Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2004:AO6419

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
25-05-2004
Datum publicatie
23-07-2004
Zaaknummer
01992/03
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2004:AO6419
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Zoekend rondkijken en inbeslagneming in woning. Het door forceren van een ruit aan de achterzijde van de woning en meerdere deuren in de woning de toegang tot dat pand en tot de daarin aanwezige ruimten verkrijgen, en daar vervolgens hennepplanten in beslag nemen die daar zijn aangetroffen door zoekend rondkijken, is geen doorzoeking. De duur van het verblijf in de woning (4 uren) vindt zijn verklaring in de inbeslagneming van het aanzienlijke aantal aangetroffen hennepplanten en van apparatuur.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering
Wetboek van Strafvordering 96
Wetboek van Strafvordering 96c
Opiumwet
Opiumwet 9
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NS 2004, 240
NBSTRAF 2004/240
NJ 2006, 435

Uitspraak

25 mei 2004

Strafkamer

nr. 01992/03

AGJ/SM

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Arnhem van 13 december 2002, nummer 21/000980-02, in de strafzaak tegen:

[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1972, wonende te [woonplaats].

1. De bestreden uitspraak

Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Politierechter in de Rechtbank te Zutphen van 17 april 2002 - de verdachte ter zake van "voortgezette handeling van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, eerste lid onder B, van de Opiumwet gegeven verbod" veroordeeld tot twee weken gevangenisstraf, voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, alsmede tot een geldboete van € 450,--, subsidiair negen dagen hechtenis.

2. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. H.K. ter Brake, advocaat te Hoorn, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Wortel heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

3. Beoordeling van het middel

3.1. Het middel behelst de klacht dat het Hof het beroep op onrechtmatige bewijsgaring op de grond dat de woning van de verdachte onbevoegd is doorzocht, ten onrechte en op ontoereikende gronden heeft verworpen.

3.2. Het Hof heeft het door de raadsman ter terechtzitting in hoger beroep gevoerde verweer in het verkorte arrest als volgt samengevat en verworpen:

"De verdediging heeft een beroep gedaan op onrechtmatig verkregen bewijs, omdat de verbalisanten na het binnentreden in de woning zouden zijn overgegaan tot een doorzoeking zonder een daartoe strekkende bevoegdheid, met als gevolg het aantreffen van de in de telastelegging vermelde hennepplanten. In dat verband heeft de raadsman gesteld dat artikel 9 Opiumwet niet meer bevoegdheden kan bieden dan het Wetboek van strafvordering en dat artikel 96 van het Wetboek van strafvordering invulling zou geven aan artikel 9 Opiumwet.

Dit betoog mist naar het oordeel van het hof feitelijke grondslag en geeft een verkeerde uitleg aan de betreffende bepaling van de Opiumwet. Artikel 9 Opiumwet geeft de opsporingsambtenaren de bevoegdheid om zich toegang te verschaffen tot de plaatsen waar een overtreding van de Opiumwet wordt gepleegd of waar redelijkerwijze vermoed kan worden dat

zodanige overtreding wordt gepleegd, zoals in deze zaak het geval was. Op grond van deze algemene betredingsbevoegdheid mochten de opsporingsambtenaren zich niet alleen toegang tot het betreffende pand verschaffen, maar mochten zij zich ook doorgang en toegang verschaffen tot die ruimten in het pand, waar de overtreding van de Opiumwet werd gepleegd of vermoed werd te worden gepleegd, teneinde daar verdere activiteiten te ondernemen op grond van de hen toekomende bevoegdheden, zoals de bevoegdheid tot inbeslagneming op grond van artikel 9 lid 3 van de Opiumwet. Dat zij daarvoor een ruit en meerdere deuren moesten forceren, ontneemt aan het handelen van de verbalisanten op zich niet het karakter van het zich toegang verschaffen. Uit de opgemaakte processen-verbaal over het binnentreden blijkt

bovendien dat de verbalisanten doelgericht hebben gewerkt en niet zoekend in het pand zijn rondgegaan. Er is derhalve geen sprake geweest van een doorzoeking, zoals door de verdediging is gesteld, zodat het hof niet toekomt aan de vraag of artikel 96 van het Wetboek van strafvordering is overtreden.

Overigens is niet aannemelijk geworden dat, naar de verdediging voorts heeft gesteld, de verbalisanten op een disproportionele wijze gebruik hebben gemaakt van hun bevoegdheid om zich toegang te verschaffen."

3.3. Het middel behelst, kort gezegd, het standpunt dat het oordeel van het Hof dat het optreden van de verbalisanten wordt gelegitimeerd door art. 9 Opiumwet en dat geen sprake is geweest van doorzoeking onjuist en onbegrijpelijk is nu in de woning gedurende vier uren onderzoekshandelingen zijn verricht, de verdachte het optreden van de verbalisanten als een emotionele gebeurtenis heeft ervaren en alle in de woning aanwezige ruimtes zijn betreden waardoor er sprake is geweest van een stelselmatig en gericht onderzoek waarvoor art. 9 Opiumwet geen ruimte biedt.

3.4. Vooropgesteld moet worden dat bij de Wet van 27 mei 1999, Stb. 243 tot herziening van het gerechtelijk vooronderzoek (verder ook: de Wet) onder meer opnieuw is geregeld de bevoegdheid van gewone opsporingsambtenaren tot inbeslagneming en de daaraan gekoppelde bevoegdheid om daartoe elke plaats te betreden. In de parlementaire geschiedenis van de Wet wordt onderscheid gemaakt tussen het betreden van de desbetreffende plaats, het aldaar zoekend rondkijken en het inbeslagnemen van voor de hand liggende voorwerpen enerzijds, en het doorzoeken van die plaats anderzijds. Tot dit laatste is in een geval als het onderhavige ingevolge art. 96c Sv uitsluitend de officier van justitie of in bepaalde gevallen een hulpofficier van justitie, gemachtigd door de officier van justitie, bevoegd. Aangenomen moet worden dat na de inwerkingtreding van de Wet bedoelde systematiek ook geldt indien het gaat om opsporingsonderzoek met betrekking tot verdovende middelen. Gelet daarop moet art. 9, eerste lid aanhef en onder b, Opiumwet aldus worden uitgelegd dat de aldaar geregelde bevoegdheid om zich toegang te verschaffen tot de desbetreffende plaats, niet omvat de bevoegdheid om die plaats te doorzoeken (vgl. HR 18 november 2003, LJN AL6238).

3.5. 's Hofs oordeel dat er in dit geval geen sprake is geweest van een doorzoeking, nu door middel van het forceren van een ruit aan de achterzijde van de woning en meerdere deuren in de woning de toegang tot dat pand en tot de in dat pand aanwezige ruimten is verkregen, alwaar vervolgens hennepplanten in beslag zijn genomen die aldaar zijn aangetroffen door zoekend rond te kijken, geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting, nu de bevoegdheid tot het binnentreden in een perceel waar redelijkerwijze vermoed kan worden dat de Opiumwet wordt overtreden, de bevoegdheid omvat om zich de doorgang in dat perceel te verschaffen, terwijl voorts in het derde lid van art. 9 Opiumwet de bevoegdheid tot inbeslagname van de daarvoor vatbare voorwerpen is gelegen (vgl. HR 21 oktober 2003 LJN AH9998). Voorts ligt in 's Hofs overwegingen - waar het gewag maakt van "doelgericht" werken - besloten dat de duur van het (verdere) verblijf in de woning zijn verklaring vindt in de inbeslagneming van het aanzienlijke aantal aangetroffen hennepplanten en van apparatuur. 's Hofs oordeel is evenmin onbegrijpelijk en kan, verweven als het is met waarderingen van feitelijke aard, in cassatie niet verder worden getoetst.

3.6. Het middel faalt dus.

4. Slotsom

Nu het middel niet tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.

5. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president C.J.G. Bleichrodt als voorzitter, en de raadsheren J.P. Balkema en B.C. de Savornin Lohman, in bijzijn van de waarnemend-griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op 25 mei 2004.