Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2004:AO5030

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
11-05-2004
Datum publicatie
05-01-2006
Zaaknummer
01721/03
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2004:AO5030
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Bewezenverklaard “doen opnemen” levert i.c. geen doen plegen op. Gelet op de door het hof aan het bewezenverklaarde gegeven kwalificatie (valsheid in geschrift) heeft het hof de op de grondslag van de tenlastelegging bewezenverklaarde woorden “doen opnemen” kennelijk en niet onbegrijpelijk aldus verstaan dat daarmee slechts een feitelijke beschrijving wordt gegeven van de wijze waarop verdachte de desbetreffende valsheid in geschrift heeft gepleegd (HR DD 98.329).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

11 mei 2004

Strafkamer

nr. 01721/03

SG/SM

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 4 maart 2003, nummer 22/002051-02, in de strafzaak tegen:

[verdachte], geboren te [geboorteplaats] (Koeweit) op [geboortedatum] 1960, wonende te [woonplaats].

1. De bestreden uitspraak

Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Rechtbank te Dordrecht van 29 mei 2001 - de verdachte vrijgesproken van het hem bij inleidende dagvaarding onder 2, 3 en 4 tenlastegelegde en hem voorts ter zake van 1. "medeplegen van het opzettelijk een waardekaart bedoeld voor het verrichten van betalingen langs geautomatiseerde weg vervalsen, met het oogmerk zichzelf of een ander te bevoordelen, meermalen gepleegd" en 5 "valsheid in geschrift" veroordeeld tot achttien maanden gevangenisstraf, waarvan zes maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren, met verbeurdverklaring en onttrekking aan het verkeer zoals in het arrest omschreven.

1.2. De aanvulling op het verkorte arrest als bedoeld in art. 365a, tweede lid, Sv is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. C. Waling, advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur en aanvullende schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur en de aanvullende schriftuur zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

3. Beoordeling van het eerste middel

3.1. Het middel bevat de klachten dat het Hof ten onrechte de bewezenverklaring onder 5 heeft gekwalificeerd als valsheid in geschrift en dat de bewezenverklaring onvoldoende is gemotiveerd.

3.2. Ten laste van de verdachte heeft het Hof onder 5 bewezenverklaard dat:

"hij op 14 mei 1996 te Rijsbergen een aanvraag om een vergunning tot verblijf - zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk heeft opgemaakt, immers heeft verdachte in strijd met de waarheid in die aanvraag doen opnemen dat hij, verdachte, de Iraakse nationaliteit bezat, zulks met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken."

3.3. Blijkens de gebezigde bewijsmiddelen was in de desbetreffende aanvraag om een vergunning tot verblijf in strijd met de waarheid vermeld dat de verdachte de Iraakse nationaliteit bezat en heeft de verdachte deze aanvraag ondertekend.

3.4. Aan het middel ligt de opvatting ten grondslag dat het onder 5 bewezenverklaarde feit oplevert het doen plegen van valsheid in geschrift. Die opvatting is onjuist. Gelet op de door het Hof aan het onder 5 bewezenverklaarde feit gegeven kwalificatie, zoals onder 1 vermeld, heeft het Hof de op de grondslag van de tenlastelegging bewezenverklaarde woorden "doen opnemen" kennelijk en niet onbegrijpelijk in die zin verstaan dat daarmee slechts een feitelijke beschrijving wordt gegeven van de - hiervoor onder 3.3 aangeduide - wijze waarop de verdachte de desbetreffende valsheid in geschrift heeft gepleegd. (vgl. HR 16 juni 1998, DD 98.329).

Het middel berust dus op een onjuiste lezing van het bestreden arrest en kan daarom bij gebrek aan feitelijke grondslag niet tot cassatie leiden.

4. Beoordeling van het tweede en het derde middel

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

5. Slotsom

Nu de middelen niet tot cassatie kunnen leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.

6. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren G.J.M. Corstens en W.A.M. van Schendel, in bijzijn van de waarnemend-griffier L.J.J. Okker-Braber, en uitgesproken op 11 mei 2004.