Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2004:AO7710

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
16-04-2004
Datum publicatie
16-04-2004
Zaaknummer
39829
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Ter zitting compromis bereikt? Vereisten voor het proces-verbaal (Awb 8:61(3))

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 8:61
Wet op de omzetbelasting 1968 15
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BNB 2004/220
WFR 2004/665
FED 2004/229
V-N 2004/23.14 met annotatie van Redactie
FutD 2004-0707 met annotatie van Fiscaal up to Date
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Nr. 39.829

16 april 2004

whk

gewezen op het beroep in cassatie van de fiscale eenheid X B.V. c.s. te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 28 mei 2003, nr. BK-02/02993, betreffende na te melden naheffingsaanslagen in de omzetbelasting en de daarbij gegeven boetebeschikking.

1. Naheffingsaanslagen, beschikking, bezwaar en geding voor het Hof

Aan belanghebbende zijn over de tijdvakken 1 januari 1996 tot en met 31 december 2000 en 1 januari 2001 tot en met 30 november 2001 naheffingsaanslagen in de omzetbelasting opgelegd ten bedrage van ƒ 58.594 aan enkelvoudige belasting, met een verhoging van ƒ 3760 (hierna: naheffingsaanslag 0501), respectievelijk ƒ 8540. Na door belanghebbende daartegen gemaakt bezwaar, heeft de Inspecteur bij uitspraken de naheffingsaanslagen gehandhaafd wat betreft de enkelvoudige belasting, en de verhoging verminderd met ƒ 2837.

Belanghebbende is tegen die uitspraken bij één geschrift in beroep gekomen bij het Hof.

Het Hof heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraak waarvan beroep vernietigd en naheffingsaanslag 0501 verminderd tot op een bedrag van € 20.974 aan enkelvoudige belasting. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.

3. Beoordeling van de middelen

3.1. In cassatie is nog slechts in geding de hoogte van het bedrag waarmee belanghebbende rekening dient te houden wegens privé-gebruik van de telefoonaansluitingen bij haar werknemers.

3.2. Middel I richt zich met een motiveringsklacht tegen de vaststelling van het Hof dat ter zitting is gebleken dat tussen partijen vaststaat dat ervan kan worden uitgegaan dat aan het consumptieve element van de huistelefoonaansluitingen voor iedere functionaris een bedrag van ƒ 100 per maand is toe te rekenen. Volgens het middel is niet juist dat, zoals in het proces-verbaal van het verhandelde ter zitting is vermeld, C heeft opgemerkt "Met de door de inspecteur in de pleitnota genoemde ƒ 100 per werknemer voor het consumptieve element ga ik akkoord."

Het middel faalt, aangezien de vastlegging en vaststelling van hetgeen ter zitting is voorgevallen, aan het Hof zijn voorbehouden en deze niet onbegrijpelijk zijn. Anders dan het middel betoogt, mocht het Hof zijn gewraakte vaststelling baseren op de in het proces-verbaal vermelde verklaring van C, ook zonder dat deze was toegelicht.

3.3. Middel II klaagt erover dat het Hof de vormvoorschriften van artikel 8:61, lid 8, van de Algemene wet bestuursrecht geschonden heeft door het proces-verbaal niet voor te lezen en belanghebbende niet in de gelegenheid te stellen in het proces-verbaal wijzigingen aan te brengen en het te ondertekenen. Het middel faalt aangezien uit het proces-verbaal of 's Hofs uitspraak niet blijkt dat het Hof met betrekking tot de verklaring van C heeft bepaald dat deze geheel in het proces-verbaal zou worden opgenomen en zonder een dergelijke last de in voormeld artikellid neergelegde nadere voorschriften niet behoeven te worden toegepast.

4. Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

5. Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep ongegrond.

Dit arrest is gewezen door de raadsheer D.G. van Vliet als voorzitter, en de raadsheren P. Lourens en J.W. van den Berge, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 16 april 2004.