Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2004:AO4604

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
04-06-2004
Datum publicatie
04-06-2004
Zaaknummer
R03/012HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2004:AO4604
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

4 juni 2004 Eerste Kamer Rek.nr. R03/012HR JMH/AS Hoge Raad der Nederlanden Beschikking in de zaak van: [De man], wonende te [woonplaats], VERZOEKER tot cassatie, advocaat: mr. H.J.W. Alt, t e g e n [De vrouw], wonende te [woonplaats], VERWEERSTER in cassatie, niet verschenen. 1. Het geding in feitelijke instanties...

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2004, 295
JWB 2004/202
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

4 juni 2004

Eerste Kamer

Rek.nr. R03/012HR

JMH/AS

Hoge Raad der Nederlanden

Beschikking

in de zaak van:

[De man],

wonende te [woonplaats],

VERZOEKER tot cassatie,

advocaat: mr. H.J.W. Alt,

t e g e n

[De vrouw],

wonende te [woonplaats],

VERWEERSTER in cassatie,

niet verschenen.

1. Het geding in feitelijke instanties

Met een op 9 februari 2001 ter griffie van de rechtbank te Amsterdam ingekomen verzoekschrift heeft verweerster in cassatie - verder te noemen: de vrouw - zich gewend tot die rechtbank en verzocht primair echtscheiding, subsidiair scheiding van tafel en bed tussen haar en verzoeker tot cassatie - verder te noemen: de man - uit te spreken en een nevenvoorziening omtrent de boedelscheiding verzocht.

De man heeft het verzoek van de vrouw echtscheiding tussen partijen uit te spreken niet bestreden en zijnerzijds verzocht - voor zover in cassatie van belang - te bepalen dat de vrouw ten behoeve van de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige zoon van partijen [kind 2] (die bij de man verblijft), hierna: [kind 2], een maandelijkse bijdrage van ƒ 500,-- en aan de man een bijdrage tot zijn levensonderhoud van ƒ 2.500,-- per maand zal voldoen.

De rechtbank heeft bij beschikking van 16 mei 2001 echtscheiding tussen partijen uitgesproken en de beslissing omtrent de alimentatie voor [kind 2] en de man aangehouden. Bij beschikking van 18 juli 2001 heeft de rechtbank de bijdragen ten laste van de vrouw ten behoeve van [kind 2] en de man voorlopig op nihil gesteld en bij beschikking van 16 januari 2002 de onderhoudsbijdragen voor [kind 2] en de man met ingang van 1 oktober 2001 op respectievelijk € 226,89 en € 425,45 gesteld en het meer of anders verzochte afgewezen.

Tegen de beschikking van 16 januari 2002 heeft de vrouw hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. Zij heeft het hof verzocht de bestreden beschikking te vernietigen en de verzoeken van de man alsnog af te wijzen, althans de duur van de uitkering tot levensonderhoud van de man te limiteren en te bepalen dat deze zal eindigen op 23 mei 2002.

De man heeft het hoger beroep van de vrouw tegengesproken; hij heeft incidenteel hoger beroep ingesteld en daarbij verzocht de beschikking van de rechtbank van 16 januari 2002 te vernietigen en alsnog zijn verzoek toe te wijzen en voorts te bepalen dat de vrouw voor [kind 2] een maandelijkse bijdrage van € 544,50 dient te betalen.

Bij beschikking van 24 oktober 2002 heeft het hof de door de vrouw aan de man te betalen uitkering tot zijn levensonderhoud met ingang van 1 oktober 2001 op nihil gesteld en de bestreden beschikking in zoverre vernietigd, met dien verstande dat de bijdrage over de periode vanaf 1 oktober 2001 wordt bepaald op hetgeen door de vrouw tot de dag van 's hofs beschikking is betaald en/of op haar is verhaald, met afwijzing van het meer of anders verzochte.

De beschikking van het hof is aan deze beschikking gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen de beschikking van het hof heeft de man beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest, vergezeld van een brief van 29 januari 2003 houdende herstel van twee omissies, en een aanvullend verzoekschrift zijn aan deze beschikking gehecht en maken daarvan deel uit.

De vrouw - die uitstel heeft verzocht en verkregen voor het indienen van een verweerschrift - heeft geen verweerschrift ingediend.

De conclusie van de Advocaat-Generaal C.L. de Vries Lentsch-Kostense strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot verwijzing ter verdere behandeling en beslissing.

3. Beoordeling van het middel

3.1 Partijen zijn op 23 mei 1984 in gemeenschap van goederen gehuwd. Hun huwelijk is op 23 mei 2001 ontbonden door inschrijving in de registers van de burgerlijke stand van de beschikking van 16 mei 2001. Partijen hebben drie kinderen, [kind 1] (hierna: [kind 1]), geboren op [geboortedatum] 1982, alsmede de op [geboortedatum] 1985 geboren tweeling [kind 2] (hierna: [kind 2]) en [kind 3] (hierna: [kind 3]). [Kind 1] woont zelfstandig. [Kind 3] woont bij de moeder en [kind 2] woont bij de vader.

Bij dit geding inleidend verzoekschrift van 7 februari 2001 heeft de vrouw de rechtbank te Amsterdam verzocht echtscheiding uit te spreken; de man heeft bij verweerschrift een zelfstandig verzoek ingediend inhoudende dat de rechtbank zal bepalen dat de vrouw ten behoeve van de kosten van verzorging en opvoeding van [kind 2] een maandelijkse bijdrage van ƒ 500,- moet voldoen en tot levensonderhoud van de man een maandelijkse bedrag van ƒ 2.500,-.

De rechtbank heeft bij de hiervoor genoemde beschikking van 16 mei 2001, voor zover in cassatie van belang, echtscheiding tussen partijen uitgesproken en de beslissing omtrent de verzochte alimentatie aangehouden, in afwachting van de verkoop van de echtelijke woning. Bij beschikking van 18 juli 2001 heeft de rechtbank geoordeeld dat de man weliswaar behoefte had aan een bijdrage tot zijn levensonderhoud, doch dat de vrouw op dat moment niet in staat was enige bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind 2] dan wel enige bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de man te betalen; de rechtbank is er daarbij van uitgegaan dat de vrouw een andere woning zou betrekken waarbij in redelijkheid rekening zou moeten worden gehouden met een maandelijkse huur van ƒ 1.500,-- en dat de vrouw daarnaast nog de hypotheeklasten van de voormalige echtelijke woning ten bedrage van ƒ 3.366,83 per maand zou blijven voldoen. De definitieve beslissing over de onderhoudsbijdragen heeft de rechtbank aangehouden.

Bij beschikking van 16 januari 2002 heeft de rechtbank de onderhoudsbijdragen voor [kind 2] en de man met ingang van 1 oktober 2001 op respectievelijk € 226,89 en € 425,45 gesteld, daartoe onder meer overwegende dat met betrekking tot de draagkracht van de vrouw geen rekening meer werd gehouden met de aan de voormalige echtelijke woning verbonden lasten nu die woning per 1 oktober 2001 was verkocht.

De vrouw heeft in hoger beroep verzocht de bestreden beschikking te vernietigen en de verzoeken van de man, zowel voor een alimentatiebijdrage voor hemzelf als voor [kind 2], alsnog af te wijzen, althans de duur van de uitkering tot levensonderhoud van de man te limiteren en te bepalen dat deze zal eindigen op 23 mei 2002. De vrouw heeft daartoe onder meer aangevoerd dat zij inmiddels een andere woning heeft aangekocht en dat zij als gevolg van haar nieuwe woonlasten geen draagkracht heeft. De man heeft een verweerschrift ingediend en daarbij tevens incidenteel appel ingesteld waarbij hij heeft verzocht zijn verzoek om alimentatie voor hemzelf alsnog volledig toe te wijzen en voorts te bepalen dat de vrouw voor [kind 2] een maandelijkse bijdrage van € 544,50 zal betalen. Hij heeft daartoe onder meer aangevoerd dat de vrouw een veel te hoog bedrag aan hypotheeklasten opvoert, nu zij de opbrengst van de verkoop van de echtelijke woning integraal had kunnen aanwenden voor de aankoop van de nieuwe woning waardoor de woonlasten aanzienlijk hadden kunnen worden beperkt.

Bij de bestreden beschikking van 24 oktober 2002 heeft het hof de beschikking van 16 januari 2002 vernietigd voor zover die betrekking had op de onderhoudsbijdrage ten behoeve van de man en die bijdrage met ingang van 1 oktober 2001 op nihil gesteld wegens gebrek aan draagkracht van de vrouw, met bepaling dat die bijdrage over de periode van 1 oktober 2001 tot de dag van de beschikking werd bepaald op hetgeen door de vrouw is betaald of op haar is verhaald. Voor het overige heeft het hof kennelijk de bestreden beschikking bekrachtigd.

3.2.1Tegen de beschikking van het hof brengt de man een middel in stelling, aangevuld in een naar aanleiding van de kennisneming van het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 2 september 2002 ingediend aanvullend verzoekschrift tot cassatie, welk middel is opgebouwd uit drie onderdelen.

3.2.2 Onderdeel b, dat de Hoge Raad allereerst zal behandelen, is gericht tegen rov. 3.4 en de daarop voortbouwende rov. 3.7 en 3.9 van de bestreden beschikking. In rov. 3.4 heeft het hof de in grief 1 neergelegde stelling van de vrouw dat de omstandigheden sedert de bestreden beschikking van de rechtbank waren gewijzigd in die zin dat haar woonlasten en de door haar gedragen studiekosten van [kind 1] en [kind 3] waren toegenomen, gehonoreerd. Het hof heeft overwogen aan de zijde van de vrouw rekening te houden met een maandelijkse bijdrage in de studiekosten van [kind 1] van € 545,-- en met haar nieuwe woonlasten, nu die het hof niet onredelijk voorkwamen. In 3.7 heeft het hof geoordeeld dat een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind 2] van € 226,89 in overeenstemming met de wettelijke maatstaven is en dat de vrouw niet in staat is een uitkering tot levensonderhoud aan de man te betalen. Het onderdeel klaagt dat dit oordeel, voor zover het de woonlasten van de vrouw betreft, onbegrijpelijk is in het licht van de gedingstukken. Het onderdeel voert aan dat de man in hoger beroep heeft gesteld dat de vrouw niet de gehele haar toegevallen verkoopopbrengst van de voormalige echtelijke woning heeft aangewend voor de aankoop van haar huidige woning en dat zij ter zitting van het hof heeft verklaard dat van de ƒ 355.000,-- die zij uit die verkoopopbrengst heeft ontvangen, ƒ 135.000,-- is aangewend voor de aankoop van die nieuwe woning en dat het resterende bedrag van ƒ 220.000,-- bijna op is. Het middel klaagt dat het onjuist dan wel onbegrijpelijk is dat het hof de niet aan de financiering van de nieuwe woning bestede opbrengst bij de berekening van de draagkracht van de vrouw geheel buiten beschouwing heeft gelaten, althans dat het hof onvoldoende inzicht heeft gegeven in zijn gedachtegang indien het hof zulks niet heeft gedaan.

3.2.3 De motiveringsklacht van dit onderdeel slaagt. In hoger beroep heeft de vrouw gesteld niet in staat te zijn tot alimentatiebetalingen. Zij heeft zich daarbij in het bijzonder beroepen op haar woonlasten die het gevolg zijn van de aanschaf van een nieuwe woning. De man heeft die woonlasten als onredelijk hoog bestempeld, waarbij hij heeft gewezen op de hiervoor in 3.2.2 vermelde omstandigheid dat elk van partijen uit de verkoopopbrengst van de voormalige echtelijke woning een bedrag van ƒ 355.000,-- heeft ontvangen en dat de vrouw haar aandeel voor de aanschaf van haar nieuwe woning had kunnen aanwenden, in welk geval haar woonlasten aanzienlijk hadden kunnen worden beperkt. Blijkens het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in hoger beroep van 2 september 2002 heeft de vrouw daaromtrent verklaard dat zij voor de aankoop van de nieuwe woning een hypotheek van € 668.000,-- - de Hoge Raad begrijpt: ƒ 668.000,-- - heeft afgesloten, dat zij van het bedrag dat zij uit de verkoopopbrengst van de voormalige echtelijke woning heeft ontvangen ƒ 135.000,-- heeft aangewend voor die hypotheek en dat de resterende ƒ 220.000,-- 'bijna op' zijn. De vrouw heeft geen ander inzicht gegeven in de wijze waarop zij dat bedrag heeft besteed dan haar mededeling dat zij 'het' doorlopend krediet heeft afgelost en de kinderkamers heeft ingericht. Tegen deze achtergrond zijn 's hofs oordeel dat de nieuwe woonlasten van de vrouw niet onredelijk voorkomen en de daarop gebaseerde beslissing bij de bepaling van de draagkracht van de vrouw met die woonlasten rekening te houden, zonder nader motivering, die ontbreekt, niet begrijpelijk. Het hof heeft immers aldus geen inzicht gegeven in de wijze waarop het tot het in zijn beslissing besloten liggende oordeel is gekomen dat met de gevolgen van de door de vrouw gemaakte keuze de vrijgekomen gelden niet (nagenoeg) volledig te benutten voor de aanschaf van haar nieuwe woning, bij de berekening van haar draagkracht geen rekening wordt gehouden.

3.2.4 Het vorenstaande brengt mede dat de bestreden beschikking niet in stand kan blijven en de overige onderdelen geen behandeling behoeven.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de beschikking van het gerechtshof te Amsterdam van 24 oktober 2002;

verwijst het geding naar het gerechtshof te 's-Gravenhage ter verdere behandeling en beslissing.

Deze beschikking is gegeven door de raadsheren J.B. Fleers, als voorzitter, P.C. Kop en E.J. Numann, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A. Hammerstein op 4 juni 2004.