Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2004:AO7337

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
09-04-2004
Datum publicatie
09-04-2004
Zaaknummer
38455
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Zalmsnip; Art. 229d, lid 1, Gemeentewet

Wetsverwijzingen
Gemeentewet 229d
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Belastingblad 2004/486
BNB 2004/188 met annotatie van W.J.N.M. SNOIJINK
FED 2004/210
WFR 2004/631, 1
V-N 2004/21.25 met annotatie van Redactie
FutD 2004-0661 met annotatie van Fiscaal up to Date
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Nr. 38.455

9 april 2004

az

gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem van 25 juli 2002, nr. 00/01117, betreffende na te melden aanslagen.

1. Aanslagen, bezwaar en geding voor het Hof

Aan belanghebbende zijn voor het jaar 2000 op één aanslagbiljet verenigde aanslagen in de afvalstoffenheffing, in de rioolrechten en in de onroerendezaakbelastingen van de gemeente Doetinchem opgelegd, waarbij een vermindering van ƒ 90 is toegepast in verband met het bepaalde in artikel 229d, lid 1, van de Gemeentewet (tekst 2000), welke aanslagen, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de heffingsambtenaar van de gemeente Doetinchem zijn gehandhaafd.

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.

Het Hof heeft het beroep ongegrond verklaard. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

3. Beoordeling van het middel

3.1. Het Hof heeft geoordeeld dat de gemeente Doetinchem (hierna: de gemeente), door in 2000 per belastingplichtige een korting van ƒ 90 te verlenen op de onroerendezaakbelastingen, alsmede een bedrag van ƒ 90 uit te keren per huishouding van bejaarden die niet in de onroerendezaakbelastingen worden betrokken, en daarnaast uit de in het kader van de lokale lastenverlichting ter beschikking gestelde fondsen ƒ 10 per huishouding in de gemeente aan gericht minimabeleid te besteden, is gebleven binnen de ruimte die in de Gemeentewet wordt gegeven.

3.2. Het middel bestrijdt het hiervoor weergegeven oordeel van het Hof en voert daartoe aan dat de belastingvermindering ƒ 100 dient te bedragen in plaats van ƒ 90, omdat de gemeentelijke beleidsvrijheid beperkt is in dier voege dat gemeenten volgens de parlementaire geschiedenis van wetsvoorstel 26 412 slechts zouden kunnen kiezen tussen vermindering van het belastingbedrag met de belastingvermindering of het uitkeren van de lastenverlichting via verdiscontering in het tarief; het uitkeren van de lastenverlichting door fondsen ter beschikking te stellen voor gericht minimabeleid, is volgens het middel niet een geoorloofde methode van aanwending van de voor lokale lastenverlichting ter beschikking gestelde fondsen.

3.3. In artikel 6a, lid 1, van de Verordening onroerende-zaakbelastingen 2000 van de gemeente Doetinchem, is het volgende bepaald:

'Het bedrag van de belasting, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder a, wordt voor het gebruik van onroerende zaken, steeds voorzover het betreft zaken die geheel of gedeeltelijk tot woning dienen, verminderd met een bedrag van ƒ 90.'

3.4. Ingevolge artikel 229d, lid 1, van de Gemeentewet (tekst 2000; hierna: de Wet) kan de raad bepalen dat het daarin nader omschreven belastingbedrag "wordt verminderd met ten hoogste ƒ 100". De tekst van de Wet staat er dus niet aan in de weg dat de belastingvermindering op een lager bedrag dan ƒ 100 wordt gesteld. Voorts blijkt uit de geschiedenis van dit wetsartikel dat de wetgever gemeenten heeft willen toestaan om een gedeelte van de zogenoemde, door het Rijk aan de gemeenten ter beschikking gestelde, Zalmsnipgelden te doteren aan een gemeentelijk minimafonds. Inzake die beleidsvrijheid heeft de regering naar aanleiding van vragen uit de Eerste Kamer verklaard (Kamerstukken I, 1999/2000, 26 412, nr. 4a, blz. 2):

'Daarnaast heeft de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties tijdens de behandeling van het wetsvoorstel in de Tweede Kamer aangegeven dat als blijkt dat een gemeente de lastenverlichting uitvoert in strijd met het rijksbeleid dit besluit als ultimum remedium zal worden voorgedragen voor spontane vernietiging (artikel 268 van de Gemeentewet). Hij heeft aangegeven dat er naar zijn mening sprake is van strijdigheid met het rijksbeleid als een gemeente de lastenverlichting uitsluitend aanwendt als algemeen dekkingsmiddel of uitsluitend ten behoeve van minimabeleid. Het model waarbij ƒ 75,- wordt uitgekeerd aan ieder gezinshuishouden en de overige gelden worden ingezet voor gericht minimabeleid, valt volgens de regering nog net binnen de bedoeling van de wetgever.'

3.5. Gelet op het hiervoor in 3.4 overwogene is de onder 3.3 geciteerde bepaling niet strijdig met de tekst van de Wet en evenmin met de bedoeling van de wetgever. 's Hofs oordeel is juist. Derhalve faalt het middel.

4. Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

5. Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep ongegrond.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.G. Pos, als voorzitter, en de raadsheren L. Monné, P.J. van Amersfoort, A.R. Leemreis en C.J.J. van Maanen, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 9 april 2004.