Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2004:AO5122

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
04-06-2004
Datum publicatie
04-06-2004
Zaaknummer
C03/043HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2004:AO5122
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

4 juni 2004 Eerste Kamer Nr. C03/043HR JMH/AT Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van: [Eiser], wonende te [woonplaats], EISER tot cassatie, advocaat: mr. J. Groen, t e g e n IDM FINANCIERINGEN B.V., voorheen IDM VOORSCHOTBANK N.V., gevestigd te Amsterdam, VERWEERSTER in cassatie, niet verschenen. 1. Het geding in feitelijke instanties...

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JBPR 2004/50 met annotatie van mr. J. Dammingh
JOL 2004, 308
NJ 2004, 411
RvdW 2004, 82
JWB 2004/214

Uitspraak

4 juni 2004

Eerste Kamer

Nr. C03/043HR

JMH/AT

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[Eiser],

wonende te [woonplaats],

EISER tot cassatie,

advocaat: mr. J. Groen,

t e g e n

IDM FINANCIERINGEN B.V., voorheen IDM VOORSCHOTBANK N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

VERWEERSTER in cassatie,

niet verschenen.

1. Het geding in feitelijke instanties

Verweerster in cassatie - verder te noemen: IDM - heeft bij exploot van 17 maart 2000 eiser tot cassatie - verder te noemen: [eiser] - gedagvaard voor de kantonrechter te Delft en gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad en zonder borgtocht, [eiser] te veroordelen om tegen bewijs van ontvangst aan IDM te betalen een bedrag van ƒ 8.523,94, vermeerderd met de wettelijke rente over ƒ 9.420,18, dan wel het onbetaald gelaten gedeelte daarvan, vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening.

[Eiser] heeft de vordering bestreden.

De kantonrechter heeft bij tussenvonnis van 31 augustus 2000 IDM tot bewijslevering toegelaten en bij tussenvonnis van 14 december 2000 IDM in de gelegenheid gesteld haar vordering deugdelijk te specificeren. Bij eindvonnis van 19 april 2001 heeft de kantonrechter [eiser] veroordeeld om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan IDM te voldoen een bedrag van ƒ 5.836,61, vermeerderd met de wettelijke rente over ƒ 3.882,12 vanaf 17 maart 2000 tot aan de dag der algehele voldoening, en het meer of anders gevorderde afgewezen

Tegen deze drie vonnissen heeft [eiser] hoger beroep ingesteld bij de rechtbank te 's-Gravenhage. IDM heeft incidenteel hoger beroep ingesteld.

Bij vonnis van 9 oktober 2002 heeft de rechtbank [eiser] niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep tegen het tussenvonnis van de kantonrechter te Delft van 31 augustus 2000, diens tussenvonnis van 14 december 2000 bekrachtigd, het eindvonnis van de kantonrechter van 19 april 2001 vernietigd, met uitzondering van de beslissing tot compensatie van de proceskosten, en dit vonnis op dit punt bekrachtigd. Opnieuw rechtdoende heeft de rechtbank de oorspronkelijke vordering van IDM alsnog toegewezen.

Het vonnis van de rechtbank is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het vonnis van de rechtbank heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Tegen de niet verschenen IDM is verstek verleend.

[Eiser] heeft de zaak doen toelichten door zijn advocaat.

De conclusie van de Advocaat-Generaal D.W.F. Verkade strekt tot vernietiging van het bestreden vonnis, met verwijzing van de zaak naar het gerechtshof te 's-Gravenhage.

3. Beoordeling van het middel

3.1 In cassatie kan worden uitgegaan van de feiten en omstandigheden vermeld in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 2.1, 2.2 en 2.3. In cassatie is slechts aan de orde of de rechtbank mocht aannemen dat de brief van 30 december 1992, waarmee IDM stuiting beoogde van de verjaring van haar vordering op [eiser] uit hoofde van geldlening, deze laatste heeft bereikt.

3.2 IDM heeft gevorderd als hiervoor onder 1 is vermeld. Bij tussenvonnis van 31 augustus 2000 heeft de kantonrechter IDM opgedragen te bewijzen dat de stuitingsbrieven van IDM van 30 december 1992, 9 november 1993 en 8 mei 1996 [eiser] hebben bereikt, dan wel zijn verzonden en door een aan [eiser] toe te rekenen oorzaak hem niet hebben bereikt. Bij tussenvonnis van 14 december 2000 heeft de kantonrechter IDM met betrekking tot de brieven van 30 december 1992 en 8 mei 1996 geslaagd geacht in het haar opgedragen bewijs. Bij eindvonnis van 19 april 2001 heeft de kantonrechter [eiser] veroordeeld tot betaling van ƒ 5.826,61, vermeerderd met de wettelijke rente.

3.3 De rechtbank heeft [eiser] niet-ontvankelijk verklaard in zijn beroep voorzover gericht tegen het tussenvonnis van 31 augustus 2000, en het tussenvonnis van 14 december 2000 bekrachtigd.

In het incidenteel appel heeft de rechtbank het eindvonnis van 19 april 2001 vernietigd, met uitzondering van de beslissing tot compensatie van de proceskosten, en, opnieuw rechtdoende, [eiser] veroordeeld tot betaling van € 3.868,--, vermeerderd met de wettelijke rente over € 4.275,--.

3.4 De rechtbank heeft in rov. 5.4 geoordeeld dat in deze procedure in hoger beroep nog slechts ter discussie staat of de brief van 30 december 1992 van IDM aan [eiser] laatstgenoemde ook heeft bereikt. De rechtbank heeft in rov. 5.5 geoordeeld dat thans ervan wordt uitgegaan dat die brief indertijd door IDM aan [eiser] is verstuurd en dat er geen aanwijzingen zijn dat de brief niet juist zou zijn geadresseerd, terwijl als niet weersproken vaststaat dat de brief na aangetekende verzending niet door de PTT is geretourneerd. Anders gezegd, aldus de rechtbank: de adressering was juist en de brief is niet terug gekomen. Zulks brengt de rechtbank "tot het vermoeden dat de brief [eiser] heeft bereikt. [Eiser] heeft geen tegenbewijs tegen dit vermoeden aangeboden. De rechtbank ziet geen aanleiding om [eiser] ambtshalve tot het leveren van tegenbewijs in de gelegenheid te stellen. Dit betekent dat er thans in rechte van moet worden uit gegaan dat de betreffende brief [eiser] heeft bereikt. Hierdoor is de verjaring tijdig gestuit." (rov. 5.6)

3.5 In zijn arrest van 16 oktober 1998, C97/154, NJ 1998, 897, heeft de Hoge Raad geoordeeld dat de afzender van een aangetekende brief, wanneer de geadresseerde stelt dat de brief hem niet (tijdig) heeft bereikt, dient te bewijzen dat hij de brief aangetekend en naar het juiste adres heeft verzonden en bovendien aannemelijk dient te maken dat de brief (tijdig) aan de geadresseerde is aangeboden op de wijze die daartoe ter plaatse van bestemming is voorgeschreven.

3.6 In het onderhavige geval heeft de rechtbank bij haar oordeel dat de omstandigheden, kort gezegd: dat de brief juist was geadresseerd en niet is teruggekomen, tot het vermoeden leiden dat de brief [eiser] heeft bereikt, hetzij blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, hetzij haar oordeel onvoldoende gemotiveerd.

Van een onjuiste rechtsopvatting is sprake, indien het oordeel berust op de gedachte dat een juiste adressering en aangetekende verzending op zichzelf voldoende aannemelijk maken dat de brief (tijdig) aan de geadresseerde is aangeboden. De hiervoor in 3.5 vermelde regel houdt immers in dat de afzender van een aangetekende brief de verzending naar het juiste adres moet bewijzen en bovendien de (tijdige) correcte aanbieding aan de geadresseerde aannemelijk dient te maken.

Van een onvoldoende motivering is sprake indien het vermoeden dat de brief [eiser] heeft bereikt, alleen is gebaseerd op het gegeven dat de juist geadresseerde brief niet is geretourneerd. Dat gegeven is zonder nadere motivering, die ontbreekt, onvoldoende om zulk een vermoeden te schragen.

In het middel liggen op dit een en ander gerichte klachten besloten. Het treft derhalve in zoverre doel en behoeft voor het overige geen behandeling.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt het vonnis van de rechtbank te 's-Gravenhage van 9 oktober 2002;

verwijst het geding naar het gerechtshof te 's-Gravenhage ter verdere behandeling en beslissing;

veroordeelt IDM in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [eiser] begroot op € 407,34 aan verschotten en € 1.590,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de raadsheren J.B. Fleers, als voorzitter, P.C. Kop en E.J. Numann, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A. Hammerstein op 4 juni 2004.