Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2004:AO6020

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
04-06-2004
Datum publicatie
04-06-2004
Zaaknummer
C03/221HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2004:AO6020
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

4 juni 2004 Eerste Kamer Nr. C03/221HR JMH/AT Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van: [Eiser], wonende te [woonplaats], EISER tot cassatie, advocaat: mr. A.J. Swelheim, t e g e n BRUSH HMA B.V., gevestigd te Ridderkerk, ERWEERSTER in cassatie, niet verschenen. 1. Het geding in feitelijke instanties...

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JAR 2004/167
JOL 2004, 310
NJ 2004, 603
JAR 2004, 167
JWB 2004/206

Uitspraak

4 juni 2004

Eerste Kamer

Nr. C03/221HR

JMH/AT

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[Eiser],

wonende te [woonplaats],

EISER tot cassatie,

advocaat: mr. A.J. Swelheim,

t e g e n

BRUSH HMA B.V.,

gevestigd te Ridderkerk,

VERWEERSTER in cassatie,

niet verschenen.

1. Het geding in feitelijke instanties

Eiser tot cassatie - verder te noemen: [eiser] - heeft bij exploot van 13 september 2001 verweerster in cassatie - thans verder te noemen: Brush - gedagvaard voor de rechtbank, sector kanton, te Rotterdam en gevorderd bij vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, Brush te veroordelen tot betaling van:

A. een bedrag van bruto ƒ 21.531,03 ter zake van opgebouwde doch niet genoten vakantiedagen;

B. de wettelijke verhoging van 50% over alle gevorderde bedragen;

C. de wettelijke rente over alle gevorderde bedragen vanaf 16 april 2001 tot de dag der algehele voldoening;

D. de buitengerechtelijke kosten ten bedrage van ƒ 1.450,--, en

E. de kosten van dit geding, het salaris van de gemachtigde en griffierecht daaronder begrepen.

Brush heeft de vordering bestreden.

De rechtbank, sector kanton, heeft bij vonnis van 10 april 2002 [eiser] niet-ontvankelijk verklaard in zijn vordering.

Tegen dit vonnis heeft [eiser] hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te 's-Gravenhage. Bij memorie van grieven heeft hij zijn eis gewijzigd en gevorderd bij arrest, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, het vonnis van de rechtbank Rotterdam, sector kanton, van 10 april 2002 te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, Brush te veroordelen tot betaling van:

a. een bedrag ad € 9.316,58 bruto aan vergoeding wegens opgebouwde maar niet genoten en evenmin uitbetaalde vakantiedagen;

b. een bedrag ad € 4.658,29 aan wettelijke verhoging van het sub a genoemde bedrag;

c. de wettelijke rente over het sub a genoemde bedrag vanaf 16 april 2001 tot aan de dag der algehele voldoening;

d. de wettelijke rente over het sub b genoemde bedrag vanaf 1 juni 2001 tot aan de dag der algehele voldoening;

e. een bedrag ad € 657,98 aan buitengerechtelijke kosten, en

f. de kosten van het geding in eerste aanleg en van het geding in hoger beroep.

Bij arrest van 23 mei 2003 heeft het hof het vonnis van de rechtbank waarvan beroep bekrachtigd.

Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Tegen de niet verschenen Brush is verstek verleend.

De conclusie van de Advocaat-Generaal C.L. de Vries Lentsch-Kostense strekt tot vernietiging van het bestreden arrest van het hof en tot verwijzing ter verdere behandeling en beslissing.

3. Beoordeling van het middel

3.1 In cassatie kan worden uitgegaan van het volgende.

(i) [Eiser] is op 1 mei 1989 bij de rechtsvoorgangster van Brush in dienst getreden in de functie van calculator tegen een salaris van laatstelijk ƒ 6.157,82 bruto per vier weken, exclusief emolumenten.

(ii) [Eiser] is sedert 20 mei 1996 volledig arbeidsongeschikt.

(iii) Bij brief van 8 december 1997 heeft de echtgenote van [eiser] aan Brush het volgende bericht met betrekking tot de niet-genoten vakantie-uren:

"(...)

Wellicht is het u bekend, dat mijn man sinds medio juni 1997 van de één op de andere dag is geconfronteerd met een enorme salaristerugval. Hij ontvangt nu bruto een bedrag wat hij voorheen netto heeft ontvangen.

Gezien het feit dat hij nog 987.75 uur tegoed heeft, conform bijgaande urenspecificatie, verzoek ik u deze uren x ƒ 38,49 bruto per uur in 1997 nog uit te betalen.

(...)"

(iv) Bij brief van 11 december 1997 heeft Brush aan de echtgenote van [eiser] - zakelijk weergegeven en voorzover van belang - bericht niet aan het verzoek te kunnen voldoen omdat uitbetaling van verlof tijdens dienstverband niet is toegestaan, terwijl zij tevens erop wees dat in verband met de arbeidsongeschiktheid van [eiser] een correctie op de toegezonden specificatie moest worden aangebracht.

(v) Bij brief van 14 september 1999 heeft de gemachtigde van [eiser] aan Brush de vordering met betrekking tot 987,75 vakantieuren als opgebouwd tot 20 mei 1996 aangezegd "opdat de rechten van cliënt ter zake niet door verjaring worden getroffen".

(vi) De arbeidsovereenkomst tussen partijen is per 16 april 2001 in verband met de arbeidsongeschiktheid van [eiser] ontbonden zonder dat een vergoeding is toegekend voor de vakantieuren die tot 20 mei 1996 waren opgebouwd.

3.2 [Eiser] heeft aan zijn hiervoor onder 1 weergegeven vordering ten grondslag gelegd dat zijn aan het eind van de dienstbetrekking nog openstaande vordering tot toekenning van vakantie, in verband met art. 7:641 lid 1 (oud) BW is omgezet in een uitkering in geld tot het bedrag van het loon over een tijdvak overeenkomend met de aanspraak.

Brush heeft de hoogte van de vordering bestreden; zij heeft zich bovendien erop beroepen dat de aanspraken van [eiser] zijn verjaard.

3.3 De rechtbank heeft dit beroep op verjaring gegrond geacht en [eiser] daarom niet-ontvankelijk verklaard in zijn vordering. Zij overwoog daartoe met name dat de brief van 8 december 1997 in redelijkheid niet kan worden uitgelegd als een ondubbelzinnige mededeling dat [eiser] zich het recht op uitbetaling van de vakantiedagen voorbehoudt.

In hoger beroep heeft het hof het door de rechtbank gewezen vonnis bekrachtigd. Het overwoog daartoe, kort gezegd, dat de zojuist bedoelde brief niet voldoet aan de in art. 3:317 lid 1 BW gestelde eisen. Deze brief is gelijk te stellen met het in rekening brengen van het bedrag, overeenkomend met de uitbetaling van de vakantiedagen. Na de weigering van Brush bij brief van 11 december 1997 had het voor de hand gelegen schriftelijk te reageren en mee te delen dat [eiser] hiermee geen genoegen nam en zijn vordering zou handhaven. Dan zou sprake geweest (kunnen) zijn van stuiting van de verjaring, aldus nog steeds het hof in rov. 5 van zijn arrest.

3.4 Ingevolge art. 3:317 lid 1 BW wordt de verjaring van een rechtsvordering tot nakoming van een verbintenis gestuit door een schriftelijke aanmaning of door een schriftelijke mededeling waarin de schuldeiser zich ondubbelzinnig zijn recht op nakoming voorbehoudt. Deze omschrijving van de schriftelijke mededeling moet worden begrepen in het licht van de strekking van een stuitingshandeling van deze aard, welke neerkomt op een - voldoende duidelijke - waarschuwing aan de schuldenaar dat hij, ook na het verstrijken van de verjaringstermijn, rekening ermee moet houden dat hij de beschikking houdt over zijn gegevens en bewijsmateriaal, opdat hij zich tegen een dan mogelijkerwijs alsnog door de schuldeiser ingestelde vordering behoorlijk kan verweren (HR 14 februari 1997, nr. 16144, NJ 1997, 244, HR 1 december 2000, nr. C 98/301, NJ 2001, 46 en HR 25 januari 2002, nr. C 00/081, NJ 2002, 169).

3.5 Indien het hof met zijn hiervoor in 3.3 weergegeven rov. 5 heeft miskend wat hiervoor in 3.4 is overwogen, heeft het blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting.

Indien het hof dit niet heeft miskend, is zijn hiervoor weergegeven oordeel onbegrijpelijk gemotiveerd. Bij de uitleg van de onderhavige brief komt het erop aan of Brush daaraan in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs de betekenis heeft moeten toekennen dat [eiser] zich ondubbelzinnig zijn recht op nakoming heeft voorbehouden. In deze, door een leek geschreven, brief wordt een expliciet verzoek gedaan tot uitbetaling van het nog verschuldigde bedrag ter zake van door [eiser] niet opgenomen vakantie. Zonder nadere motivering, die ontbreekt, valt niet in te zien waarom Brush hieraan in de gegeven omstandigheden niet redelijkerwijs de betekenis heeft moeten toekennen dat [eiser] zich zijn recht op nakoming voorbehield. Dit klemt temeer gezien het feit dat de brief van 11 december 1997, waarmee Brush op de namens [eiser] geschreven brief heeft gereageerd, redelijkerwijs geen andere uitleg toelaat dan dat Brush deze brief daadwerkelijk in die zin heeft begrepen.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt het arrest van het gerechtshof te 's-Gravenhage van 23 mei 2003;

verwijst het geding naar het gerechtshof te Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing;

veroordeelt Brush in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [eiser] begroot op € 226,65 aan verschotten en € 1.590,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president P. Neleman als voorzitter en de raadsheren J.B. Fleers, D.H. Beukenhorst, E.J. Numann en F.B. Bakels, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A. Hammerstein op 4 juni 2004.