Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2004:AO5537

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
12-03-2004
Datum publicatie
12-03-2004
Zaaknummer
38476
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Nr. 38.476 12 maart 2004 SD gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 29 mei 2002, nr. BK-00/02559, betreffende na te melden aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen. 1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof...

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
WFR 2004/461, 2
FED 2004/204 met annotatie van J.B.H. Röben
FED 2004/162
V-N 2004/15.13 met annotatie van Redactie
FutD 2004-0455 met annotatie van Fiscaal up to Date
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Nr. 38.476

12 maart 2004

SD

gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 29 mei 2002, nr. BK-00/02559, betreffende na te melden aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.

1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof

Aan belanghebbende is voor het jaar 1998 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 55.555, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.

Het Hof heeft het beroep ongegrond verklaard. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.

3. Beoordeling van de klachten

3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

Belanghebbende verrichtte in het onderhavige jaar freelance werkzaamheden als docent en heeft in dat jaar uitgaven gedaan voor een cursus over het besturingsprogramma voor computers Windows 95 (hierna: de cursus).

3.2. Voor het Hof was in geschil of belanghebbende de voor de cursus gedane uitgaven ten laste van zijn inkomen mag brengen.

3.3. Het Hof heeft geoordeeld dat de cursus heeft geleid tot een vergroting van de persoonlijke kennis die een dermate algemeen karakter bevat, dat belanghebbende daarvan geheel onafhankelijk van zijn freelance werkzaamheden in zijn privé-leven profijt kan trekken. Indien al sprake is van profijt ten behoeve van belanghebbendes freelance werkzaamheden, is het overigens door belanghebbende uit de cursus getrokken profijt veel groter, aangezien de freelance werkzaamheden een aflopende zaak waren, aldus het Hof. Op die gronden heeft het Hof geoordeeld dat de voor de cursus gedane uitgaven niet kunnen gelden als aftrekbare kosten.

De tegen dit oordeel gerichte klacht is gegrond. De omstandigheden dat belanghebbende in zijn privé-leven profijt kan trekken van de cursus en dat, indien al sprake is van profijt ten behoeve van belanghebbendes freelance werkzaamheden, het door belanghebbende overigens uit deze cursus getrokken profijt veel groter is, staan niet eraan in de weg dat de voor de cursus gedane uitgaven op grond van andere omstandigheden kunnen worden aangemerkt als aftrekbare kosten. Bovendien moet, anders dan het Hof kennelijk heeft gedaan, de aftrekbaarheid worden beoordeeld naar de omstandigheden ten tijde van het doen van de uitgaven.

3.4. Het Hof heeft voorts geoordeeld dat de cursus een zodanig algemeen karakter heeft dat de daarvoor gedane uitgaven niet kunnen gelden als uitgaven die zijn gedaan voor een studie of opleiding voor een beroep, en dat die uitgaven derhalve geen buitengewone lasten zijn als bedoeld in artikel 46, lid 1, letter c, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna: de Wet).

De tegen dit oordeel gerichte klacht is eveneens gegrond. De omstandigheid dat een cursus een algemeen karakter draagt, staat niet eraan in de weg dat uitgaven voor die cursus op grond van andere omstandigheden kunnen worden aangemerkt als aftrekbare uitgaven ter zake van opleiding of studie voor een beroep (HR 23 februari 1983, nr. 21503, BNB 1983/174).

3.5. Voor het Hof was tevens in geschil of verblijfkosten, gemaakt in verband met andere cursussen, waarvan de cursuskosten blijkens de stukken van het geding door de Inspecteur wel als uitgaven ter zake van studie of opleiding voor een beroep zijn aanvaard, eveneens als dergelijke uitgaven zijn aan te merken. Het Hof, dat kennelijk niet heeft onderkend dat het hier gaat om verblijfkosten in verband met andere cursussen, heeft de aftrek afgewezen en zulks slechts gemotiveerd met een verwijzing naar zijn overwegingen omtrent de computercursus. Aldus is 's Hofs oordeel over de verblijfkosten niet toereikend gemotiveerd. Het is echter wel juist. Gelet op de wetsgeschiedenis van artikel 46, lid 1, letter c, van de Wet zijn de kosten van levensonderhoud, waaronder ook de verblijfkosten van belanghebbende in een pension ten behoeve van een gevolgde cursus, niet aan te merken als studiekosten in de zin van dat artikel (vgl. HR 22 april 1981, nr. 20462, BNB 1981/147). Voorzover de klachten op dit oordeel betrekking hebben, falen zij derhalve.

3.6. Het in 3.3 en 3.4 overwogene leidt tot de slotsom dat 's Hofs uitspraak niet in stand kan blijven. Verwijzing moet volgen.

4. Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten. Door het verwijzingshof zal worden beoordeeld of aan belanghebbende voor de kosten van het geding voor het Hof een vergoeding dient te worden toegekend.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

verklaart het beroep gegrond,

vernietigt de uitspraak van het Hof,

verwijst het geding naar het Gerechtshof te Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest, en

gelast dat de Staat aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie verschuldigd geworden griffierecht ten bedrage van € 82.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.G. Pos als voorzitter, en de raadsheren L. Monné, P.J. van Amersfoort, A.R. Leemreis en C.J.J. van Maanen, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 12 maart 2004.