aanvallen van de relschoppers, maar had bij eerder optreden van de politie om ongeveer 23.00 uur zo niet weggenomen dan toch in ieder geval sterk verminderd kunnen zijn. Nu hebben [verweerder] c.s. zich ongeveer vijf uur onveilig moeten voelen. Bij tijdig optreden van de ME zou dit ongeveer drie en een half uur minder hebben kunnen zijn. Het causale verband tussen het te late optreden van de politie en het langduriger en groter gevoel van onveiligheid van [verweerder] c.s. dan aanwezig zou zijn geweest bij eerder optreden is naar het oordeel van de rechtbank gegeven. (rov. 4.6)

(e) Aan een oordeel over de psychische schade komt de rechtbank niet toe. Er is sprake geweest van een aantasting van de persoonlijke levenssfeer van [verweerder] c.s. Het recht op eerbiediging daarvan en van de woning is gegeven in art. 10 en 12 van de Grondwet en art. 8 EVRM. Dit recht is een van de meest fundamentele rechten van de burger in zijn verhouding tot de overheid en het bepaalt mede de inhoud van het persoonlijkheidsrecht in privaatrechtelijke rechtsverhoudingen. Het is hier op ernstige wijze geschaad, uiteraard door de relschoppers, doch een burger moet ook erop kunnen vertrouwen dat de overheid die belast is met het handhaven van de openbare orde, binnen redelijke termijn een einde zal maken aan een dergelijke ernstige schending van zijn persoonlijkheidsrecht. Toekenning van een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding is ingevolge art. 6:106 lid 1, onder b, BW mogelijk bij het op andere wijze aantasten van de persoon van de benadeelde, waaronder ook vallen ernstige inbreuken op de persoonlijke levenssfeer en onrechtmatige inbreuken op (andere) persoonlijkheidsrechten. Het bestaan van psychische schade is geen noodzakelijke voorwaarde. Voldoende zijn in dit geval het gevoel van grote onveiligheid en het ernstig geschokte rechtsgevoel van de burger die de hulp en de bescherming van de overheid te lang moet ontberen wanneer hij door derden belaagd wordt in zijn eigen woning. (rov. 4.7)

(f) De jongste zoon behoort tot het gezin [van verweerder] en het is ook zijn woning die langer dan nodig is belaagd. De rechtbank acht het aannemelijk dat ook zijn persoon is aangetast, zij het wellicht in geringere mate. (rov. 4.7)

3.4 Opmerking verdient allereerst dat alleen de Gemeente - nadat zulks tussen partijen op de voet van art. 398, aanhef en onder 2°, Rv. was overeengekomen - sprongcassatie heeft ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank. De hiervoor in 3.3 onder (a) en (b) vermelde oordelen van de rechtbank zijn in cassatie niet door de Gemeente bestreden. In cassatie heeft dus als uitgangspunt te gelden dat de betrokken politieambtenaren onrechtmatig hebben gehandeld jegens [verweerder] c.s. en dat de Politieregio Groningen voor de als gevolg daarvan door [verweerder] c.s. geleden schade aansprakelijk is.

3.5 Onderdeel 1 van het middel keert zich met rechts- en motiveringsklachten tegen het oordeel van de rechtbank dat de Gemeente naast de Politieregio Groningen (hoofdelijk) aansprakelijk is voor de door [verweerder] c.s. geleden immateriële schade. Volgens onderdeel 1.1 heeft de rechtbank miskend dat sinds de invoering van de nieuwe Politiewet geen grond meer bestaat voor de Gemeente een verdergaande aansprakelijkheid aan te nemen dan voor het geval een door de politie gemaakte fout te wijten is aan (directe) bevelen van de burgemeester in het kader van de handhaving van de openbare orde. Rechtens is, aldus het onderdeel, de Politieregio aansprakelijk voor door politieambtenaren gemaakte fouten en daaromtrent kan voor een burger, anders dan de rechtbank heeft overwogen, geen onduidelijkheid (meer) bestaan, nu al het handelen van de politie onder verantwoordelijkheid van de Politieregio valt. Het feit dat het gezag enerzijds en het beheer over de politie anderzijds nog steeds bij verschillende overheidsorganen berust, doet daaraan niet af. Onderdeel 1.2 bevat de klacht dat voor zover de rechtbank in de zin: "besluiten betreffende de handhaving van de openbare orde worden derhalve genomen onder verantwoordelijkheid van de burgemeester, ook als ze feitelijk door ondergeschikten worden genomen" het vorenstaande heeft miskend, zij een onjuist, althans onvoldoende gemotiveerd, oordeel heeft gegeven.

3.6 Nu onder de Politiewet 1993 geen sprake meer is van een beheersdualisme en de Politieregio Groningen in elk geval aansprakelijk is voor het (niet) optreden van haar politieambtenaren, kan, naar het onderdeel terecht aanvoert, voor de burger geen onduidelijkheid bestaan over de vraag wie hij voor fouten van de politie en de daardoor ontstane schade aansprakelijk kan houden. In zoverre komt geen betekenis meer toe aan hetgeen de Hoge Raad daaromtrent heeft overwogen in zijn arrest van 13 mei 1988, nr. 13 430, NJ 1989, 896. De vraag die in het middel aan de orde wordt gesteld, is of degene die als gevolg van het (niet) optreden van de politie schade heeft geleden ook de gemeente zonder meer daarvoor aansprakelijk kan stellen dan wel, zoals het onderdeel betoogt, dit alleen met succes kan doen indien de burgemeester bij het uitoefenen van zijn gezag in verband met de openbare orde onrechtmatig heeft gehandeld.

3.7 Bij de beantwoording van deze vraag moet worden vooropgesteld dat blijkens de art. 12, 13 en 24 van de Politiewet 1993 en de ontstaansgeschiedenis van deze wet (Kamerstukken II 1991/1992, 22 562, nr. 3, blz. 27) onderscheiden wordt tussen het gezag over de politie en het beheer van het regionale politiekorps. Indien de politie in een gemeente optreedt ter handhaving van de openbare orde en ter uitvoering van de hulpverleningstaak, staat zij onder gezag van de burgemeester en indien de politie optreedt ter strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde dan wel taken verricht ten dienste van justitie, staat zij, tenzij de wet anders bepaalt, onder gezag van de officier van justitie. De burgemeester en de officier van justitie kunnen de betrokken ambtenaren van politie de nodige aanwijzingen geven voor de vervulling van hun in dat kader bedoelde taken. Het beheer van het regionale politiekorps berust bij de korpsbeheerder, die daartoe wordt bijgestaan door de korpschef. Zoals in de memorie van toelichting bij de Politiewet 1993 is vermeld (t.a.p. nr. 3, blz. 40)

"zal de civielrechtelijke aansprakelijkheid voor het optreden van deze politie-ambtenaren in het vervolg komen te liggen bij de politieregio/ rechtspersoon".

Er bestaat echter geen aanleiding te veronder-stellen dat de wetgever hiermee heeft gekozen voor een exclusieve aansprakelijkheid van de politieregio als beheerder. Niet uitgesloten is dat ook degene die het gezag over de politie heeft, aansprakelijk kan worden gehouden voor fouten van de politie, waaronder mede begrepen het niet-optreden van de politie waar dit wel is vereist, en de daardoor ontstane schade. Het stelsel van de wet houdt in dat de politie steeds hetzij onder gezag van de burgemeester hetzij onder gezag van de officier van justitie dan wel beiden tezamen werkzaam is en zich naar de aanwijzingen van de burgemeester en/of de officier van justitie moet gedragen. Anders dan het onderdeel betoogt, bestaat de bedoelde aansprakelijkheid niet alleen indien bij de daadwerkelijke uitoefening van het gezag onrechtmatig wordt gehandeld jegens de betrokkene, maar ook indien de politieambtenaren hun werkzaamheden uitoefenen (of behoren uit te oefenen) op een gebied waarvoor volgens het stelsel van de wet dat gezag geldt, ongeacht of dit gezag daadwerkelijk door het geven van concrete aanwijzingen is uitgeoefend. Daarbij is in aanmerking te nemen dat in de praktijk veelal geen sprake zal zijn van - voor de door het politieoptreden getroffen burger waarneembare - concrete aanwijzingen met betrekking tot de taakuitoefening, zeker niet in een geval als het onderhavige waarin het verwijt aan de Gemeente juist is dat adequaat politieoptreden is uitgebleven. Aan het voorgaande kan niet afdoen dat de politie binnen het gegeven beleidskader zelfstandig werkzaam zal zijn. De rechtbank heeft dan ook met juistheid geoordeeld dat de aansprakelijkheid van de Gemeente reeds kan bestaan op grond van het feit dat de politieambtenaren in de (niet-)uitoefening van hun werkzaamheden, die in het onderhavige geval klaarblijkelijk mede de handhaving van de openbare orde betroffen, onder het gezag van de burgemeester als orgaan van de Gemeente stonden. De enkele omstandigheid dat dit gezag door de burgemeester als orgaan van de gemeente wordt uitgeoefend, ongeacht of hij daarbij daadwerkelijk betrokken is, is voldoende om aan te nemen dat is voldaan aan het bepaalde in art. 6:170 lid 1 BW op grond waarvan de gemeente aansprakelijk is, zij het dat de draagplicht in een geval waarin de burgemeester geen onjuiste aanwijzingen heeft gegeven, in beginsel bij de politieregio zal liggen (vgl. HR 25 september 1992, nr. 14715, NJ 1994, 767). Het onderdeel faalt derhalve.

3.8 Onderdeel 2 voert rechts- en motiveringsklachten aan tegen de oordelen van de rechtbank in rov. 4.6 en 4.7 van haar vonnis waarin de verweren van de Gemeente tegen de toekenning van immateriële schadevergoeding aan [verweerder] c.s. zijn verworpen.

3.9 Onderdeel 2.1 klaagt terecht dat het oordeel van de rechtbank dat de verweren van de Gemeente met betrekking tot het ontbreken van causaliteit voornamelijk de materiële schade betreffen, zonder nadere toelichting onbegrijpelijk is in het licht van de daarover door de Gemeente in de conclusie van dupliek aangevoerde stellingen. Deze klacht kan echter bij gebrek aan belang niet tot cassatie leiden, omdat de rechtbank aan dit oordeel geen gevolg heeft verbonden, doch ook zelfstandig heeft beslist dat de rechtens relevante causaliteit aanwezig is.

3.10 Onderdeel 2.2. bestrijdt dit laatstvermelde oordeel. Volgens het onderdeel heeft te gelden dat bij schending van het recht op eerbiediging van de woning op de wijze waarop hiervan in dit geval sprake is geweest, deze geen aantasting van de persoon oplevert in de zin van art. 6:106 lid 1, onder b, ook niet wanneer sprake is van een gevoel van grote onveiligheid en een ernstig geschokt rechtsgevoel, omdat het verband met de integriteit van de persoon daarvoor onvoldoende direct is. Dit kan, aldus het onderdeel, anders zijn wanneer sprake is van psychische schade, doch het optreden daarvan heeft de rechtbank niet vastgesteld. Subsidiair voert het onderdeel aan dat de rechtbank heeft miskend dat in dit geval het te late optreden van de politie onvoldoende direct valt te relateren aan de aantasting in de persoon van [verweerder] c.s. om als een aan de Gemeente toe te rekenen aantasting in de persoon als bedoeld in voormelde bepaling te gelden. Dat [verweerder] c.s. erop mochten rekenen dat de politie binnen een redelijke termijn een einde aan die aantasting zou maken, brengt niet mee dat de directe relatie wel bestaat, nu dit een gevolg is van de door de relschoppers gepleegde inbreuk op eerbiediging van de woning zonder welke geen sprake geweest kan zijn van te laat optreden van de politie. Het onderdeel voegt daaraan toe dat de rechtbank heeft miskend dat een nalaten van de burgemeester in nog minder direct verband staat met gebeurde dan het nalaten van de Politieregio. In elk geval kan geen sprake zijn van aantasting van de persoon van de zoon, nu deze niet in de woning was en tussen deze aantasting en het bij hem levende gevoel van onveiligheid een te ver verwijderd verband bestaat om ook aan hem een vergoeding toe te kennen.

3.11 Bij de beoordeling van het onderdeel is van belang dat de rechtbank tot, in cassatie onbestreden, uitgangspunt heeft genomen dat [verweerder 1] en zijn echtgenote gedurende een aantal uren in hun woning in een zeer bedreigende situatie hebben verkeerd waarbij zij tevergeefs hebben moeten wachten op bijstand en hulp van de politie. De rechtbank heeft zich daarbij uitdrukkelijk gerealiseerd dat de bedreiging in de eerste plaats werd veroorzaakt door de relschoppers die de woning belaagden, doch zij heeft kennelijk zeer zwaar laten wegen dat juist in een dergelijke situatie de gevoelens van angst, onveiligheid en onzekerheid met betrekking tot hun lijf en goed voor [verweerder 1] en zijn echtgenote zeer zijn toegenomen door het uitblijven van een reactie op hun verzoek om hulp en bijstand van de politie waarop zij in de gegeven omstandigheden hadden mogen rekenen. Op grond van de aard en de ernst van deze nalatigheid, die naar het kennelijke oordeel van de rechtbank leidde tot een zeer ernstige inbreuk op de integriteit van hun persoon en de veiligheid van hun woning, heeft zij kunnen oordelen dat van aantasting van de persoon van [verweerder 1] en zijn echtgenote sprake is geweest. Het oordeel van de rechtbank geeft dus niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en het is toereikend gemotiveerd. Voor het overige is het zozeer verweven met waarderingen van feitelijke aard dat het in cassatie niet op juistheid kan worden getoetst. Daarop stuiten alle klachten af, met uitzondering evenwel van die met betrekking tot de immateriële schade van [verweerder 3] die zich niet in de woning bevond. Hoewel vanzelfsprekend is dat de zoon zich grote zorgen zal hebben gemaakt om de situatie van zijn ouders, heeft hij zelf zich niet in een bedreigde positie in de woning bevonden. Het oordeel van de rechtbank getuigt van een onjuiste rechtsopvatting indien de rechtbank heeft geoordeeld dat het enkele feit dat iemands woning is belaagd, meebrengt dat deze is aangetast in zijn persoon. Mocht de rechtbank niet van deze opvatting zijn uitgegaan, dan is haar oordeel ontoereikend gemotiveerd. Zonder nadere redengeving, die ontbreekt, valt immers niet in te zien waarom bij de zoon van aantasting van de persoon sprake is geweest door het enkele feit dat het ook zijn woning was die werd belaagd.

3.12 Onderdeel 2.3 bestrijdt dat causaal verband bestaat tussen de aantasting in de persoon door schending van het recht op eerbiediging van de woning en het onrechtmatig handelen van de Gemeente. Deze aantasting zou ook hebben plaatsgevonden bij tijdig optreden van de Gemeente, nu de twee inbreuken hebben plaatsgevonden voordat de politie had kunnen en moeten optreden. Daaraan doet volgens het onderdeel niet af dat [verweerder 1] en zijn echtgenote daarna nog (te) lang op het optreden van de politie hebben moeten wachten. Het onderdeel kan bij gebrek aan feitelijke grondslag niet tot cassatie leiden, omdat de rechtbank, zoals hiervoor in 3.11 is overwogen, niet alleen tot uitgangspunt heeft genomen dat het recht van [verweerder] c.s. op eerbiediging van hun woning is geschonden.

3.13 Onderdeel 2.4 dat uitgaat van de lezing van het vonnis van de rechtbank die hiervoor in 3.11 is vermeld, voert aan dat de rechtbank heeft miskend dat art. 6:106 BW een limitatief stelsel van gevallen bevat waarin immateriële schadevergoeding kan worden toegekend. Het onderdeel faalt. De rechtbank heeft haar oordeel immers gebaseerd op het bepaalde in art. 6:106 lid 1, aanhef en onder b, BW en vastgesteld dat [verweerder 1] en zijn echtgenote zijn aangetast in hun persoon. Daarvoor is in een geval als het onderhavige niet nodig dat ook psychische schade is vastgesteld.

3.14 Onderdeel 3, dat is gericht tegen rov. 4.9 van het vonnis van de rechtbank, heeft geen zelfstandige betekenis. In de omstandigheid dat de Gemeente succes heeft met het onderdeel dat betrekking heeft op verweerder in cassatie [verweerder 3], ziet de Hoge Raad geen aanleiding een andere kostenveroordeling uit te spreken dan hierna is vermeld.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt het vonnis van de rechtbank te Groningen van 22 januari 2003 voor zover dit vonnis is gewezen tussen de Gemeente en [verweerder 3];

verwijst het geding ter verdere behandeling en beslissing naar het gerechtshof te Leeuwarden;

verwerpt het beroep voor het overige;

veroordeelt de Gemeente in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerder] c.s. begroot op nihil.

Dit arrest is gewezen door de vice-president R. Herrmann als voorzitter en de raadsheren H.A.M. Aaftink, D.H. Beukenhorst, O. de Savornin Lohman en A. Hammerstein, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A. Hammerstein op 9 juli 2004.